Corona update 26 juni: lees hier onze maatregelen. 

  • Aankoop van een nieuwe pup!
  • Allergie
  • Anaalklierproblemen
  • Angst bij dieren
  • Bloed, de spiegel van het lichaam
  • Castratie bij de reu
  • Chippen: Een diervriendelijke identificatiemethode
  • Dektijdstipbepaling
  • Diarree
  • Drachtige teef
  • Epilepsie
  • Euthanasie
  • Gebitsverzorging
  • Gescheurde voorste kruisband
  • Huidschimmel infecties
  • Huisdier mee op vakantie
  • Juniorprogramma voor pups
  • Kennelhoest
  • Kind en hond
  • Laparoscopische sterilisatie
  • Medicinale shampoo
  • Moederloze pups opvoeden
  • Ontwormen
  • Oogproblemen
  • Oorontsteking
  • Patellaluxatie
  • Sterilisatie bij de teef
  • Suikerziekte bij de hond
  • Vaccineren
  • Ziekte van Weil

Aankoop van een nieuwe pup!

Aankoop van een nieuwe pup!

Een hond is een gezellig, aangenaam huisdier en onmisbaar in vele gezinnen. Toch zien wij regelmatig puppy’s op het spreekuur met een twijfelachtig verleden. Deze puppy’s zijn gekocht (bijvoorbeeld via Marktplaats) in Nederland (of België), maar blijken oorspronkelijk uit Oost-Europa te komen en zijn soms onder verdachte omstandigheden ons land ingekomen. Een buitenlands paspoort of een vals Nederlands paspoort en valse vaccinatiebewijzen lijken te kloppen, maar helaas loopt het toch regelmatig fout en worden de hondjes ziek. Dit kan variëren van een kennelhoest- of oormijt-infectie tot een ernstige ziekte, zoals een besmetting met het parvovirus.

Wij willen u graag helpen bij de aankoop van een pup

Punten waar u bijvoorbeeld op kunt letten zijn, is de moederhond aanwezig, ligt de pup in een schoon nest, is de pup niet te mager en hoe reageert de pup op bezoek. Een pup moet een gezonde indruk maken, levendig zijn en lekker speels. Elke pup vanaf zeven weken beschikt over een vaccinatiebewijs in een Europees paspoort en heeft een chip.

Soms worden er onderzoeken gedaan naar erfelijke afwijkingen die vaak voorkomen bij bepaalde rassen. Informeert u goed naar de kenmerken en karaktertrekken van een bepaald ras. Een hond neemt u voor vele plezierige hondenjaren, dus neem ruim de tijd voor de aankoop van een puppy. Vaak kunt u meerdere keren de puppy’s bezoeken bij de fokker en zal ook hij graag uw vragen beantwoorden.

Wilt u meer advies over de aankoop van een pup, neem contact met ons op of kijk op www.fairpup.nl.

Uit de media (februari 2015) : De internationale, malafide handel in puppy’s concentreert zich in Brabant.
Omroep Brabant doet onderzoek: http://t.co/fhNP8Lo6Fg

Allergie

Allergie bij de hond

Allergieën of overgevoeligheidsreacties zijn een belangrijke oorzaak van jeuk en huidklachten bij onze huisdieren. De verschijnselen variëren van af en toe een beetje jeuk tot onophoudelijk bijten, likken en krabben, soms tot bloedens toe.

Oorzaak

De problemen worden veroorzaakt doordat het dier overgevoelig is voor bepaalde stoffen in zijn omgeving. Het best valt dit te vergelijken met hooikoorts bij de mens, ook hier is sprake van een allergische reactie op huisstof, graszaad en dergelijke. Bij honden blijken huisstof, huisstofmijten, mensen- en kattenhuidschilfers het vaakst de boosdoener.
70% van de allergieën worden veroorzaakt door vlooienbeten (voornamelijk jeuk op rug en aan staartbasis), 10% door de voeding (voornamelijk. jeuk op kop), 10% door allergenen die ingeademd worden en de overige 5% door allerlei andere allergenen.
Als een dier in contact komt met een stof die niet in zijn lichaam thuishoort reageert hij hierop met een afweerreactie. Bij een allergische reactie gebeurt dit ook, maar dan overdreven. Er is dus sprake van een soort paniekreactie van het lichaam op een betrekkelijk onschuldige stof. Waarom dit gebeurt is nog niet helemaal duidelijk, maar de gevolgen zijn duidelijk zichtbaar.

Jeuk verschijnselen

Het meest opvallende verschijnsel is natuurlijk jeuk. Terwijl dieren met vlooien vaak alleen jeuk hebben bij hun staart en op hun rug, zie je nu vooral jeuk aan kop, oorschelpen, poten en buik. De dieren likken en knagen aan hun poten en tussen hun tenen, schuren met de kop over de grond en krabben aan buik en oren. De huid kleurt door de voortdurende irritatie zwart en er zitten soms kleine puistjes op, die later openbarsten en kleine korstjes vormen.

Diagnose

Allergieën komen voor bij alle rassen, maar bij sommige rassen zien we duidelijk meer problemen dan bij andere. Voorbeelden zijn Golden Retrievers, Terriërs en Poedels.
De belangrijkste oorzaak voor jeuk blijft echter vlooien. Ook luizen, teken, vachtmijten en schimmels kunnen huidklachten geven. Bovendien bestaan er ziekten van de huid zelf. Om vast te stellen of een dier allergisch is, is het dus van belang eerst alle andere oorzaken voor de huidproblemen uit te sluiten.
Om een voedingsallergie uit te sluiten kunnen we het dier gedurende zes weken dieetvoeding laten eten (= eliminatiedieet) . Is er verbetering dan is een voedselallergie waarschijnlijk. Hiernaast kunnen we bij honden, net zoals bij mensen, een allergietest doen.

Op onze dierenkliniek hebben we twee soorten allergietesten voor honden:

  • Een huidtest: We scheren dan een stukje huid kaal en spuiten hier een aantal stoffen in waarvan bekend is dat ze vaak problemen geven. Na een halfuur kunnen we de test aflezen. Op deze wijze proberen we te zien of een dier allergisch is en ook waarvoor.
  • Door middel van bloedonderzoek waarbij een eenmalige bloedafname volstaat.

Helaas zijn er voor katten nog geen betrouwbare allergietesten voorhanden.

Behandeling

Hebben we eenmaal vastgesteld dat uw dier allergisch is dan zijn er verschillende manieren om dit te behandelen. Met medicijnen is het goed mogelijk om de klachten de kop in te drukken. Het is echter niet zo dat dit tot blijvende genezing leidt. Uw dier zal dus levenslang af en toe medicijnen nodig hebben. Een tweede manier van behandelen is desensibiliseren. We moeten dan eerst weten wat precies de allergie veroorzaakt, dus doen we een allergietest. Vervolgens wordt de patiënt gedurende enkele maanden ingespoten met een toenemende dosis van de stof die de problemen veroorzaakt (“allergie-injecties”). Op deze wijze hopen we het lichaam aan de stof te laten wennen, waardoor na verloop van tijd de allergie afneemt. Deze therapie, die doeltreffend is gebleken in 50% tot 80% van de gevallen, vertraagt of verzwakt de allergische reactie. Slaagt deze methode dan is het dier meestal voor lange tijd van zijn probleem verlost. Soms is het nodig om de behandeling op een later tijdstip te herhalen.
Heeft het dier een voedselallergie dan is het zaak een soort voer te kiezen waarbij de klachten wegblijven. De meest gebruikelijke oplossing is levenslang speciaal hypoallergeen dieetvoer te geven.

Erfelijkheid

Uit het feit dat bepaalde rassen duidelijk meer problemen hebben mogen we aannemen dat het in zekere mate erfelijk bepaald is. Inmiddels is ook gebleken dat sommigen lijnen binnen een ras meer problemen hebben. Het is raadzaam terughoudend te zijn met fokken met allergische dieren.

Samenvatting

Huidklachten zijn een veel voorkomend probleem bij huisdieren. Allergieën zijn niet de belangrijkste reden hiervoor, maar geven wel langdurige klachten. Ieder dier dat verdacht wordt van een allergie dient goed onderzocht te worden om andere oorzaken uit te sluiten. Is eenmaal vastgesteld dat een dier allergisch is dan zijn er verschillende behandelingswijzen mogelijk. Wel moeten we ons realiseren dat het vaak levenslang een probleem voor het dier en zijn baas blijft.

Anaalklierproblemen

Anaalklierproblemen bij de hond

De anaalklieren zijn twee kleine geurkliertjes die in de sluitspier van de anus ingebed liggen. Bij de voorouders van onze honden (wolven) gaven ze de ontlasting een speciaal geurtje. Hiermee werd het territorium afgebakend. Bij onze huishonden is deze functie grotendeels verloren gegaan. De kliertjes zijn er nog wel en kunnen voor veel overlast zorgen door overvuld of ontstoken te raken.

Voorkomen

Anaalklier problemen zien we vaker bij bepaalde rassen optreden. Voorbeelden zijn Cocker Spaniels, Golden Retrievers, Pinschers, Duitse herders en Terriërs.

Klachten

Honden kunnen zelf niet bij hun anaalklieren. Als de kliertjes overvuld of ontstoken zijn gaan ze in de omgeving (rond de staart) zitten likken en bijten, soms tot bloedens toe. Ook het zogenaamde sleetje rijden is een poging van de hond om van de irritatie en jeuk af te komen. De hond schuift hierbij met z’n achterste plat over de grond, vaak met de achterpoten omhoog.
Een ander probleem is het anaalklierabces. Hierbij is een ontsteking ontstaan in de anaalklier en is het kliertje gevuld met pus. Dit baant zich vervolgens een weg naar buiten toe . Als het abces nog niet doorgebroken is ziet u naast de anus een zeer pijnlijke zwelling, is het wel doorgebroken dan ziet u naast de anus een klein gaatje waar bloed en pus uitkomt (een fistel).

Diagnose

Heeft uw hond jeuk bij zijn staartwortel, rijdt hij sleetje of ziet u een vreemde zwelling bij zijn anus, dan is de kans groot dat er iets mis is met z’n anaalklieren en is een bezoek aan uw dierenarts aan te raden.
Uw dierenarts zal eerst kijken of er misschien nog andere oorzaken zijn voor de klachten (lintwormen, vlooien) en vervolgens de anaalklieren van de hond bevoelen. Aangezien de kliertjes in de sluitspier zitten betekent dit dat hij de hond rectaal zal moeten onderzoeken. Met een vinger in de anus wordt de anaalklier opgezocht en indien nodig leeggedrukt. Dit is voor de hond onaangenaam, maar alleen bij een ontsteking echt pijnlijk. Het stinkt wel!

Behandeling

In de meeste gevallen is het voldoende als uw dierenarts de kliertjes leegdrukt, maar in enkele gevallen is verdere behandeling noodzakelijk. Als de anaalklier ontstoken is, zal hij uw dier een antibioticumkuur voorschrijven, eventueel aangevuld met medicijnen om de jeuk en irritatie de kop in te drukken.
Anaalklierabcessen worden geopend en uitgespoeld, maar dit is meestal zo pijnlijk dat de hond een roesje krijgt. Ook hier wordt met antibiotica nabehandeld om de ontsteking weg te krijgen.
Bij sommige dieren helpt het leeg drukken van de kliertjes maar heel kort. Na enkele weken zijn ze weer vol en beginnen de problemen opnieuw. In deze gevallen kan het verstandig zijn om de klieren operatief weg te nemen, de hond is dan definitief van de problemen af.

Operatie

Zoals gezegd is het mogelijk om de klieren operatief te verwijderen. De hond wordt verdoofd, de haren om de anus worden weggeschoren en de anaalklieren leeggedrukt. De kliertjes worden gevuld met een kunsthars om ze tijdens de operatie makkelijker terug te vinden. Naast de anus wordt een klein sneetje gemaakt en de anaalklier wordt uit de sluitspier gepeld en verwijderd. Vervolgens wordt de wond gehecht. De andere klier wordt op dezelfde wijze behandeld.
De sluitspier mag niet worden beschadigd, want dit kan leiden tot incontinentie (het niet meer op kunnen houden van ontlasting).

Samenvatting

Anaalklierproblemen komen vaak bij honden voor. Meestal is er sprake van jeuk in de buurt van de staart. De problemen zijn goed te behandelen, maar in hardnekkige gevallen kan een operatie de aangewezen weg zijn.

Angst bij dieren

Angst bij dieren

Angst kan zich als volgt uiten:

  • Houding: uw huisdier maakt zich klein om niet op te vallen. Oren liggen vaak plat in de nek, lichaam vlak boven de grond, lange mondhoeken, hijgen, grote pupillen, trillen en staart tussen poten. Eventueel kan het dier ook gaan piepen of janken
  • Geen eetlust: uw huisdier eet alleen als hij/zij zich veilig voelt. Eventueel kan uw huisdier gaan speekselen
  • Ontlasten: uw huisdier kan plotseling in huis plassen of poepen. Dit is geen onzindelijkheid. Uw huisdier kan ook ineens last hebben van diarree
  • Vluchtgedrag: uw huisdier wil vluchten of niet mee naar buiten. Zorg ervoor dat de halsband niet te los of te strak zit en de lijn goed bevestigd is. Zorg er binnen voor dat uw huisdier zich niet kan opsluiten in donkere ruimtes zoals een kledingkast
  • Aandacht vragen: uw huisdier zoekt steun bij u of uw huisgenoten, dit wordt vaak beloond door aandacht of een aai te geven
  • Thuis blijven: het kan zijn dat uw huisdier ineens ander gedrag toont wanneer hij/zij alleen thuis moet blijven. Bij Oud en Nieuw adviseren wij dan ook om thuis te blijven of uw huisdier mee te nemen

Zijn één of meerdere punten herkenbaar, dan kan er sprake zijn van angst bij uw huisdier. Ieder dier vertoont angst, maar is het echter zo erg dat hij of zij niet meer normaal kan leven, dan wordt het een probleem. U zult er iets aan moeten doen.

Wat is uw rol daarbij?

Bij de opvoeding van de hond belonen we het goede gedrag en negeren we het ongewenste gedrag. Op het moment dat uw huisdier ongewenst gedrag vertoont, zorg er dan voor dat u geen aandacht geeft of oogcontact met uw huisdier maakt. Immers is negatieve aandacht, bijvoorbeeld straffen, voor uw hond ook een manier om alsnog aandacht op te eisen.

Bent u zelf in meer of mindere mate bang en u schrikt bij iedere knal, dan wordt het wel moeilijk om het “goede” voorbeeld te geven. Het beste wat u kan doen, is dat zelf erkennen en de passende maatregelen te nemen, zie onder belangrijk verderop.

Wat kunt u doen?

Deskundige hulp inroepen van een gedragstherapeut. Vaak kunnen dieren ook bang worden voor andere geluiden of situaties. Dan is gedragstherapie vaak een oplossing. Rust en veiligheid koppelen aan bepaalde muziek, mandje, deken of bench. Er zijn CD’s met “schrikgeluiden” om uw dier ongevoelig hiervoor te maken. U kunt zelf de hond trainen in een periode dat de angstprikkel niet aanwezig is, bijvoorbeeld voor vuurwerkangst.

Wat moet u NIET doen

Straffen of laten vluchten, dat is toegeven en zelfbeloning, bovendien lopen uw huisdier en mensen die er niets mee maken hebben gevaar, bijvoorbeeld door een aanrijding. Uw huisdier begripvol toespreken, is bevestigen. Uw huisdier alleen thuis laten tijdens Oud en Nieuw.

Vuurwerkangst

Het knallen begint vaak al vroeger in het jaar dan dat wettelijk mag. Daarom kunt u beter vroeg in het jaar beginnen met uw huisdier te laten wennen aan het knallen, dit doet u door het angstgedrag niet te bevestigen en een positieve koppeling te maken aan het vuurwerkgeluid. Eventueel kunt u de gedragstraining ondersteunen met bepaalde medicatie.

Medicatie op langere termijn (minimaal één maand van tevoren)

Adaptil (DAP) of Feliway: verdamper, spray of halsband voor hond en kat. Door het verspreiden van feromonen (rustgevende reukstoffen) wordt het stressniveau van uw huisdier beperkt. Deze stof wordt ook bij de geboorte door de teef of poes aan de puppy’s of kittens gegeven door middel van de moedermelk. Hierdoor blijven ze rustig en staan ze open voor nieuwe prikkels van buitenaf. Tevens is het ook te adviseren bij verhuizen, nieuw huisgenootje of gezinsuitbreiding.

TIP: laat de verdamper ook in het stopcontact als het dier rustig is, dan kan het de geur koppelen aan rust.

Telizen: Telizen is een rustgevend voedingssupplement met de werkzame stof L-Theanine en kan zowel bij katten als honden gebruikt worden. Het vermindert gedrag geassocieerd met angst of stress, helpt het dier kalmeren en bevordert de ontspanning zonder bijwerkingen (zoals slaperigheid).

Zylkène: Zylkène is een voedingssupplement met als werkzame stof caseïnehydrolysaat, een actief eiwit in de moedermelk, dat verantwoordelijk is voor de ontspanning bij de borstvoeding van puppy’s en kittens. Door deze werking is het goed te gebruiken als ondersteuning voorafgaand aan een angst- of stressperiode.

Homeopathie: mocht u liever homeopathische middelen willen gebruiken als ondersteuning, dan is dat ook mogelijk. Eventuele middelen die u kunt gebruiken zijn: Puur Nervositeit in combinatie met Bach-rescue en Phytonics Strezz.

Thundershirt: door het gevoel van constante druk met name op de borst, schouders en borstkas, kan de stress verminderd worden en het vluchtgedrag voorkomen worden. De werking is te vergelijken met het inbakeren van baby’s. In Amerika wordt het ook gebruikt voor andere gedragsproblemen, zoals bijvoorbeeld: trekken aan de riem, angst voor reizen en moeite met alleen thuisblijven (zie: www.thundershirt.com).

Alprazolam: recent onderzoek door Dhr. Overall en Dhr. Dodman heeft aangetoond dat de welbekende pillen (acepromazine) waar de dieren zo sloom van worden, wel de reactie uitschakelen, maar niet het gehoor. Het dier hoort alles, soms zelfs nog versterkt maar kan niet reageren. Ze zijn als het ware opgesloten in hun eigen lichaam. Gevolg is dat ze ieder jaar banger worden en het gedrag alleen maar verergert.
Alprazolam is een beter alternatief, het werkt snel, vermindert angst, maar maakt het dier niet slaperig. Pas in hogere doseringen is het slaapverwekkend. Dit wordt door de Universiteitskliniek in Utrecht geadviseerd.
Nadeel is echter dat het kort werkzaam is, gemiddeld maar twee uur, zodat vaak twee of meer doses nodig zijn. Alprazolam kan uitsluitend op recept van de dierenarts worden meegegeven.

Belangrijk!!

Bent u zelf in meer of mindere mate bang voor vuurwerk of schrikt u zelf van iedere knal, dan kunt u natuurlijk niet goed reageren op het angstgedrag van uw huisdier. Probeer dan in de aanloopperiode naar oudejaarsavond zo goed mogelijk uw huisdier te begeleiden met rustcompositum en op oudejaarsdag uw hond of kat de juiste medicatie te geven en thuis te laten. Laat uw dier nooit alleen.

Eventuele tips voor Oudjaarsavond zelf:

  • Door de radio of TV aan te zetten kunt u daarbij zorgen dat het dier minder reageert op het geluid van buiten
  • Ga nooit met een angstig dier de straat op om elkaar Gelukkig Nieuwjaar te wensen
  • December is een gezellige maand met een knallend eindfeest, laat uw huisdier daarin mee genieten

Bloed, de spiegel van het lichaam

Bloed, de spiegel van het lichaam

In ons moderne laboratorium kunnen de meeste bloed, urine en ontlastingonderzoeken plaatsvinden op een snelle manier, zodat u dezelfde dag nog uitslag krijgt.

Waarom laboratoriumonderzoek?

U bent met uw huisdier bij de dierenarts geweest, meestal omdat er bepaalde klachten bestonden en u wilt samen met de dierenarts graag de oorzaak weten. Is uw dier ziek of valt het wel mee? Of wordt hij of zij al voor iets behandeld en wil de dierenarts graag weten of de behandeling aanslaat?

Met een bloedonderzoek kun je:

  • Bepaalde ziekten vaststellen of uitsluiten
  • Het verloop van een ziekte volgen
  • Het succes van een behandeling vaststellen
  • Ziekten helpen voorkomen.

Ziek of gezond?

“Het bloed is gelukkig goed”, wordt vaak gezegd als de dokter de resultaten van het onderzoek heeft meegedeeld. Bloed noemen we daarom graag ‘de spiegel van het lichaam’. Het bevat de bloedcellen en vervoert de voedingsstoffen, bouwstoffen en afvalstoffen. De samenstelling van het bloed geeft dus aan hoe het met de conditie is gesteld van de belangrijke organen in het lichaam. Toch kan bloedonderzoek niet altijd aangeven of uw huisdier al dan niet gezond is.
Bij sommige ziekten geeft bloedonderzoek soms geen enkele afwijking. Het is dus niet altijd nuttig om ‘zomaar’ bloedonderzoek te doen. Laat het daarom aan de dierenarts over al dan niet in overleg met een specialist, om hiertoe te besluiten.

De uitslag

De uitslag van het bloedonderzoek zegt alleen iets in combinatie met de ziektegeschiedenis en de uitslagen van eventueel ander onderzoek, zoals röntgenfoto’s, buikonderzoek, onderzoek van de urine , speeksel en ontlasting, huidonderzoek, etc.

Onze kliniek kan direct bloedonderzoek doen, zodat meteen getest kan worden op suiker in bloed en urine, werking van de nieren en/of lever e.t.c.

Meer weten? Vraag het uw dierenarts!

Castratie bij de reu

Castratie bij de reu

Er zijn diverse redenen om een reu te castreren. De meest voorkomende is dat een reu gemakkelijk weg zal lopen wanneer hij eenmaal de geur van een loopse teef in de neus heeft gehad en wanneer er prostaatproblemen zijn.

Wanneer een castratie?

Het liefst castreren we wanneer de hond is uitgegroeid, dus afhankelijk van het ras tussen de negen en veertien maanden. De operatie is vrij eenvoudig en normaal gesproken zal er weinig nazorg nodig zijn. In tegenstelling tot vele andere operaties krijgt de hond geen kap om.

De prostaat

Vaak is bij jonge reuen de prostaat al een probleem. De prostaat kan te groot worden door een ontsteking of tumor. Dit alles gebeurt onder invloed van hormonen uit de bijbal. Door hormonen te spuiten, kan dit tegengegaan worden, dit is de zgn. hormonale of chemische castratie en deze moet iedere 4 tot 5 maanden herhaald worden. Wij zijn een voorstander van een chirurgische castratie bij aanhoudende prostaatproblemen. In tegenstelling tot de mens – waarbij prostaatklachten juist op oudere leeftijd voorkomen – zien we prostaatvergroting bij de hond al vanaf zeer jonge leeftijd. De klachten die ontstaan door de prostaatvergroting, nemen in de regel twee – drie weken na de (chemische) castratie af.

Chemische castratie

Het Suprelorin® implantaat is een chemische castratie voor honden en fretten. Het Suprelorin® implantaat wordt net als een identificatie chip onderhuids aangebracht door middel van een injectie. De implantaat bevat een stof die de afgifte van twee hormonen (LH en FSH) uit de hypofyse remt waardoor de testikels binnen 14 dagen vrijwel geheel stoppen met de productie van testosteron. Het effect houdt minimaal een half jaar aan. Het product heeft geen bijwerkingen en het implantaat lost vanzelf volledig op.

Chemische castratie kan voor diverse redenen geadviseerd worden:

  •  Proeftherapie om vast te stellen of chirurgische castratie zinvol is bij gedragsproblemen.
  •  Tijdelijk onvruchtbaar maken van een reu (onvruchtbaarheid na zes weken)
  •  Oude dieren met prostaatproblemen of testosteron afhankelijke tumoren rond de anus.

Voor meer vragen en/of informatie kunt u altijd bij ons terecht.

Chippen: Een diervriendelijke identificatiemethode

Chippen: Een diervriendelijke identificatiemethode

Identificatie

Chippen en registreren van uw hond: belangrijk en verplicht!

Sinds één april 2013 is er in Nederland een chip- en registratieverplichting. De ministerraad heeft ingestemd met een voorstel van Economische Zaken om alle pups te laten chippen. Als hondeneigenaar betekent dit dat de pup binnen zeven weken na de geboorte gechipt moet zijn en geregistreerd. Ook honden die geïmporteerd worden uit het buitenland, moeten voorzien zijn van een chip en centraal aangemeld zijn.

De chip

De chip is een gesloten buisje van bioglas. Hierin zit een microchip en een klein spoeltje dat als een soort antenne dienst doet. De chip is klein: 13,4 mm lang en twee mm in doorsnede, ongeveer net zo groot als een rijstkorrel. Het bioglas zorgt ervoor dat de chip in het weefsel vastgroeit en niet wordt afgestoten. In de chip is een unieke 15-cijferige code opgeslagen. Deze is fraudebestendig, want hij kan niet worden veranderd.

Het aanbrengen van de chip

Het aanbrengen van de chip is eenvoudig. Met behulp van een speciaal injectieapparaatje wordt de chip via een holle naald onder de huid van het dier geïnjecteerd. Sommige dieren kunnen reageren, maar het is een stuk minder pijnlijk dan het aanbrengen van een tatoeage zoals in het verleden. De standaard plaats voor het aanbrengen van een chip bij de kat en de hond is onderhuids tussen de schouderbladen of links voor het schouderblad. Op deze plaats zal de chip in het onderhuidse weefsel vastgroeien. Het dier merkt er niets van dat hij een chip draagt. Verder is de chip aan de buitenkant niet zichtbaar en dus ook niet ontsierend. Invloeden van buitenaf hebben geen effect op de chip die veilig onder de huid verborgen zit.

Registratie

Registratie van de chip is belangrijk. Alleen als de chip ergens geregistreerd is, kan uw huisdier ook daadwerkelijk geïdentificeerd worden. Het chipnummer wordt bij registratie dus gekoppeld aan de gegevens van uw dier en uw contactgegevens. Als de chip is aangebracht wordt een registratieformulier ingevuld met de gegevens van het dier en de eigenaar. Soms doet de dierenarts dit al voor u. Dit formulier wordt doorgestuurd en de gegevens worden geregistreerd in een speciale databank, namelijk de Nederlandse Databank voor Gezelschapsdieren (NDG). Daarna krijgt de eigenaar een bewijs van registratie thuis gestuurd of bevestiging per mail.

Aflezen van de chip

De cijfercode van de chip kan worden afgelezen met een zogenaamde reader, een speciaal afleesapparaat. De reader wordt langs het dier gehaald en als deze in de buurt van de chip wordt gehouden geeft de reader een onschadelijk signaal af. Hierdoor wordt de chip actief en antwoordt naar de reader met de 15-cijferige identificatiecode. Deze wordt dan op het schermpje van de reader getoond. Ook in het buitenland kan de code afgelezen worden als de reader voldoet aan de ISO-standaard. Als het een Nederlands dier betreft begint de code met de Nederlandse landcode 528, waardoor men weet dat er in een Nederlandse databank moet worden gezocht naar de eigenaar.

Weggelopen, vermist of gestolen

Als een vermist dier wordt gevonden dan wordt met de reader nagegaan of het dier een chip heeft. Aan de hand van het chipnummer wordt opgezocht waar het dier geregistreerd staat. Via de databank voor gezelschapsdieren kan zo de eigenaar van het dier opgespoord worden. Ook fraude kan via deze weg opgespoord worden en zogenaamde eigenaren die met een gestolen dier langskomen kunnen door de mand vallen. Bij veel dierenklinieken staan de chipnummers van de patiënten namelijk geregistreerd.

Op internet via www.chipnummer.nl vindt u de verschillende databanken.

Niemand hoopt dat het ooit zover hoeft te komen, maar een vermist dier met een chip vindt de weg naar huis veel gemakkelijker terug.

Dektijdstipbepaling

Dektijdstipbepaling

Beste tijdstip voor dekkingen bij honden

Gemiddeld worden teven eens in de zes maanden loops. Vreemd genoeg zijn er uitzonderingen, o.a. de Saarloos wolfshond en sledehonden, zij kennen maar één loopsheid per jaar. Tijdens de loopsheid is de teef maar enkele dagen bereid zich te laten dekken en ook maar enkele dagen vruchtbaar. Voor een fokker is het van essentieel belang om de vruchtbare dagen van zijn teef te herkennen; immers een gemiste dekking betekent een vertraging in het fokprogramma van minimaal een half jaar.
De loopsheid zelf zal niet snel gemist worden; de teef verliest bloed, vulva is opgezet en aantrekkelijk voor reuen. Echter het juiste dektijdstip bepalen is veel moeilijker, zeker als er geen (ervaren) dekreu in de buurt is en bij bepaalde teven zit er een grote variatie in het tijdstip waarop ze gedekt kunnen worden.

Progesteron bepaling

Meestal is een teef dekrijp op dag negen t/m twaalf van de loopsheid, maar er zijn grote individuele verschillen. In onze praktijk zien we teven die op de achtste dag al vruchtbaar zijn maar uitschieters naar de 18e dag zijn ook geen uitzondering.

Tegenwoordig is het mogelijk om met een zeer betrouwbare bloedtest het ideale dektijdstip vast te stellen. Met deze test wordt het gehalte aan progesteron (zwangerschapshormoon) in het bloed bepaald. Op het moment dat de eisprong plaatsvindt, vinden we een snelle stijging van het bloedprogesterongehalte en kan een betrouwbaar dekadvies gegeven worden. De resultaten van deze methode zijn goed, het drachtigheidspercentage schommelt rond de 90% (drachtig en nest). Andere methode, zoals het maken van uitstrijkjes van het vaginaalslijm geven wel een indruk of de teef loops is, maar is beslist niet betrouwbaar voor dektijdstipbepaling.

Uitvoering

De praktische uitvoering is simpel. Op de 7e-8e dag van de loopsheid wordt het eerste monster genomen. Is het progesteron nog laag, dan moet de test 2 dagen later weer worden herhaald totdat een stijging is vastgesteld. Gemiddeld moet er per teef 2-3 maal bloed afgenomen worden. U als eigenaar moet zelf het bloedmonster naar het ziekenhuis brengen (Albert Schweitzer Ziekenhuis te Dordrecht, op werkdagen vóór 10.00u).

Patiëntenkeuze

In principe komen alle fokteven in aanmerking voor begeleiding van het dektiidstip. Zeker als de teef al eens gemist heeft, de reu ver weg woont of er een KI (kunstmatige inseminatie) gedaan moet worden loont het de moeite om uw dierenarts te vragen uw teef op deze manier te begeleiden.

Diarree

Diarree klachten

Diarree zien we vooral bij de hond en minder vaak bij de kat. Er is een duidelijk onderscheid te maken tussen diarree met en zonder koorts. Bij koorts is het altijd aan te raden naar de dierenarts te gaan, die speciaal onderzoek zal doen en de noodzakelijke medicijnen voor zal schrijven. Diarree zonder koorts kan voor een groot deel aangepakt worden met een speciaal dieet en met darmenbesparende medicijnen. Het dieet heeft vooral tot doel zoveel mogelijk RUST te brengen in het maagdarmkanaal.

Dieren, en met name pups en oudere honden, verliezen veel vocht wanneer ze langer dan één dag blijven braken en/of diarree hebben. Daarom adviseren wij bij aanhoudende klachten een afspraak te maken bij de dierenarts.

Voedingsadvies bij honden met diarree klachten

Voor dieren zonder koorts (38.0-39.0 graden Celsius)

Vocht: De eerste dagen kleine beetjes water aanbieden, want er moet RUST in maag en darmen komen.

Vanaf de eerste dag kleine porties gekookte witte rijst in combinatie met gekookte kipfilet. Voer het aantal maaltijden per dag op naar vier of vijf eetmomenten.
Vanaf de zesde dag: Langzaam, met kleine porties, het normaal voedsel weer erdoorheen mengen.

Voor dieren met koorts (boven 39 graden Celsius) ALTIJD naar de dierenarts!!

Opnemen van de lichaamstemperatuur kan simpel met een normale thermometer, die zo’n vijf minuten voldoende diep in de anus gehouden moet worden, liefst iets schuin tegen de darmwand. Met een digitale thermometer gaat het sneller.

Drachtige teef

Drachtige teef

Inleiding

Uw hond is naar de reu geweest en waarschijnlijk drachtig. Wellicht is het raadzaam u enige aanwijzingen en raadgevingen mee te geven om een zo ongestoord mogelijk verloop van de drachtigheid en bevalling te verkrijgen.

Vaststellen drachtigheid

Er bestaat geen betrouwbare urine- of bloedtest voor honden om dit vast te stellen, omdat de hormoonspiegels van drachtige en niet drachtige honden vrijwel identiek zijn, dit in tegenstelling tot de situatie bij de mens.

De beste manier om drachtigheid vast te stellen is door een echo te laten maken vanaf dag 28. In het laatste deel van de dracht kan door middel van palpatie ook een indicatie gegeven worden. Vanaf dag 45 kun je door middel van een röntgenfoto dracht vast stellen en ook het aantal pups bepalen.

Zwangerschapsduur en voeding

De bevalling vindt plaats tussen de 56e en 67e dag. De draagtijd is gemiddeld 63 dagen. Hoe groter het nest, hoe korter de dracht meestal duurt, en omgekeerd geldt dit ook. Het is niet nodig om de teef extra te voeren in de eerste 7 weken van de dracht. In het laatste deel van de dracht kan het wel nodig zijn om extra bij te voeren.

Verschijnselen van de naderende bevalling

Ruim voor de bevalling zal u waarschijnlijk al wel zijn opgevallen dat de buikomvang van de teef ruim is toegenomen. De melkklieren beginnen wat op te zetten. Dit kan echter ook gebeuren bij niet drachtige teven, rond hetzelfde tijdstip. We spreken dan van schijndracht. Daarnaast kan de teef vanaf een week voor de bevalling nestgedrag vertonen.
Vlak voor de bevalling zal de temperatuur van de teef 0.5 tot 1.5 graad zakken. Het is aan te raden om een week voor de verwachte partusdatum de temperatuur van de teef bij te gaan houden. Als deze gaat dalen zal de partus binnen twaalf uur beginnen.
Soms valt het op dat de teef helder, taai, soms iets melkachtig wit slijm verliest. Dit is het teken dat de ontsluiting en de bevalling binnen 24 uur moet plaatsvinden.

De bevalling (werpen)

Binnen enkele uren nadat het eerste vruchtwater is afgekomen, moet de eerste pup geboren zijn. Het vruchtwater kan overigens wat groen van kleur zijn, dan moet de eerste pup binnen 1 uur geboren worden. Zoniet, dan dient u de dierenarts te waarschuwen. Tevens dient dit te geschieden indien de teef duidelijk zit te persen op een pup en dit langer dan 30 minuten duurt. Bij twijfel altijd de dierenarts bellen!
De gemiddelde tijd tussen de geboorte van twee pups is ongeveer 45 minuten. Het kan echter wel zijn dat er een wat langere pauze is waarbij de teef uitrust en zelfs even in slaap kan vallen.
Als het echter te lang gaat duren (meer dan twee uur) of als de teef na een tijd geperst te hebben stopt zonder dat er een pup komt dient gecontroleerd te worden waarom de bevalling niet vordert. Zonodig kan er een weeënversterkend middel worden ingespoten.

Na de bevalling

De navelstreng scheurt meestal spontaan op de goede plaats af. Mocht een navelstreng toch bloeden, dan kunt u deze afbinden met een stevige garendraad ontsmet met wat spiritus (=85% alcohol).
Als de teef na de bevalling onrustig blijft, dan kunt u het beste laten controleren of zij inderdaad ‘leeg’ is. Zonodig geeft de dierenarts haar dan een baarmoedersamentrekkend middel om eventueel achtergebleven nageboortes of pups alsnog af te laten komen.
De pups moeten gewogen worden op een nauwkeurige (digitale) weegschaal. Dit dient twee keer per dag te gebeuren en de gewichten van de pups moeten genoteerd worden. De pups mogen na de bevalling NIET afvallen. Gebeurt dit wel, dan is er iets mis. Of de teef heeft te weinig melk of de pups drinken te weinig, bijvoorbeeld door een opkomende ziekte. U dient dan ook in zo’n geval direct de dierenarts te bellen voor overleg.

De teef

De teef wordt met de pups mee ontwormd op twee, vier, zes, en acht weken na de bevalling. De teef moet voldoende beschikking hebben over water en voeding en mag eventueel zelfs puppy voer krijgen.
De teef kan nog tot 20 dagen na de bevalling uitvloeiing hebben. De uitvloeiing is gedurende de eerste drie dagen roodbruin en wordt langzaam helderder. Deze mag nooit stinkend of troebel worden.
Het is aan te raden om de teef de eerste week na de bevalling te temperaturen, de temperatuur mag niet hoger worden dan 39.5 graden.

De pups

Deze dienen vanaf de geboorte dagelijks te groeien. Vanaf tien dagen na de geboorte gaan de oogjes open en hebben de pups normaliter hun geboortegewicht verdubbeld. Vanaf drie weken leeftijd kan begonnen worden met bijvoeren.
De pups moeten meerdere keren ontwormd worden. Op de leeftijd van twee, vier, zes, en acht weken en daarna om de twee maanden tot ze een half jaar zijn. Daarna vier keer per jaar.
Ze moeten op zes weken leeftijd hun eerste vaccinatie hebben en ze mogen vanaf acht weken leeftijd bij de teef weg. Erg kleine hondjes zoals chihuahua’s blijven beter nog wat langer bij de moeder. Op negen en twaalf weken moeten ze nog een keer gevaccineerd worden, pas daarna zijn ze volledig beschermd.

Epilepsie

Epilepsie

Epilepsie of  ‘vallende ziekte’ is een aandoening van de hersenschors die ertoe leidt dat de patiënt tijdelijk de controle verliest over een deel van zijn lichaamsfuncties. Bekend zijn toevallen waarbij de dieren omvallen, spierkrampen krijgen, schuimbekken en urine of ontlasting laten lopen.

Oorzaken

De oorzaak kan gelegen zijn in de hersencellen zelf, maar ook allerlei ziekten in het lichaam kunnen dit proces versterken of opwekken. In de meeste gevallen zijn geen duidelijke oorzaken op te sporen. Er is sprake van een kortdurende, tijdelijke ontregeling van de hersenfunctie – we spreken van een primaire epilepsie.

Voorkomen

Bij de hond zijn sommige rassen duidelijk gevoeliger maar het kan voorkomen bij honden van ieder ras. Primaire epilepsie zien we zelden bij honden jonger dan acht maanden. De meeste gevallen zien we tussen het eerste en derde levensjaar ontstaan.

Diagnose

Omdat de meeste epileptiforme aanvallen van korte duur zijn, moet de dierenarts vaak de diagnose stellen aan de hand van het verhaal van de eigenaar. Een bijkomend probleem is dat de aanvallen meestal in rust komen, dus tijdens de slaap ‘s nachts, wanneer de eigenaar er niet bij is.

Behandeling

De meeste aanvallen zijn korter dan vijf minuten en komen maar enkele keren per jaar voor. In dit geval kiezen we niet voor een langdurige toediening van medicatie. Wanneer de aanvallen vaker voorkomen dan eens per maand en/of lang duren en/of heftiger worden, zal de dierenarts wel kiezen voor medicatie. Tijdens een aanval kan er valium gegeven worden om de aanval te laten stoppen.

Erfelijkheid

Primaire epilepsie is een aangeboren en daarom meestal een erfelijke aandoening. Het is verstandig niet met deze dieren te fokken.

Samenvatting

Wanneer uw huisdier toevallen heeft kan dit epilepsie zijn. De dierenarts kan samen met u na onderzoek van de hond bepalen of dit inderdaad het geval is. Dieren met epilepsie kunnen heel oud worden, tijdens de aanvallen lijden ze geen pijn. Met de juiste medicatie kunnen ze een goed en plezierig leven hebben.

Euthanasie

Euthanasie bij uw huisdier

Natuurlijk een vervelend onderwerp, maar in sommige gevallen goed om u wat te kunnen helpen met deze, vaak moeilijke, beslissing.

Wanneer laat je een huisdier inslapen?

Op de eerste plaats moet een dier geen blijvende pijn hebben, dus pijn die met medicijnen niet op een dier- en menswaardige wijze te verhelpen is.
Wij hebben daarbij vijf vaste criteria waaraan U voldoende houvast zult hebben om de beslissing minder moeilijk te laten zijn.
Deze 5 punten moeten allen, zonder uitzondering, positief beantwoord kunnen worden. Is dit niet het geval dan moet er over de euthanasie nagedacht worden.

  • Wil uw huisdier nog uit zichzelf eten?
  • Wil uw huisdier nog normale hoeveelheden water drinken?
  • Kan uw huisdier de ontlasting ophouden?
  • Kan uw huisdier de urine ophouden?
  • Wil uw huisdier graag bij zijn baas zijn?

Hoe verloopt een euthanasie?

Er zijn in principe twee mogelijkheden: op de praktijk of thuis indien mogelijk.
De voordelen op de praktijk zijn dat uw dier enigszins onder de indruk is en niet op zijn/haar eigen terrein is waardoor hij/zij makkelijker te ‘helpen’ is.
‘Thuis’ wordt – vooral door honden – gezien als het terrein dat altijd verdedigd moest worden en waar ze nu vaak tegen hen wil in, door ons moeten worden vastgehouden. Vaak vinden ze dit onprettig. Het is natuurlijk wel mogelijk wanneer dit toch uw voorkeur heeft. U kunt dan contact opnemen met ons om een thuisvisite in te plannen. U moet bij een thuisvistite wel rekening houden dat de dierenarts het lichaam van uw overleden huisdier niet mee kan nemen. U kunt eventueel een afspraak maken met de Dierenambulance of u kunt uw huisdier zelf bij het huisdieren crematorium brengen. Helaas is het niet mogelijk om ‘s avonds of in het weekend uw huisdier thuis te laten inslapen.

Welke methode geniet de voorkeur?

Wij vinden het prettig als het dier min of meer rustig wordt gemaakt met een verdovend middel. Wanneer hij/zij niets meer voelt en dus niet meer door heeft wat er gebeurt, wordt het laatste prikje gegeven en slapen ze rustig in. In de meeste gevallen wordt de injectie bij de hond pijnloos in een bloedvat van de voorpoot gespoten, met behulp van een kathetertje.
Katten, konijnen, ratten en overige kleine dieren krijgen een verdovend middel in de buikholte gespoten, wat ze nauwelijks voelen waarna ze ook rustig inslapen.

Wat gebeurt er met het lichaam?

U kunt uw huisdier bij ons achterlaten en vervolgens laten cremeren. Onze dierenkliniek heeft een vertrouwelijke samenwerking met huisdierencrematorium Majesta en dieren- en paardencrematorium Buitendijk, beiden gevestigd in Rotterdam. Indien u wenst kan uw huisdier ook elders gecremeerd worden. Er is een speciale informatiefolder waarin tevens de prijzen vermeld staan. Ook bestaat de mogelijkheid om uw dier te laten begraven op een speciale dierenbegraafplaats.

Wilt u uw huisdier niet laten cremeren of begraven, dan kan deze bij ons tegen een verwijderingsbijdrage opgehaald worden voor destructie.

Natuurlijk willen we u graag proberen te helpen met deze moeilijke beslissing, belt u gerust of maak een afspraak hiervoor.

Gebitsverzorging

Gebitsverzorging bij de hond/kat

Tandplak en tandsteen

Een groot percentage van de gebitsafwijkingen wordt veroorzaakt door tandplak. Het grootste deel van deze afwijkingen bestaat uit ontsteking (parodontitis) van de omgevende weefsels, waaronder de ophangbandjes van de tanden en kiezen. Een kleiner deel wordt veroorzaakt door cariës (gaatjes). Cariës is bij de hond / kat echter veel minder belangrijk dan bij de mens. Het ontstaat ook door aantasting van het glazuur door zuurvorming uit suikers in de mondholte. De zuren worden geproduceerd door bepaalde bacteriesoorten. De soorten die dit het ergste doen komen in de plaklaag bij de hond / kat veel minder voor dan bij de mens.

Tandplak is een witte, één tot twee mm dikke, makkelijk afschrapbare laag op de tanden en kiezen. Het bestaat ongeveer 75% uit levende en dode bacteriën.  De andere 25% bestaat uit voedselresten, speekselbestanddelen en ontstekingsproducten. Door verkalking van deze plak ontstaat tandsteen. Dit is geel tot bruin van kleur en veel moeilijker af te schrappen.

De tandplak veroorzaakt een ontsteking van het tandvlees: een parodontitis. Het tandvlees is dan rood, vaak pijnlijk en het bloedt gemakkelijk. Deze ontsteking en niet het tandsteen is de oorzaak van de vaak onverdraaglijke stank die dan uit de hond/kat zijn bek komt.  Met de juiste hygiënische maatregelen is dit te herstellen.

Als de ontsteking langer aanwezig is, kruipt deze verder langs het element en het tandvlees trekt zich terug. De ophangbandjes en later ook de wortels van de tanden en de kiezen worden aangetast. Ze kunnen hierdoor los gaan staan en zelfs uitvallen.

De behandeling van tandplak, tandsteen en de ontstekingen van het tandvlees bestaat uit het trekken van ernstige aangetaste elementen en het reinigen van het gebit.

Meestal wordt het tandsteen verwijderd met een ultrasoon apparaat, een trilapparaat. Het kan ook handmatig met speciale instrumenten gebeuren. Het doel van het reinigen is het oppervlak van de gebitselementen zo glad te maken dat het tandplak zich niet goed meer kan hechten. Bacteriën krijgen dan veel minder kans om ontsteking van het tandvlees te veroorzaken met alle gevolgen van dien. Het reinigen kan worden afgesloten met polijsten waardoor het oppervlak extra glad wordt. Ernstige ontstekingen worden tevens behandeld met antibiotica die juist in de mondholte goed werkzaam zijn. De antibiotica doden namelijk de bacteriën die de ontsteking veroorzaken. Erg belangrijk is dat de gebitshygiëne thuis wordt voortgezet.

Gebitshygiëne bij de hond/kat

Allereerst is het belangrijk te weten hoe u aandoeningen van gebit en de omgevende weefsels kunt herkennen.  U kunt min of meer van de volgende symptomen waarnemen.

  1. Pijn bij het eten of drinken. Dit kan zich uiten in janken, plotseling teruggaan bij eten of drinken, langs de bek wrijven, met de kop over de rond schuren, moeilijk of aan een kant kauwen of zelfs weigeren te eten.
  2. Overmatig kwijlen of speekselen.
  3. Stank. Dit wordt niet veroorzaakt door tandsteen maar door tandplak en bacteriële ontsteking van het tandvlees.
  4. Bruin / gele aanslag op tanden en kiezen.
  5. Roodheid en eventueel bloeden van het tandvlees.

Al deze verschijnselen zijn een reden om bij de dierenarts langs te gaan. Deze zal het gebit en de rest van de hond/kat onderzoeken. Er zijn namelijk andere lichamelijke aandoeningen die de ontstekingen in de mondholte kunnen verergeren, bijvoorbeeld suikerziekte en nieraandoeningen.

Ook spelen voeding en erfelijke afwijkingen een rolHarde brokken zijn beter dan zacht voer, omdat er meer op gekauwd moet worden. Dit kauwen reinigt de tanden. Teveel elementen, melktanden die niet wisselen, afwijkende stand van tanden of kiezen in de kaak, onderbijten en overbijten zijn voor een deel erfelijk. Er blijft gemakkelijk troep tussen de tanden of kiezen zitten die afwijkend staan. Bacteriën kunnen dan weer makkelijker de beruchte tandvleesontsteking veroorzaken.

Meestal zal de dierenarts het gebit reinigen onder algehele anesthesie en de afwijkende tanden en kiezen trekken. Bij ernstige ontstekingen zal de dierenarts antibiotica voorschrijven. De situatie na het reinigen van het gebit kan in stand gehouden worden door hygiënische maatregelen, dat wil zeggen net als bij de mensen tanden poetsen, maar dan bij uw hond/kat! Ook bij uw hond/kat is het belangrijk dat zijn gebit schoon blijft en dat plak en bacteriën geen kans krijgen.  Uw hond/kat heeft net zoveel belang bij een gezond gebit als uzelf. Als u nog nooit tanden heeft gepoetst bij uw hond/kat zal hij hieraan moeten wennen. Bij pups zou dit gemakkelijk in de puppycursus worden ingevoerd. Het is namelijk niet moeilijk en u kunt heel simpel beginnen.

Tandenpoetsen bij uw huisdier

Stap één

Begin eenvoudig door met de vingers aan de buitenkant van de wangen, ter hoogte van de achterste kiezen, de huid te masseren. Hierdoor worden de speekselklieren geprikkeld waardoor het zelfreinigende vermogen van de mondholte wordt bevorderd.

Stap twee

Als het dier dit toelaat doet men hetzelfde aan de binnenzijde van de mond, met de blote vinger of met een gaasje gedrenkt in bouillon voor de smaak. Dit alles kan worden uitgevoerd met een gesloten mond, kaken op elkaar en alleen aan de buitenzijde van het gebit. Niet forceren en regelmatig laten slikken.

Stap drie

Als dit voorspoedig gaat kan men de mond iets openen en met het echte poetsen beginnen. Ook nu weer alléén de buitenzijde van de kiezen en tanden poetsen. Gebruik een geschikte tandenborstel en een tandpasta voor dieren. Deze is verkrijgbaar in verschillende smaken zoals vlees, kip of vis.

Stap vier

Poetsen moet een dagelijkse routine worden, als er opnieuw tandsteen ontstaat is dat een teken dat er te weinig gepoetst wordt. Zonder poetsen ontstaat binnen 24 uur tot 48 uur opnieuw tandplaque en zal het verkalkingproces tot tandsteen opnieuw plaatsvinden. Tevens kan men op deze manier regelmatig de mondholte, tong en gehemelte controleren op onregelmatigheden.

Stap vijf

Na de poetsbeurt moet er iets leuks volgen voor uw huisdier. Een wandeling, een kauwchip of een andere tandvriendelijke versnapering voor de hond. Neem voor de kat even de tijd om met hem/haar te spelen.
Op deze manier zal uw huisdier de poetsbeurt associëren met een leuke gebeurtenis die hierop volgt.

Gebitsverzorgingsset

U kunt bij onze dierenkliniek een demonstratie krijgen hoe u de de tanden van uw hond moet poetsen. Indien u hierin geïnteresseerd bent kunt u bij een van onze dierenartsen een afspraak maken. Ook tijdens de jaarlijkse controle zullen we aan het gebit aandacht besteden.

Controle

Sommige honden laten het poetsen niet goed toe. Zeker bij honden met een aanleg voor tandplak en tandsteen is een regelmatige controle door de dierenarts en een eventuele professionele gebitsreiniging dan noodzakelijk. Tijdens de jaarlijkse controle waarbij de vaccinatie gegeven wordt controleren we het gebit van uw hond. Indien u wilt, kunnen we ook een halfjaarlijkse gebitscontrole bij uw hond uitvoeren, net als uw tandarts bij uw eigen gebit elk half jaar uitvoert.

Als poetsen niet lukt

Sommige honden laten het poetsen niet goed toe, dan is T/D voer van Hill’s Pet Nutrition een goed alternatief. Eventueel in combinatie met kauwstrips (Veggiedent) of Vet Aquadent mondwater. Let op: bij een schoon gebit zal de werking optimaal zijn, als een hond al tandsteen heeft is het advies deze eerst professioneel (onder narcose) te laten schoonmaken en polijsten.

Tandvriendelijk Hondenspeelgoed

Sinds kort verkopen wij tandvriendelijk hondenspeelgoed van het merk Kong. Ze verwijderen tandplak doordat de hond op het speciale rubber kauwt en vegen hierbij de tanden schoon. Ook zorgen ze ervoor dat de hond een stevig en gezond tandslijmvlies behoudt doordat het slijmvlies tijdens het kauwen gemasseerd wordt.

Gescheurde voorste kruisband

Gescheurde voorste kruisband

Gescheurde kruisbanden zijn een veel voorkomende oorzaak van kreupelheid in de achterpoot bij de hond. De kreupelheid ontstaat plotseling. De oorzaak is meestal een verkeerde beweging of een wilde stoeipartij.

Voorkomen

Gescheurde kruisbanden zien we bij alle rassen. Boxers, Rottweilers en Terriërs zijn hier wel gevoeliger voor dan het gemiddelde ras. Sommige dierenartsen spreken zelfs over ‘boxerknie’ of zelfs’voetbalknie’!

Oorzaak

De kruisbanden zijn twee banden die kruislings tussen scheenbeen en dijbeen gespannen zitten. Ze dienen om deze twee botten – ten opzichte van elkaar – vast te houden.

kruisband.jpg

Het is meestal de voorste kruisband die scheurt. Als deze band kapot is, heb je te maken met een instabiele knie. Dijbeen en scheenbeen schuiven over elkaar, waardoor de meniscus, die tussen deze botten ligt, overbelast wordt en ook kan scheuren.

kruisbandruptuur-633x1024-1-(1).png

De grootste kans om een kruisband te scheuren is een combinatie van overstrekken en draaien van de knie. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer het dier in een gat stapt, uitglijdt, of met spelen een ongelukkige beweging maakt.

Diagnose

Om vast te stellen of een dier een gescheurde kruisband heeft is een zorgvuldig onderzoek nodig. Hierbij letten we vooral op de mate van speling in de knie. Als de kruisband gescheurd is kunnen dijbeen en scheenbeen ten opzichte van elkaar verschuiven. Hiernaast vinden we vaak een overvulling van de knie en soms pijn bij het buigen en strekken.
Om dit onderzoek goed te kunnen uitvoeren is ervaring nodig. Het gaat meestal om subtiele veranderingen in de beweeglijkheid van de knie. Soms kan aanvullend onderzoek nodig zijn zoals een röntgenfoto.

Behandeling

Een knie met een kapotte kruisband is ernstig beschadigd en dat wordt door de instabiliteit steeds erger. Ondanks rust, bandages en oefenen zal op deze manier maar zelden volledige genezing optreden. Alleen bij een overrekking of gedeeltelijke scheur zal er iets van resultaat verkregen worden. Als de band geheel doormidden is, is een operatie noodzakelijk. Hierbij worden de restanten band verwijderd en de knie nagekeken op verdere beschadigingen. Bij dit laatste moeten we vooral aan een kapotte (binnen)meniscus denken.
Vervolgens moet de knie weer gestabiliseerd worden. Hiervoor bestaan zeer veel technieken en de keuze is afhankelijk van soort en grootte van de hond en voorkeur van de chirurg.
Daarna mag het dier langzaam weer meer gaan doen. In de meeste gevallen is 80-90% functieherstel mogelijk.
Helaas treedt de aandoening bij 40-60% van de honden na verloop van tijd ook in de andere knie op door overbelasting.

>1. Laterale teugel

Bij kleine honden (tot 11 kg) wordt buiten de knie om een kunststofkruisband aan gebracht.

Lateral-Suture-Picture2-169x230.jpg

> 2. TTA (= Tuberositas Tibiae Advancement)

Bij deze methode wordt de patellapees naar voren verplaatst en vast gezet middels een plaat en metalen kooi. Door deze anatomische verandering zorgt men ervoor dat de horizontale trekkracht aan het tibia plateau verdwijnt doordat de hoek van de patellapees met het tibia plateau 90 graden wordt. Door deze verandering wordt de knie stabiel.

TTA-operatie-bij-hond-230x230.jpg

>3. TPLO (=Tibial Plateau Leveling Osteotomy)

Het principe van een TPLO operatie ter stabilisering van het knie gewricht is vergelijkbaar als bij een TTA. Alleen wordt in plaats van de trekkracht aan het tibia plateau te verplaatsen het tibia plateau zelf verplaatst!

De TPLO is meer geschikt dan een TTA bij zware honden > 50 kg omdat deze techniek sterker is dan de TTA techniek, bovendien kan men gelijk eventuele stand correcties zoals O – en X -benen verhelpen.

Voor een duidelijke uitleg kunt u ook kijken naar het volgende filmpje.

TPLO-230x230.jpg

Preventie

Een steile stand van het achterbeen (rechte hak) zoals we bij Boxers, Chow’s en Rottweilers zien leidt tot een zware belasting van de voorste kruisband. Deze honden zullen dus gemakkelijker hun band scheuren dan dieren met een betere stand.
Verder kan iedere hond een ongeluk krijgen, dus deze problemen voorkomen lukt niet altijd. Wees wel voorzichtig met ruwe spelletjes op een gladde ondergrond (parket, ijs).

Samenvatting

Als uw hond plotseling kreupel is aan zijn achterpoot en de knie is dikker of pijnlijk dan is het heel goed mogelijk dat een kruisband beschadigd is. Hoe eerder de aandoening wordt behandeld, hoe beter de vooruitzichten zijn. Wacht in twijfelgevallen dus niet af, maar neem contact op met uw dierenarts.

Huidschimmel infecties

Huidschimmel infecties

Infecties met huidschimmels zien we regelmatig bij de katten, konijnen, cavia´s en af en toe bij de hond. De klachten variëren sterk, de een wordt helemaal kaal, de ander heeft slechts enkele korstjes. Het is ook mogelijk dat de mens door zijn huisdier besmet wordt.
Katten kunnen drager zijn van een huidschimmel zonder er zelf ziek van te zijn of letsel van te hebben.

Voorkomen

Zoals gezegd komen schimmelinfecties vaker bij de kat voor dan bij de hond. Voornamelijk langharige katten zijn vatbaar. Binnen de kattenfokkerij vormen schimmelinfecties een groot probleem. Vooral bij groepen katten (cattery’s, asiels) is de ziekte moeilijk te bestrijden.

Oorzaak

De verwekkers zijn schimmels of gisten die zich hebben gespecialiseerd in het leven op de huid. Het gaat dus om een ander soort schimmel dan u op oud hout, kaas, brood en dergelijke aantreft. Er zijn een aantal van deze ziekteverwekkers bekend. Bij de hond en de kat gaat het meestal om microsporie, een infectie met de schimmels microsporum gypseum of microsporum canis. Bij andere diersoorten gaat het vaak om trichophytie, veroorzaakt door trichophytonsoorten. Deze huidschimmels leven van keratine, een stof die voorkomt in huid en haren. Ze planten zich voort door sporen. Dat zijn microscopisch kleine zaadjes die zeer lang – ook in extreme omstandigheden – kunnen overleven. Dit laatste maakt de behandeling moeilijk en vaak langdurig. De schimmel op het dier laat zich wel aanpakken, maar de sporen in de omgeving kunnen jarenlang voor problemen zorgen. De weerstandsopbouw van dieren tegen schimmels is niet erg groot.

Verschijnselen

Dieren met een schimmelinfectie hebben huidklachten. Dit uit zich meestal als korstjes, pukkeltjes, schilfers en soms kale plekken. Voorkeurplaatsen zijn de kop, de oren en de nagels.
De ziekte kan zich uitbreiden over het hele lichaam. De dieren hebben weinig tot matige jeuk.
Schimmelinfecties zijn besmettelijk, dus als u meerdere dieren in huis hebt is de kans dat zij ook klachten hebben of krijgen groot. Ook de mens kan besmet raken. Bij ons ontwikkelt zich dan een zogenaamde ringworm. Deze begint als een klein rood bultje en veranderd in een steeds groter wordende rode ring, met binnen en buiten de ring schijnbaar normale huid. Vooral kinderen zijn de dupe omdat hun weerstand minder is dan die van volwassenen en het contact vaak inniger.
Vooral bij langharige katten (bijvoorbeeld Pers of Maine Coon) komen er dieren voor die wel besmet zijn met een schimmel, maar zelf geen letsel of last van hebben. Deze ‘dragers’ zijn echter wel besmettelijk en kunnen de ziekte overbrengen naar andere dieren. Bij twijfel kunnen deze katten hierop getest worden met een zogenoemde ‘tandenborstelmethode’. Als blijkt dat het dier drager is, zal ook dit dier behandeld moeten worden.

Diagnose

Op grond van de verschijnselen kan nooit met zekerheid worden gezegd dat een dier schimmel heeft. Verder onderzoek is dus nodig. Dit onderzoek kan bestaan uit het beschijnen van de aangetaste huid met UV-licht (black-light), het maken van huidafkrabsels voor microscopisch onderzoek of het inzetten van een schimmelkweek. De methode met UV-licht is simpel en snel, maar niet 100% betrouwbaar, want sommige soorten schimmel lichten groen op als ze bestraald worden door UV-licht, maar ook huidschilfers, ontstekingsproducten en enkele zalven kunnen een positieve uitslag geven.
Het huidafkrabsel kost iets meer tijd maar is betrouwbaarder. Toch is het mogelijk dat je net een paar haren treft (bekijkt) die niet aangetast zijn terwijl het dier toch besmet is. De kweek is de meest betrouwbare methode, maar ook de kostbaarste. Helaas duurt het vaak twee weken voor de uitslag bekend is. Dit komt doordat schimmels langzaam groeien.

Behandeling

De behandeling bestaat uit een combinatie van een shampoo en/of pillen. De pillen bevatten een stof die via het lichaam in de haren wordt ingebouwd en giftig is voor schimmels, de shampoo bevat een ander schimmeldodend middel. De pillen kunnen het beste met wat vet eten worden ingegeven, dit bevordert de opname van het medicijn uit de darm. Met de shampoo wordt het dier om de vier dagen gewassen. De behandeling duurt minimaal vier weken, maar vaak langer. Dit komt doordat de medicijnen eerst in het haar moeten worden ingebouwd voordat de schimmel afsterft. Aangezien haren traag groeien, duurt het lang voor de schimmel verdwenen is. Het is aan te raden om langharige katten te scheren zodat de shampoo goed contact kan maken met de huid en de besmetting van de omgeving ook verminderd wordt.
Hiernaast moet ook de omgeving goed worden schoon gemaakt. Vooral als de besmetting al langer bestaat of als er veel dieren tegelijk aangetast zijn kunnen veel sporen in de omgeving zitten. Als deze niet goed vernietigd worden kunnen de problemen steeds weer terugkeren. De omgeving moet regelmatig grondig gewassen worden met een sterk verdunde anti-mycoticum zoals imaverol, vraag ernaar in de dierenkliniek. Dagelijks huishoudelijk schoonmaken is bij elke besmetting noodzakelijk.

Preventie

Schimmel is een besmettelijke ziekte. De beste manier om een besmetting te voorkomen is ieder contact met andere dieren te vermijden. Dit is natuurlijk niet uitvoerbaar. Plaatsen waar veel dieren bij elkaar zitten, zoals tentoonstellingen, cattery’s en asiels vormen een extra groot risico. Het is verstandig om direct contact tussen de dieren onderling, maar ook tussen hun eigenaren, te beperken. Dit kan door bijvoorbeeld de dieren niet samen in een kooi te zetten, vooral geen kammen en borstels wisselen en de dieren niet door iedereen te laten aanhalen. Verder is een goede vachtverzorging van belang; een gezonde goed verzorgde huid is niet zo vatbaar voor schimmels als een huid vol korstjes en wondjes. Ook de vacht klitvrij houden.

Huisdier mee op vakantie

Uw huisdier mee op vakantie

Steeds meer mensen nemen hun hond of kat mee naar het buitenland. Men moet er echter wel rekening mee houden dat door veel landen eisen worden gesteld aan de invoer van uw huisdier. Sommige landen hebben hun eigen eisen. In o.a. Nieuw Zeeland moet uw dier minstens zeven maanden voor vertrek een rabiësvaccinatie en bloedonderzoek gehad hebben. Informeer dus tijdig bij uw dierenarts over de te treffen maatregelen. Ook kunt u informatie inwinnen bij de luchtvaartmaatschappij.

Reizen

Als er gereisd gaat worden met trein of vliegtuig moet ruim van tevoren worden gekeken naar de vervoersvoorwaarden voor hond of kat. Zo moet vaak voor bepaalde modellen transportkooien worden gezorgd, en stelt een maatschappij bovendien vaak eisen aan grootte of gewicht van het huisdier. Tenslotte moet er rekening mee worden gehouden dat de kosten voor het meenemen van een huisdier relatief hoog kunnen zijn.

Wanneer gereisd wordt met de auto moeten huisdieren verplicht op een veilige manier vervoerd worden ofwel in een bench of achter een rooster ofwel speciale lijn met harnas wat in het koppelstuk van de autogordel kan worden gestoken.
Sommige dieren hebben last van wagenziekte, maar in overleg met de dierenarts kunnen daarvoor passende tabletten worden gebruikt. Het grootste directe gezondheidsrisico in de auto is echter oververhitting. Honden en katten zijn voor hun warmteregeling afhankelijk van verdamping via de tong (d.m.v. hijgen) en kunnen niet transpireren. In een kleine ruimte zoals een auto kunnen honden en katten relatief snel oververhit raken, met als ernstigste gevolg een vaak fataal aflopende hitteberoerte. Zorg dan ook voor voldoende ventilatie en laat huisdieren nooit in de auto achter, ook niet als het naar menselijke maatstaven niet zulk warm weer lijkt te zijn.

Vaccinaties en documenten

Wanneer een huisdier wordt meegenomen naar het buitenland is het verplicht om minimaal 21 dagen voor vertrek een inenting te laten geven tegen hondsdolheid (rabiës). De maximale geldigheidsduur van deze vaccinatie is drie jaar, maar sommige landen hanteren andere termijnen. Tevens moeten honden, katten en fretten ook in het bezit zijn van het Europees paspoort en een identificatie chip hebben.
Dierenartsen hebben de beschikking over een lijst waarop per land de invoervoorwaarden staan vermeld en het is verstandig om ruim van tevoren vast even hiernaar te informeren. Deze lijst wordt regelmatig bijgewerkt en bevat ook informatie over bijkomende invoervoorwaarden.
Zo is het voor veel landen voldoende wanneer de dierenarts de gegevens over de rabiësenting invult in het normale vaccinatiepaspoort, samen met de in dit paspoort opgenomen gezondheidsverklaring. Maar het kan ook zijn dat een extra gezondheidsverklaring nodig is die enkele dagen voor vertrek moet worden afgegeven. Bovendien stellen sommige landen aparte eisen aan de taal waarin verklaringen gesteld moeten zijn. Voor een aantal – voornamelijk buiten Europa gelegen – landen is het noodzakelijk om inentingsbewijzen en gezondheidsverklaringen te laten legaliseren door de RVV en soms ook door het consulaat van het betreffende land. Tenslotte gelden voor o.a. Scandinavië, Australië en Nieuw-Zeeland aparte en zeer uitgebreide procedures, waarvan onder meer invoervergunningen, bloedonderzoeken en allerlei diergeneeskundige verklaringen deel uitmaken. Indien huisdieren worden meegenomen naar een van deze landen is het verstandig om zeker een half jaar van tevoren dit al met de dierenarts te bespreken. Voor de invoereisen per land klik hier.

Dieet en medicijnen

Wanneer een hond of kat dagelijks medicijnen moet innemen of op een speciaal dieet staat moet een voldoende grote voorraad daarvan worden meegenomen. Het is lang niet altijd zeker dat dierenartsen in het buitenland over dezelfde producten beschikken. Houd ook rekening met de bewaarmogelijkheden op reis en op de vakantiebestemming: vooral afwijkende temperatuur en luchtvochtigheid kunnen de kwaliteit van medicijnen of dieet zeer negatief beïnvloeden. Neem bij twijfel dan ook contact op met de dierenarts die daarover passende adviezen kan geven. Zorg ervoor dat naam en dosering van medicijnen goed leesbaar op de verpakking staan en vraag de dierenarts eventueel om een passende vertaling zodat er bij onverwacht dierenartsbezoek in het buitenland geen misverstanden kunnen ontstaan.

Bij huisdieren met een wat uitgebreidere ziektegeschiedenis is het verstandig een korte samenvatting daarvan mee te nemen: indien mogelijk in de taal van het vakantieland maar in ieder geval in het Engels.
Tenslotte is het altijd verstandig om van tevoren met de dierenarts te overleggen of reeds bestaande aandoeningen niet zouden kunnen verergeren door het reizen of bijv. door de klimatologische omstandigheden in het land van bestemming.

Ziektepreventie

Wanneer huisdieren worden meegenomen naar het buitenland kunnen zij besmet raken met bepaalde parasitaire aandoeningen die daar inheems zijn, maar in Nederland niet aanwezig zijn. Hoewel nooit alle risico´s weggenomen kunnen worden zijn er inmiddels voor de drie belangrijkste aandoeningen die ten zuiden van ons land voorkomen redelijke tot goede preventieve mogelijkheden. Het gaat daarbij om hartworm, babesiose en leishmaniose. Het is dan ook zeer belangrijk om de benodigde en beschikbare maatregelen tijdig met de dierenarts te bespreken; een goed moment daarvoor is het bezoek i.v.m. de voor het buitenland noodzakelijke rabiësvaccinatie.

Hartworm

De belangrijkste hartworm, die luistert naar de naam Dirofilaria immitis, zorgt in Europa voor steeds meer problemen. Beneden de lijn Parijs – Milaan komt deze infectie inmiddels overal voor met de hoogste besmettingscijfers in riviergebieden als de Po-vlakte in Italië en de Rhône-delta in Frankrijk. Maar eigenlijk is geen enkel gebied in de zuideuropese landen volledig vrij van hartworm. Honden en katten raken als ze worden gestoken door bepaalde muskietensoorten besmet met de larfjes van deze hartworm. Dergelijke larfjes worden microfilariën genoemd. Binnen enkele maanden kunnen die larfjes uitgroeien tot volwassen wormen van meer dan 20 cm. lang die verblijven in het hart of in de longslagaders. Deze volwassen wormen produceren vervolgens niet alleen weer duizenden nieuwe larfjes maar zorgen ook voor ernstige klachten. Er kunnen soms wel tientallen wormen aanwezig zijn die bovendien jarenlang in leven blijven. Wanneer met bepaalde middelen geprobeerd zou worden die wormen te doden (zoals we gewend zijn te doen bij bijvoorbeeld lintwormen en spoelwormen) kunnen er gevaarlijke complicaties ontstaan. Bij het doden van hartwormen kunnen namelijk wormrestanten in de bloedbaan gaan circuleren en zo zorgen voor een levensbedreigende ´embolie´. Deze restanten lopen vast in kleinere bloedvaten waardoor de bloedvoorziening van bepaalde weefsels blokkeert en er infarcten kunnen ontstaan. Daarom geldt hier nog sterker als anders het bekende gezegde: voorkomen is beter dan genezen.

In die gebieden waar met hartwormlarfjes besmette muskieten leven is het dan ook essentieel om honden en katten preventief te behandelen. En omdat je nooit kunt voorkomen dat huisdieren worden gestoken door muskieten gebruikt men daarvoor dus middelen die er voor zorgen dat alle hartwormlarfjes die het lichaam binnenkomen meteen worden gedood voordat ze kunnen uitgroeien tot volwassen worm. Deze preventie is niet alleen belangrijk voor honden en katten die in besmette gebieden leven maar ook voor dieren die daar op vakantie met hun eigenaren naar toe gaan. En aangezien de besmetting voorkomt in veel van de meest populaire vakantiegebieden is het bijzonder makkelijk dat dierenartsen in Nederland nu de beschikking hebben over een geregistreerd middel om honden en katten veilig (en 100% effectief!) te beschermen tegen infecties met hartworm.

Voor de bestrijding van hartworm kunt u kiezen uit een tabletvorm namelijk Milbemax of een “spot-on” pipet Stronghold.

Babesiose

Babesiose is een bloedziekte die veroorzaakt wordt door een parasiet die in de rode bloedcellen leeft – Babesia canis. Bepaalde tekensoorten vormen de overbrenger van de infectie, zodat het risico om besmet te worden gebonden is aan het gebied waar deze besmette teken voorkomen.
Vroeger ging het daarbij alleen om het Middellandse Zee gebied, maar inmiddels heeft gestage uitbreiding naar het Noorden plaatsgevonden. De rand van het gebied ligt momenteel ongeveer ter hoogte van de Belgisch-Franse grens, maar er zijn recent ook al besmettingen gemeld die ontstaan zijn in België. Katten zijn niet gevoelig voor deze infectie, maar honden worden ernstig ziek. Er vindt een snelle bloedafbraak plaats en de urine wordt vaak rood tot roodbruin van kleur door de uitscheiding van afvalstoffen van deze bloedafbraak. Daarnaast krijgen de dieren o.a. hoge koorts. Er zijn medicijnen beschikbaar, maar desondanks is het sterfterisico groot. Om dergelijke problemen te helpen voorkomen zijn er in grote lijnen twee mogelijkheden: tekenbestrijding en vaccinatie. Om met het laatste te beginnen: er bestaat een vaccin tegen babesiose dat ook in Nederland op de markt is. Het is echter erg duur en sommigen zetten vraagtekens bij de werkzaamheid en de veiligheid. Het kan zeker een bijdrage aan de preventie leveren maar de dierenarts beschikt over alle informatie om per geval een afweging te kunnen maken of vaccinatie al of niet zinvol is. Een goede tekenbestrijding is essentieel maar helaas niet altijd even makkelijk. Er zijn diverse middelen beschikbaar, o.a. sprays, spot-on´s en banden, de effectiviteit is niet 100%. Vooral het tempo waarin een eenmaal aangehechte teek dood gaat speelt daarbij een rol. Het duurt naar wordt aangenomen minimaal 24 uur voordat een teek na zich te hebben vastgebeten de Babesia parasiet in het lichaam van zijn slachtoffer gaat uitscheiden. Omdat niet alle teken altijd binnen die 24 uur gedood zullen worden is het belangrijk om zichtbare teken direct te verwijderen. Bij de dierenarts zijn speciale tekenpincetten verkrijgbaar waarmee een teek simpel en veilig verwijderd kan worden. Vooraf verdoven van de teek is niet nodig, en kan zelfs een risico inhouden omdat de teek als reflex extra maagdarminhoud in het lichaam van zijn slachtoffer kan spugen. Door de combinatie van een anti-tekenmiddel en het consequent verwijderen van zichtbare teken kan het risico om babesiose op te lopen zeer sterk worden verkleind. Het blijft echter aan te raden om bij verdachte symptomen direct een dierenarts te bezoeken.

Leishmaniose

Leishmaniose wordt veroorzaakt door de parasiet Leishmania donovani, een infectie die binnen Europa in toenemende mate wordt aangetroffen in de landen rond de Middellandse Zee. Overbrengers van de parasiet zijn zandvliegjes van de soort Phlebotomus: het gebied waar dieren besmet kunnen raken is dus gebonden aan het voorkomen van deze zandvliegjes.
Honden (en soms ook mensen) zijn gevoelig voor de parasiet, bij katten worden nauwelijks problemen gezien. Het kan geruime tijd duren voordat een besmette hond daadwerkelijk verschijnselen gaat vertonen: minimaal een maand, maar soms wel vele jaren. Er bestaat een huidvorm van de ziekte en een algemene vorm. Mogelijke huidverschijnselen zijn schilfering, kaalheid, kleine korstjes en soms wat grotere knobbels in de huid. Jeuk treedt daarbij vrijwel nooit op. Bij de algemene vorm worden ook inwendige organen aangetast zoals lever, milt en nieren. Er bestaan enkele medicijnen tegen de parasiet, maar bijwerkingen komen regelmatig voor. Bovendien leidt behandeling zelden tot genezing – hoewel de problemen vaak een tijd lang onder controle gehouden kunnen worden zijn de uiteindelijke vooruitzichten slecht. Een vaccin tegen de ziekte bestaat nog niet, dus de enige preventie is er voor te zorgen dat honden niet door zandvliegjes worden gebeten. Overdag houden deze zandvliegjes zich verscholen, maar rond zonsondergang komen zij te voorschijn; het kan dus zinvol zijn honden vanaf dat moment zo veel mogelijk binnen te houden.

Daarnaast heeft de Dierkliniek Scalibor tekenbanden en Advantix “spot-on” pipetten die gebruikt kunnen worden als preventie.

Juniorprogramma voor pups

Juniorprogramma voor pups

Het consultatiebureau voor uw pup

Wat leuk: u heeft een pup, gefeliciteerd! Wist u dat wij een consultatiebureau voor pups hebben? Wij noemen dit ons Juniorprogramma.

Een pup in huis is natuurlijk hartstikke leuk, maar deze nieuwe situatie kan allerlei vragen bij u oproepen. Om u te begeleiden bij alles wat komt kijken bij een pup en de groei en ontwikkeling van uw pup bij te houden hebben wij het juniorprogramma ontwikkeld.

Het is mogelijk te starten met het juniorconsult na de tweede inenting van uw pup, U komt dan vier keer langs bij de assistente  en één keer bij de dierenarts, alsof u naar het consultatiebureau gaat.

Deze consulten zijn verdeeld over het eerste levensjaar. De consulten duren ongeveer 20 minuten. Mocht tijdens het juniorconsult een afwijking(en) worden gevonden die door een dierenarts behandeld moet worden, krijgt u het advies hier apart van het juniorprogramma een afspraak voor te maken.

Bij ieder consult wordt uw pup op een leuke manier onderzocht op de behandeltafel. De pup kan hierdoor alvast wennen aan de dierenarts en kan merken dat het helemaal niet eng is. Dit is een goede oefening voor de pup!

Wat doen wij tijdens het puppyconsult?

  • Er wordt een groeicurve bijgehouden
  • Het wisselen van het gebit wordt in de gaten gehouden
  • Huid, vacht en nagels worden gecontroleerd
  • Voedingsadvies
  • Advies over ontworming/ontvlooien
  • Advies over sterilisatie/castratie
  • Ziektepreventie

Ook houden wij een groeicurve bij waarin de groei van uw pup wordt bijgehouden; deze krijgt u na het laatste consult mee naar huis. Daarnaast leren wij u diverse handelingen, zoals nagels knippen, teken verwijderen, tabletten ingeven en tanden poetsen. Uiteraard staan wij voor u klaar om al uw vragen te beantwoorden.

Wilt u deelnemen aan het Juniorprogramma dan kunt u een afspraak bij een van onze assistentes. Wij bieden het Juniorprogramma aan voor, in totaal, slechts € 45,75.

Kennelhoest

Kennelhoest

Kennelhoest is een zeer besmettelijke en acute infectieuze ontsteking van de slijmvliezen van de neus, keel, luchtpijp en bronchiën. Verschillende ziekteverwekkers kunnen kennelhoest veroorzaken en de aandoening kan vervelende symptomen teweegbrengen bij uw hond. Deze brief biedt u relevante informatie over kennelhoest.

Ziekteverwekkers

Primair spelen meestal het Canine Adenovirus type II en het Parainfluenza virus een rol. Zodra de luchtwegen door het virus zijn aangetast is de weg vrij voor de Bordetella bronchiseptica bacterie om de luchtwegen te infecteren. Secundair kunnen ook andere organismen betrokken raken.

Honden raken besmet door inademing van deze ziekteverwekkers die zich door de lucht verplaatsen. Infectie kan dus al optreden tijdens het dagelijkse blokje om. De kans op overdracht is het grootst op plaatsen waar veel honden bij elkaar zijn. Dit geldt dus niet alleen voor kennels en dierenpensions, maar ook voor druk bezochte uitlaatgebieden, honden uitlaatservice, hondenshows en hondencursussen.

Voorgeschiedenis

Vaak, maar niet altijd, hebben honden met kennelhoest kort geleden in een pension of kennel gezeten of hebben ze contact gehad met een puppy of hond die kennelhoest had. Jonge honden, honden met een verminderde werking van het afweerapparaat en honden met een reeds aanwezige longaandoening zijn vatbaarder voor kennelhoest dan gezonde, volwassen honden.

Symptomen

Symptomen van kennelhoest treden meestal binnen enkele dagen tot ongeveer tien dagen na infectie op.

De naam kennelhoest geeft meteen al het belangrijkste symptoom weer: “hoest”. Door ontsteking van de luchtpijp en bronchiën worden honden met kennelhoest gekenmerkt door een extreem harde en hardnekkige hoest, die plotseling optreedt. Opwinding, lichamelijke activiteit en de druk van een halsband tegen de luchtpijp leiden tot verergering van de hoest. Het hoesten kan soms zo hevig zijn dat de hond ervan gaat kokhalzen en slijm kan gaan ophoesten. Daarnaast kan neusuitvloeiing optreden. Doordat honden met kennelhoest vaak een gevoelige keel krijgen kan de eetlust wat afnemen.

De ziekte is meestal zelflimiterend, waarbij herstel in een week of twee zal optreden zonder ingrijpen van een dierenarts.

In een aantal gevallen treden echter ook systemische verschijnselen op, waarmee bedoeld wordt dat de hond zich echt ziek voelt, gekenmerkt door sloomheid, koorts en niet willen eten (niet alleen door de pijnlijke keel, maar echt door een gebrek aan eetlust).

Soms wordt kennelhoest chronisch en blijven de hoestbuien wekenlang bestaan.

Bij puppy’s, bij andere dieren met een minder goed werkend afweerapparaat en bij dieren die leiden aan een andere luchtwegaandoening kan kennelhoest ernstiger gevolgen hebben. Bij deze dieren kan zich een forse bacteriële longontsteking ontwikkelen. Daarnaast kan acute en ernstige verslechtering optreden bij honden die een chronische longaandoening hebben of die leiden aan een afwijking van de luchtpijp.

Diagnostiek

Over het algemeen kan de diagnose kennelhoest worden gesteld op basis van de klinische symptomen. Bij ernstig zieke dieren kan het nodig zijn om aanvullend onderzoek te verrichten in de vorm van röntgenfoto’s van de borstkas, bloedonderzoek en/of een spoeling van de luchtwegen gecombineerd met een bacteriekweek.

Therapie

  • Rust gedurende minimaal zeven dagen is een van de belangrijkste punten in de therapie van kennelhoest. Hoe meer de hond zich opwindt, beweegt en zich inspant, hoe groter de kans dat een nieuwe hoestbui optreedt. Hoesten leidt tot irritatie van de luchtwegen, waardoor de luchtwegen steeds meer geïrriteerd raken en de ontsteking niet kan genezen.
  • Een borsttuigje in plaats van een halsband is sterk aan te bevelen. Door druk van de halsband op de ontstoken luchtpijp zal de hond gaan hoesten, waardoor de irritatie van de luchtpijp toeneemt. Het dragen van een borsttuig voorkomt deze bron van irritatie.
  • Het aanbieden van zacht voer, door bijvoorbeeld brokken te wellen in water, zorgt ervoor dat eten met een pijnlijke keel gemakkelijker wordt.
  • Een ontstekingsremmend en koortsverlagend middel wordt regelmatig door de dierenarts ingezet bij honden met kennelhoest.
  • Een hoestdrank die de keel verzacht kan de hond enige verlichting bieden van de klachten. Dit middel kan bij de dierenarts, maar ook bij een drogist worden aangeschaft.
  • De dierenarts kan slijmoplossende middelen met bijvoorbeeld broomhexine voorschrijven.
  • Hoestremmers zoals codeïne mogen alleen worden gebruikt als de hond een niet-productieve hoest heeft. Als er bij de hond veel slijm en/of vocht in de luchtwegen aanwezig is, dan resulteren hoestremmers in ophoping hiervan, waardoor de aandoening kan verergeren en zelfs een longontsteking kan optreden.
  • De dierenarts zal per hond een inschatting maken of toediening van antibiotica nodig is.

Preventie

Door uw hond te vaccineren tegen kennelhoest wordt de kans op het optreden van de ziekte enorm verkleind. Mochten er ondanks de vaccinatie toch nog verschijnselen optreden, dan zijn deze vele malen minder ernstig.
Er bestaan twee typen kennelhoest vaccinatie:
1. de vaak gebruikte neusdruppel enting die jaarlijks herhaald moet worden
2. de enting die via een injectie wordt toegediend en waarvan de werkzaamheid is geregistreerd voor drie maanden (maar in de praktijk langer bescherming biedt).

Bij de meeste pensions, hondenscholen en sommige uitlaatbedrijven wordt een kennelhoest vaccinatie verplicht gesteld. Aangezien niet iedere instantie dezelfde regels erop na houdt, is het verstandig om bij de door u uitgekozen instantie na te vragen welk type vaccinatie vereist is, hoe vaak deze vaccinatie moet zijn gegeven en hoeveel weken of dagen van tevoren deze vaccinatie moet zijn toegediend. Over het algemeen volstaat de neusdruppel enting, zeker wanneer deze minimaal drie weken van tevoren, maar niet langer dan een jaar geleden is toegediend. De dierenarts kan u hier uiteraard in adviseren.

Kind en hond

Kind en hond

Kinderen en honden zijn voor veel mensen een ideale combinatie. Een hond kan voor een kind een speelkameraad zijn. Toch worden kinderen regelmatig gebeten. De laatste tijd wordt erg veel aandacht besteed aan het Pitbull en Rottweilerprobleem. Weliswaar zijn deze honden verantwoordelijk voor een aantal ernstige ongelukken, maar we moeten ons wel realiseren dat de meeste beten nog steeds uitgedeeld worden door andere rassen. Meestal gaat het hier om heel gewone huishonden.

De keuze en de opvoeding van een hond in een gezin met jonge kinderen.

De hond

Honden zijn van nature vleesetende roofdieren die in groepsverband jagen en een strikte rangorde kenner die bovendien bevochten moet worden. Misschien is dit wat moeilijk voor te stellen als u een harige bobtail of een bibberend schoothondje ziet, maar ook uw hond stamt af van een wild roofdier.

Honden worden al sinds de steentijd door mensen voor allerlei doeleinden gebruikt. Hondenfokkers hebben door de eeuwen heen dieren geselecteerd op specifieke eigenschappen voor een taak die zij wenselijk achten. Een vechthond moet sterk, vasthoudend en agressief zijn. Een herder waaks, beschermend en bereid om vreemden op afstand te houden. Terriërs moeten een sterk ontwikkeld jachtgedrag hebben, enzovoorts. Tegenwoordig ligt dat anders, de meeste honden worden gehouden als huisdier en niet meer voor de jacht of het bewaken van een kudde. Hiermee zijn we al bij een van de oorzaken van ongewenste agressiviteit aangeland. De eigenschappen waar fokkers vroeger hun honden op selecteerden kunnen nu voor grote problemen zorgen. Een herder die fanatiek zijn terrein bewaakt doet uitsluitend waar hij voor gefokt is, maar de postbode en buurtkinderen zijn daar niet blij mee. Met de keuze van een ras moet u hier rekening mee houden. Een andere belangrijke oorzaak van dominantie is de rangorde in de groep en het vechten voor de plaats daarin. Het eigen karakter van de hond zal de drang bepalen naar die bepaalde plaats in die groep.

Keuze van een hond

Als u op zoek gaat naar een hond voor uw gezin is het verstandig om eerst voor u zelf op een rijtje te zetten wat voor soort hond u wilt en ook wat u van het dier verwacht. Moet het een grote hond zijn of heeft u liever een klein, makkelijk te vervoeren exemplaar? Ook het karakter van de hond is zeer belangrijk. Een hond die ‘alles met zich laat doen’ is ideaal voor kinderen, maar zal weinig waaks zijn. Maak een lijstje van de eisen die u aan uw huisdier stelt en ga dan op zoek naar een hond die hier zoveel mogelijk aan voldoet. Nadere informatie kunt u altijd krijgen via hondenclubs, rasverenigingen, asiels en natuurlijk uw dierenarts. De ideale kinderhond, die onder alle omstandigheden bij kleine kinderen te vertrouwen is, bestaat niet. Iedere hond, zelfs de allerliefste, kan uitvallen als hij maar lang genoeg geplaagd wordt. Er is geen vast advies te geven wat voor soort hond nu het beste is voor een gezin. Dit hangt van uw verwachtingen en de omstandigheden af. In het algemeen is het zo dat vecht, waak en verdedigingshonden minder geschikt zijn bij kleine kinderen, maar er zijn uitzonderingen.

Opvoeding

De opvoeding, of liever het gebrek hieraan, is een van de belangrijkste oorzaken voor problemen tussen mens en hond. Veel problemen zijn terug te voeren op dominantieproblemen. Simpel gezegd gaat het erom wie de baas is. De hond of zijn eigenaar. Uiteraard moet dit de laatste zijn, maar het gaat nog wel eens mis. Dit is te herkennen aan kleine dingen. Een hond die bijvoorbeeld zijn baas aan de riem over straat sleurt heeft duidelijk het heft in handen. Hetzelfde geldt voor een hond die met grommen de baas bij zijn etensbak verjaagt, of niet toestaat dat iemand in ‘zijn’ stoel gaat zitten. Daarom is van groot belang om vanaf het eerste moment te gaan werken aan de opvoeding van uw hond. Gelukkig hoeft u dit niet alleen te doen. Overal worden gedrag- en gehoorzaamheidscursussen gegeven voor hondenbezitters. Deze cursussen zijn zowel voor de hond als voor de baas zeer nuttig en leerzaam. Adressen kunt u vinden in plaatselijke kranten, via asiels of bij uw dierenarts. Begin er vroeg mee, want een hond van jongs af aan goed opvoeden is gemakkelijker dan later een slechte opvoeding corrigeren.

De oudere hond

Soms is de hond er al voordat er kinderen in een gezin komen. In deze gevallen moet u de hond leren de kinderen te accepteren. Dit is lastig, maar gelukkig niet onmogelijk. Let erop dat u bij de geboorte van een baby ook nog wat tijd reserveert voor de hond, zodat deze zich niet in de steek gelaten voelt. Laat hem de baby zien en besnuffelen, maar maak meteen duidelijk dat ook dat kleine hummeltje zijn baas is. Dit betekent dat hij niet mag grommen naar het kind, het kind zijn eten weg mag pakken, enzovoorts. Let hier goed op, want we zien nog wel eens gevallen waarbij de hond goed naar pa luistert, matig naar ma en de kinderen bijt. Een enkele keer accepteert de hond het kind echt niet. In deze gevallen zijn er drie mogelijkheden. De eerste is hond en kind permanent gescheiden houden, de tweede een ander huis voor de hond zoeken en als laatste, als niets anders helpt, euthanasie.

Samenvatting

Kinderen en honden kunnen prima samen. Toch is het verstandig om even stil te staan bij de keuze van een hond. Heeft u een hond aangeschaft begin dan meteen met zijn opvoeding, liefst door met het dier een cursus te volgen. Als laatste, kinderen kunnen zeer onverwachte dingen doen. Laat kinderen daarom nooit met honden alleen!

Laparoscopische sterilisatie

Laparoscopische sterilisatie

Steriliseren van uw hond via laparoscopie

Waarom steriliseren? Of liever gezegd castreren, want de eierstokken worden verwijderd en niet afgebonden. Deze vraag is tweeledig te beantwoorden. Er is een medische kant en de wens van de eigenaar. De reden van de eigenaar kan zijn dat ze geen hond in huis willen die elk half jaar loops wordt. Ook is een reden het voorkomen van een ongewenste dracht en teveel aandacht van de reuen uit de buurt…

Medisch gezien kun je de volgende aandoeningen voorkomen door te steriliseren.

Schijnzwangerschap

Na elke loopsheid kan het lichaam in een staat van schijnzwangerschap komen. Dit wordt hormonaal geregeld, voor het grootste deel afkomstig uit de ovaria, de eierstokken; het lichaam denkt dat er een dracht aanwezig is en dat het zich moet voorbereiden op een bevalling en zoogperiode. De hond wordt onrustig, wil een nest maken en de melkklierpakketten raken gezwollen en kunnen zelfs melk gaan produceren.

Baarmoederontsteking

Dit ontstaat ook onder invloed van de vrouwelijke hormonen. De klieren van het baarmoederslijmvlies raken ontstoken, waardoor er meer slijm aangemaakt wordt in de baarmoeder. Wanneer dit ophoopt en er bacteriën bij komen, wordt het een pussige baarmoederontsteking. Dit is in potentie een gevaarlijke situatie, vooral als de baarmoedermond dicht is en het pus opgehoopt blijft in de baarmoeder. Er kunnen gifstoffen vanuit de baarmoeder opgenomen worden door de bloedsomloop en problemen geven in, onder andere, de nieren.

Een andere complicatie is het lekken vanuit de baarmoeder in de buikholte, waarbij er een ernstige buikvliesontsteking kan ontstaan. De beste therapie wanneer dit ontstaat is steriliseren, waarbij de eierstokken en de ontstoken baarmoeder worden verwijderd. Het nadeel is dan echter dat er een zieke hond geopereerd moet worden.

Melkkliertumoren

Bij elke loopsheid, en dus invloed van de vrouwelijke hormonen, neemt de kans op het ontwikkelen van tumoren van de melkklierpakketten op latere leeftijd toe. Na de eerste en tweede loopsheid is de kans op het ontwikkelen van tumoren ongeveer drie tot acht procent; bij elke volgende loopsheid loopt het percentage flink omhoog tot wel 25 tot 30%.

Bij de hond is ongeveer 20-30% van de melkkliertumoren kwaadaardig; de rest is goedaardig. Dit is aan de buitenkant niet te zien, dus het blijft zaak om na het nodige vooronderzoek de tumoren te verwijderen en het weefsel op te sturen voor een nader pathologisch onderzoek. Het is medisch gezien een goede zaak om op een jonge leeftijd te steriliseren.

Nadeel van sterilisatie

De nadelen van sterilisatie kunnen zijn: 

  • Gewichtstoename, let daarom op het dieet na sterilisatie
  • Kans op veranderend gedrag (actiever, feller)
  • Veranderde vachtstructuur (vacht kan voller en krulliger worden)
  • Kans op urine incontinentie (vooral bij bepaalde grote rassen, zoals Boxer en de Dobermann)
  • Kans op complicaties tijdens en na de operatie en dan vooral de bloedingen vanuit de grote vaten van de eierstokken

Verschillen

Wat zijn de verschillen tussen chirurgische sterilisatie en een sterilisatie via een kijkoperatie (laparoscopie)?

Bij een standaard operatie wordt er een snee in de buikwand gemaakt, groot genoeg om je hand door naar binnen te brengen om op zoek te gaan naar de eierstokken. Deze moeten daarna naar boven worden getrokken om er met hechtdraad een ligatuur omheen te leggen. Dit is het meest pijnlijke gedeelte voor het dier.

De laparoscopische manier heeft veel voordelen ten opzichte van de normale manier van opereren, want het blijkt dat de dieren veel minder (na)pijn hebben.

Ten eerste door een kleiner wondoppervlak: door slecht drie kleine sneetjes in de buik gaan we met langwerpige tangen naar binnen en verwijderen zo de eierstokken. Ten tweede hoeft er niet meer aan de eierstokken getrokken te worden om ze buiten de buik te brengen. Tijdens de laparoscopie is op een videoscherm precies te zien wat er in de buik gebeurt. Hierdoor is ook een beter controle op nabloeden. Doordat de sneetjes slechts zo’n vijf millimeter zijn, is de kans op infecties minimaal, wondbreuken komen niet meer voor en de hond herstelt veel sneller. Ze hoeven niet meer rustig gehouden te worden, maar mogen de dag na de operatie, op zwemmen na, weer alles.

Voordelen

De voordelen op een rij:

  • Minder pijn. Slechts drie kleine gaatjes in de buik in plaats van een grote snede waar handen doorheen moeten kunnen. Verder minder pijn, omdat niet aan de eierstokken getrokken hoeft te worden en minder manipulatie van de andere buikorganen.
  • Snellere genezing. De kleinere wondjes genezen veel sneller en met minder complicaties dan één grote wond. Een kraag of rompertje is dan ook niet nodig. Door minder napijn herstelt de hond in zijn geheel ook sneller. De dag na de operatie mag de hond weer alles, behalve zwemmen: dat mag na een weekje weer.
  • Minder kans op infectie: doordat er geen handen meer in de buik gaan, maar slechts drie steriele instrumenten. Verder hoeven er geen buikorganen buiten de buik te worden gebracht.
  • Veiliger: doordat de operatietijd korter is, en de ingreep minder pijnlijk, is een minder diepe narcose mogelijk. Daarnaast is er door de camera in de buik beter zicht in de buik, waardoor de kans op nabloedingen minder groot is. Ook andere organen kunnen bekeken worden.

Nadelen

  • Een nadeel kan zijn dat, wanneer tijdens de kijkoperatie blijkt dat de baarmoeder afwijkend is, we alsnog volgens de ouderwetse manier moeten opereren, omdat de baarmoeder niet door een klein gat verwijderd kan worden.
  • Ook is er een grotere investering nodig, zowel qua apparatuur als voor opleiding van de arts, zodat de kosten van laparoscopische sterilisatie ten opzichte van een normale chirurgische sterilisatie hoger liggen.

Minimaal belastend

Hopelijk geeft dit artikel duidelijkheid en ondersteuning om tot de keuze van sterilisatie van uw hond te komen. Of er gekozen gaat worden voor steriliseren via de laparoscopische manier blijft een beslissing van de eigenaar van de hond. Maar er is tegenwoordig dus een veilige, snelle manier die minimaal belastend is voor uw hond.

Dit artikel werd geschreven door dierenarts Stefan Haspels, gespecialiseerd in endoscopie en laparoscopie bij de vestiging Gerbrandyplein (Zwijndrecht) van Dierenkliniek Ridderkerk en op het Evidensia Dierenziekenhuis Barendrecht. Laparoscopische sterilisaties worden uitgevoerd op het Evidensia Dierenziekenhuis Barendrecht.

Medicinale shampoo

Medicinale shampoo

Anders dan humane shampoo? Shampoo voor onze huisdieren is zeker anders dan die voor onszelf. De shampoo verschilt op de volgende punten:

  • Zuurgraad; de huid van honden en katten heeft een hogere pH (7.4) dan die van mensen (5.5)
  • Het reinigende vermogen van honden/kattenshampoo is sterker dan dat van onze eigen shampoo
  • De shampoos voor honden en katten zijn zeer goed uitspoelbaar om te voorkomen dat de dieren resten van de shampoo na het wassen op kunnen likken

Een dier altijd twee keer achter elkaar wassen

De eerste wasbeurt is bedoeld om vuil, schilfers en korsten te verwijderen. Bij de tweede wasbeurt kan de medicinale stof in de shampoo zijn werk doen. Het is dan ook belangrijk de shampoo bij de tweede wassing langer in te laten trekken. Ook bij het gebruik van een lotion is een voorafgaande, reinigende wasbeurt aan te raden.

Goede inwerktijd/contacttijd

De medicinale stoffen die in de shampoo zitten moeten de tijd krijgen om goed in de huid te trekken. De contacttijd bedraagt 5-15 minuten, geldend vanaf het moment dat het dier volledig ingezeept is. Begin met inzepen bij de meest aangedane huiddelen zodat hier de contacttijd het langste is.

Belangrijk is dat niet alle shampoos evenveel schuimen bij het inzepen.

Wasfrequentie

Er moet met de juiste regelmaat gewassen worden. De frequentie van wassen hangt samen met het type en de ernst van de huidafwijkingen.

Contact met de vacht/huid

Het is belangrijk dat de shampoo goed in contact komt met de huid en niet alleen met de vacht. Om dit goed te kunnen is het aan te raden bij langharige dieren de vacht, al dan niet lokaal, te scheren of kort te knippen.

Bij het gebruik van een lotion is het nodig om te scheren. Wanneer een lotion tegen de haren in wordt aangebracht komt deze ook goed in contact met de huid. Het gebruik van lotions is bij dieren met een zware vacht, zoals de Newfoundlander en de Leonberger, om deze reden niet zinvol.

Uitspoelen

Het is belangrijk de shampoo goed uit te spoelen om zo te voorkomen dat het dier na het wassen de shampoo oplikt en zo binnen krijgt. Shampoos ontwikkeld voor honden en katten zijn al extra goed uitspoelbaar.

Lotions moeten daarin tegen niet uitgespoeld worden, omdat deze middelen een residu werking hebben en na aanbrengen langere tijd effectief zijn.

Moederloze pups opvoeden

Moederloze pups opvoeden

Het kunstmatig opfokken van pups zal nodig zijn als het moederdier is gestorven en er geen pleegmoeder kan worden gevonden. Een pleegmoeder met jongen van dezelfde leeftijd heeft altijd de voorkeur. Het kan ook zijn dat de moeder onvoldoende of geen goede melk heeft voor de pup, waardoor er moet worden bijgevoerd.

Huisvesting

Hygiëne is natuurlijk van essentieel belang. De jongen kunnen het best op een schone deken of kranten worden gehuisvest. Zaagsel is voor pups ongeschikt. Hierin kunnen namelijk snel infecties optreden, die worden bevorderd door de voor pups relatief hoge omgevingstemperatuur.

Pups kunnen hun lichaamstemperatuur niet constant houden, onafhankelijk van de omgevingstemperatuur. Gedurende de eerste vier weken verandert dit grotendeels. Omdat hun lichaamstemperatuur afhankelijk is van de omgevingstemperatuur, is een constante temperatuur van 30-32 graden in de eerste week wenselijk. Gedurende de volgende drie weken moet de omgevingstemperatuur geleidelijk naar 24 graden worden verlaagd. Een vochtigheid van 55-60% wordt geadviseerd.

Samenstelling tevenmelk

De totale hoeveelheid melk neemt na de colostrale periode die één tot drie dagen duurt, toe tot drie-vier weken post partum en neemt na de vierde of vijfde week weer af. Verder is er een samenhang tussen de hoeveelheid melk, de lichaamsgrootte en het aantal pups.

De dagelijkse melkproductie van de teef in relatie tot het aantal pups ( gram / kg lichaamsgewicht)

 Aantal Week 1 Week 2 Week 3 Week 4 Gemiddeld
1-4 17 19 25 28 22
4-6 33 43 55 59 47
 6+ 44 60 66 60 57

 

Melkvervangers

Het is het eenvoudigst om een goed, fabrieksmatig bereid, melk vervangend preparaat te gebruiken. Het is niet eenvoudig om zelf een kunstmatige tevenmelk te bereidden. Kunstmelk moet een hoog percentage eiwit met een zeer hoge biologische waarde bevatten, omdat anders een aminozuur-onevenwichtigheid ontstaat, waarvoor pups en kittens zeer gevoelig zijn.

In geval van nood kan voor enkele dagen een eigen substituut worden gemaakt, maar er moet zo snel mogelijk op een uitgebalanceerd preparaat worden overgegaan.

Recept voor kunstmatige tevenmelk:

  • 500g volle melk
  • 470g (circa 9) eieren (dooier+wit)
  • 60g slagroom (40%vet)
  • 15g glucose
  • 4g citroenzuur
  • 1g fosforzure kalk
  • 9g melkzure kalk (13% CA)

Als dit mengsel langer moet worden gevoerd dan enkele dagen, moeten de eieren worden gekookt om de avidine te vernietigen. Het mengsel bewaren in de koelkast.

Verzorging en voeding

Pups moeten in de eerste week minimaal acht keer daags gevoerd worden, om de drie uur. Er kan ook worden gekozen negen keer daags te voeren om de twee uur, maar dan ‘s nachts om de vier uur. De voeding kan worden toegediend met een zuigfles met speen. Dit geldt voor kittens, bij pups echter is het gevaar voor verslikken. Het gebruik van een maagsonde is daarom zeer aan te raden.

Voor de maagsonde kiest men een dunne soepele sonde om slokdarmletsel te voorkomen. Eerst wordt de afstand gemeten van de mond tot de laatste rib waarna een merkteken op de sonde wordt gezet. Vervolgens wordt de sonde via het bekje en de slokdarm in de maag geschoven. Het risico dat de sonde in de luchtpijp komt is uitermate gering: het jong zal in dat geval gaan hoesten. Vervolgens wordt de spuit met de hoeveelheid melk op de sonde geplaatst en rustig in 1,5-2 minuten leeg gedrukt; daarna wordt de sonde teruggetrokken.

Na iedere voeding moet met een propje watten de peri-anaalstreek en onderbuik worden gemasseerd, waarna urine- en feaceslozing meestal volgen.

Vanaf drie weken kan worden getracht pups van een schotel te leren eten. Hiertoe kan bijvoorbeeld een melksubstituut gemengd met blikvoer worden gebruikt.

Groei

De gemiddelde groei van een pup moet zijn1,6-4g/24 uur/kg van het te verwachten gewicht op volwassen leeftijd; 1,6g voor een pup met een volwassen gewicht van 60kg en 4g voor een pup van 5 kg.

Pups die volledig met de hand worden grootgebracht zullen meestal minder hard groeien dan jongen die in een normale situatie verkeren waarbij het moederdier haar jongen verzorgt.

Ontwormen

Ontwormen

In de totale verzorging van uw hond of kat mag naast onder andere de jaarlijkse vaccinatie en de vlooienbestrijding een regelmatige ontworming niet ontbreken. Er zijn verschillende soorten wormen. Bij hond en kat komen spoelwormen (Toxocara spp., Toxascaris), haakwormen (Ancylostoma, Uncinaria), zweepwormen (Trichuris), hartwormen (Dirofiliria) en lintwormen (Taenia spp., Dipylidium spp.) voor. Hier in Nederland komt voornamelijk de lint- en spoelworm voor.

Spoelwormen

Met name bij pups en kittens is een goede ontworming van belang. De meeste pups hebben spoelwormen. Dit komt doordat zij vaak al in de baarmoeder besmet worden door larven uit de moeder en doordat er een besmetting via de moedermelk en vanuit de omgeving plaatsvindt. Ook volwassen honden worden vanuit de omgeving besmet met spoelwormen of door het eten van prooidieren die de worm bij zich dragen.

Lintwormen

Een lintworm besmetting is voornamelijk lastig wanneer lintwormsegmentjes (met de eitjes) actief kruipend de anus verlaten en zo jeuk veroorzaken. Als deze segmentjes indrogen lijken ze op rijstkorrels. De eitjes van een deel van de lintworm-soorten die in de omgeving belanden kunnen door eventueel aanwezige vlooienlarven worden opgegeten. De vlo die zich uit deze larve ontwikkelt, wordt dan drager van de lintworm en besmet de gastheer als deze de vlo oplikt. Allerlei zoogdieren, zoals bijvoorbeeld de muis, kunnen als tussenstation dienen en besmet zijn met de spoel- en lintwormlarven van de hond en de kat. Katten die muizen eten kunnen op die manier spoelwormen én lintwormen krijgen. Zeker bij die dieren die af en toe iets kunnen vangen is regelmatig ontwormen daarom belangrijk.

Zowel spoelwormen als lintwormen kunnen de mens besmetten!
Vooral kinderen worden door hun intensief contact met honden en katten gemakkelijk besmet. Als gevolg van een lintwormbesmetting ontstaan meestal milde verschijnselen zoals vage buikklachten en jeuk aan de anus. Door een besmetting met de larve van de hondenspoelworm kunnen bij kinderen ernstigere problemen ontstaan zoals leveraantasting, droge hoest, astma-aanvallen, gewrichts- of spierpijn, jeuk en zelfs epileptische aanvallen.

Mede ook vanuit het oogpunt van de volksgezondheid adviseren wij daarom een goed ontwormingsschema met effectieve middelen:

Ontwormen voor de pups op twee, vier, zes en acht weken en daarna elke maand tot een half jaar en vervolgens ieder kwartaal. Kittens op drie, vijf en zeven weken, daarna elke maand tot een half jaar en vervolgens ieder kwartaal.

Over de juiste keuze van ontwormmiddel adviseren wij u graag.

Oogproblemen

Oogproblemen

Symptomen

Raadpleeg uw dierenarts bij een van de volgende symptomen (ze kunnen gewoon op een allergie wijzen, maar ook worden veroorzaakt door ernstige problemen zoals hoornvliesbeschadigingen):

  • uitvloeiingen of troebelheid
  • rode of ontstoken ogen
  • derde ooglid zichtbaar
  • tranenvloed
  • uitpuilende of verzonken ogen
  • korsten of ontstekingen rond het oog
  • verlies van gezichtsvermogen
  • toenemende jeuk en pijn

De belangrijkste oogaandoeningen bij de hond

1. Staar

Staar is een troebeling van de lens van het oog, waardoor deze ondoorlaatbaar wordt voor licht. Het toont zich doordat de zwarte pupil in het centrum van de gekleurde iris geleidelijk grijzig en later wit wordt.

In het begin ontstaat hierdoor het beeld als bij het kijken door matglas, bij verergering zal geleidelijk volledige blindheid ontstaan.
Een enkele keer ontstaat staar al op jonge leeftijd, soms wordt het gezien als complicatie bij suikerziekte, maar in de meeste gevallen gaat het om honden met ouderdomsstaar.

Bij honden zien we vanaf een leeftijd van negen jaar dat de lens heel geleidelijk troebel wordt. Zeker in het begin heeft het dier daar nog geen last van. Pas na verloop van tijd kan merkbaar zijn dat de hond geleidelijk minder gaat zien. Volledige blindheid zien we vooral bij honden die 14 jaar of ouder zijn. Door de geleidelijke ontwikkeling past een dier zich meestal goed aan bij een verminderd gezichtsvermogen. Binnenshuis zal het niet eens opvallen, zolang de spullen in huis op dezelfde plaats blijven staan. Een hond kent de weg in huis blindelings. Buitenshuis kan loslopen problemen geven, vooral als het om een oude hond gaat waarvan ook het gehoor afneemt. Een groot verschil met mensen is natuurlijk ook dat honden niet lezen of tv kijken en daarom veel langer tevreden kunnen zijn met een wat minder scherp zicht.

Net als bij mensen is ook bij honden een staar operatie mogelijk. Bij het bovenbeschreven verloop bij oudere honden is dat meestal niet aan de orde. De mate waarin de hond door de kwaal wordt gehinderd, rechtvaardigt de operatie niet. Bij een jonge hond met staar ontstaat de blindheid vaak veel sneller, zodat het dier zich minder kan aanpassen. Bovendien is de last die het dier ervan ondervindt bij een jonge actieve hond veel groter. In dat geval kan een hond voor operatie verwezen worden naar een oogspecialist. Als bij controle blijkt dat het netvlies nog wel goed functioneert kan tot operatie worden besloten.
Bij deze operatie wordt de ondoorzichtige lens verwijderd. Na een geslaagde operatie kan de hond weer zien, zij het met een minder scherp beeld.

Allerlei nieuwe mogelijkheden die er voor mensen beschikbaar zijn, kunnen geleidelijk ook wel bij dieren worden toegepast. Lasertechniek en kunstlenzen zijn in principe ook bij dieren mogelijk. Het al dan niet tot operatie besluiten zal een afweging zijn van de mate waarin een dier last heeft van het slechte gezichtsvermogen en wat de operatie betekent in belasting van het dier en de portemonnee van de eigenaar.

2. Conjunctivitis

De meest voorkomende oogaandoening bij hond en kat is conjunctivitis, een ontsteking van het slijmvlies van de oogleden en soms het oogwit.

Verschijnselen:

  • roodheid en uitvloeiing (van waterig tot pus)
  • traanstrepen
  • ingedroogd materiaal in de ooghoek

Oorzaak:

De oorzaak is vaak irritatie door tocht of een tikje tegen een oog, bij het spel of in het struikgewas opgelopen. Lang niet altijd is de oorzaak op te sporen en het ene dier is gevoeliger dan het andere. Soms wordt de ontsteking veroorzaakt door een afwijking aan de oogleden, haartjes op de rand of standsafwijkingen; soms door een afwijking van het oog zelf of door onvoldoende traanproductie.
Als beide ogen ontstoken zijn kunnen ook allergieën of infectieziekten oorzaak zijn. Vooral aandoeningen van de luchtwegen, zoals niesziekte bij de kat, gaan nogal eens samen met ontstoken ogen.

Behandeling:

Zo nu en dan een slijmpropje in de ooghoek is normaal; schoonhouden is dan voldoende.
Ook een lichte conjunctivitis met alleen wat waterige uitvloeiing kan verbeteren met alleen het schoonhouden van het oog met lauw gekookt water.
Bij een langduriger lichte ontsteking of als er pus te zien is, is controle door de dierenarts nodig, zeker als er ook sprake is van zwelling van oogleden en/of het dichtknijpen van het oog. Er zal dan allicht behandeling nodig zijn met antibioticum zalf of druppels en mogelijk een specifiekere behandeling als er bijvoorbeeld een beschadiging van de oogbol of een voorwerpje in het oog geconstateerd wordt.

3. Keratoconjunctivitis Sicca (KCS)

Deze term staat voor ontsteking van oogleden en hoornvlies door “droge ogen”, onvoldoende traanproductie.

Voor een gezond oog is het nodig dat het oppervlak voortdurend vochtig gehouden wordt. Daar zorgt een aantal traanklieren voor en door het knipperen van oogleden wordt dit traanvocht over de oogbol verspreid. De vorming van onvoldoende traanvocht kan het gevolg zijn van beschadiging van de traanklier of een complicatie bij bepaalde ziekten, als gevolg van een aantal geneesmiddelen of een immuunstoornis. Sommige rassen zijn gevoeliger dan andere. Meestal ontstaat het op latere leeftijd; een enkele keer zien we het als aangeboren afwijking.Met een teststrookje kan de traanproductie gemeten worden. Als er in één minuut onvoldoende vocht door het speciale filtreerpapierstrookje wordt opgezogen weten we dat de traanproductie onvoldoende is.

Een oog met KCS is echt “vuil” (taaie pus blijft tussen de oogleden hangen). In een later stadium worden veranderingen aan het hoornvlies zichtbaar, een dof grijzig oppervlak. Als door ontsteking het hoornvlies ondoorzichtig wordt, leidt dat tot blindheid.

De behandeling van deze aandoening is intensief. De ogen moeten vele keren per dag worden schoongespoeld en ingedruppeld worden met kunsttranen. Een aantal keren per dag is een antibioticum zalf nodig. En daarnaast wordt nog gebruik gemaakt van een speciale zalf dat het vermogen heeft de traanproductie aan te zetten. Als deze zalf aanslaat kan het oog weer heel ver genezen, al is ook dan levenslange behandeling van het oog nodig om ontsteking onder controle te houden.

Oorontsteking

Oorontsteking

Oorontstekingen zijn veel voorkomende problemen bij hond en kat. De dieren schudden met hun kop, krabben aan hun oor en piepen soms van de pijn. Het oor zelf is vies, rood, warm en stinkt vaak. In de meeste gevallen is er sprake van een ontsteking van de gehoorgang. Af en toe zien we bij onze huisdieren middenoorontstekingen.

Voorkomen

Alle honden- en kattenrassen kunnen een oorontsteking krijgen. Bij honden is het wel zo dat sommige rassen hier meer last van hebben. Voorbeelden zijn Cocker Spaniels, Duitse Herders en Golden Retrievers.

Oorzaken

Bij jonge dieren en bij katten, die veel buiten komen, zijn oormijten een belangrijke oorzaak voor jeuk en oorontstekingen. Oormijten zijn kleine witte spinachtige insecten die leven van oorsmeer. Ze zijn zo klein dat ze met het blote oog moeilijk zijn waar te nemen. Ze kunnen ook hevige jeuk aan kop en hals geven, die soms zelfs na bestrijding van de mijten nog enkele weken aanhoudt. Hiernaast zijn er verschillende soorten bacteriën en gisten die ook graag in de gehoorgang leven en kunnen daar voor problemen zorgen (warm, vochtig en voedsel).

Diagnose

Een oorontsteking is niet moeilijk te herkennen. Het dier flappert met z’n oren of krabt eraan, piept soms van de pijn en houdt dan vaak ook zijn kop scheef. De binnenkant van de oorschelp is rood en vies, kan bovendien zeer onaangenaam ruiken en het oor kan veel vloeibaar oorsmeer verliezen.
Bij een middenoorontsteking kan het evenwichtsorgaan aangetast worden. Dan zijn de klachten ernstiger. Het dier loopt vaker met de kop scheef en kan evenwichtsstoornissen krijgen, loopt dan kringetjes of valt zelfs om. Bij ieder dier met een oorontsteking is goed onderzoek van belang. Met een oorkijker kijken we of er oormijten, vreemde voorwerpen, gezwelletjes of diepe infecties in de uitwendige gehoorgang zitten. Soms is aanvullend onderzoek nodig. Hierbij kunnen we denken aan een uitstrijkje of een kweek van het oorsmeer, maar ook aan röntgenfoto’s van de schedel of een scopie van de gehoorgang tot aan het trommelvlies.

Behandeling

Bij oormijt kunt u met speciale insecticide-houdende zalf en druppels stronghold in de nek een volledige genezing bekomen. Bij infecties met bacteriën of gisten zijn antibiotica of antischimmel-houdende zalven nodig. Als de gehoorgang erg vies is spoelen we eerst (eventueel onder verdoving) de oren uit. Eventueel kunnen we bij dieren die veel last hebben pijnstillers of jeuk onderdrukkende tabletten meegeven om de pijn te verlichten. Bij een middenoorontsteking is een (langdurige) behandeling met antibiotica noodzakelijk.

Dieren met steeds terugkerende of chronische ontstekingen kunnen een dichtgewoekerde gehoorgang krijgen. Op gezwellen en vreemde voorwerpen moet gecontroleerd worden. Uw dier kan door zo’n afsluiting of een beschadiging van het trommelvlies meer of minder doof zijn. We kunnen operatief deze woekeringen verwijderen. Daarbij leggen we een gedeelte van de uitwendige gehoorgang open om ruimte te krijgen. Tevens komt meer ventilatie in het oor waardoor ontstekingen drastisch verminderen. Deze operatie (Zepp) passen we ook toe bij chronische oorontstekingen. De gehele gehoorgang verwijderen we alleen in uiterste noodzaak als laatste redmiddel bij hopeloze gevallen. De hond wordt dan helaas doof.

Zalven

In de meeste gevallen zullen wij u vragen om de oren van uw dier met zalf te behandelen. Dit gaat als volgt:

Zorg dat een klein beetje zalf aan de buitenkant van het tuitje van de tube zit. Dit vergemakkelijkt het inbrengen. Het is belangrijk om de zalf in de gehoorgang zelf aan te brengen zo diep mogelijk. Dit betekent dat u het oor aantrekt omhoog en bij een kat het tuitje voor de helft en bij een grote hond helemaal in het oor steekt en dan het oor samen met de tube iets laat zakken. Knijp dan een beetje zalf uit de tube. Masseer lichtjes, de zalf verspreidt zich zelf wel door de warmte en beweging. Masseren drukt de zalf ook weer naar buiten. In de diepte zit het probleem. Maak indien nodig met een wattenprop de oorschelp schoon (geen wattenstaafjes!). Deze behandeling moet, tenzij anders voorgeschreven, dagelijks herhaald worden. De dierenarts zal een eventuele controle na de kuur aanraden.

Bij sommige honden is het dan ook verstandig om regelmatig de oren te reinigen door middel van een oorcleaner om zo ontstekingen te voorkomen.

Samenvatting

Vermoedt u bij uw dier een (midden)oorontsteking laat dan snel het dier onderzoeken. Het is een pijnlijke kwaal en de problemen kunnen soms ernstiger zijn dan u denkt.

Patellaluxatie

Patellaluxatie

Losse knieschijf

Bij een knieschijfverplaatsing (patellaluxatie) ontwricht de knieschijf. Het is een aandoening die vaak voorkomt, zowel bij grote als kleine rassen, zowel bij oude als jonge honden.

Symptoom

Bij patellaluxatie ontlast de hond die poot en hinkt af en toe met de poot. De poot wordt tijdelijk opgeheven tijdens het wandelen. Na enkele stappen schiet de knieschijf meestal weer goed en loopt de hond weer even normaal. De patellaluxatie is meestal niet erg pijnlijk.

Voorkomen

Er bestaan twee vormen: een verplaatsing van de knieschijf naar binnen of naar buiten. De meest voorkomende vorm is de patellaluxatie naar binnen toe (95%). Deze is vaak erfelijk en komt vooral voor bij kleine rassen zoals Yorkshire terrier, Chihuahua, dwergpincher enz. Problemen ontstaan vaak als de hond net volgroeid is (zes maanden oud), maar kunnen ook pas later ontstaan.

Bij de tweede vorm verplaatst de knieschijf naar buiten. Dit is eveneens vaak erfelijk van oorzaak maar komt minder vaak voor (vijf procent) en wordt vooral gezien bij grote rassen zoals Pyreneese berghond, Flatcoated Retriever enz. Dit leidt tot erge standafwijkingen en de honden hebben hier last van.

Anatomische oorzaken

Waarom ontwricht een knieschijf? Dit is meestal een gevolg van verschillende botafwijkingen (ontwikkelingsstoornissen).

De knieschijf beweegt lineair in een groeve en deze groeve kan te ondiep zijn zodat de knieschijf niet “verzonken” ligt. De ophangbanden van de knieschijf kunnen te lang zijn. De knieschijf hangt via een rechte band vast op een botuitsteeksel van het scheenbeen. Dit uitsteeksel (tuberositas) kan te veel naar binnen liggen en daardoor de knieschijf uit zijn groeve trekken. Het dijbeen en het scheenbeen horen rechtlijnig te zijn. Soms is de ontwikkelingfout zo groot dat deze botten getordeerd zijn (uiteinde gedraaid). Hierdoor ontstaat een afwijkende knie of heup.

Afhankelijk van de ernst van de afwijkingen verdelen we patellaluxatie in vier groepen. Groep één en twee geven weinig problemen en vergen geen chirurgische behandeling. Bij groep drie en vier zit de knieschijf continu verkeerd en kan de hond haast niet steunen op dit been. Hier is een chirurgische ingreep noodzakelijk.

Behandeling

Bij groep één en twee wordt vaak goed resultaat geboekt met ontstekingsremmers, injectie anabolicum (versterken van de dijspier) en juiste beweging.

Bij groep drie en vier is chirurgie noodzakelijk. Hierbij wordt de groeve van de knieschijf uitgediept en het gewrichtskapsel op gespannende aanhechting van de rechte knieband op het scheenbeen verplaatst. De botpunt wordt afgezaagd, verplaatst en met een pin in de juiste positie gefixeerd. Een extra band rondom de knieschijf aangelegd, die de knieschijf naar de juiste kant trekt.

Vaak worden meerder van deze technieken tegelijk gebruikt. Welke technieken gecombineerd worden, hangt af van de ernst van de afwijkingen, het karakter/temperament en de leeftijd van de hond.

Prognose

Voor groep één en twee is de prognose goed. Voor groep drie en vier bestaat de kans op bijkomende problemen:

De knie is erg onstabiel als de knieschijf verplaatst is. Hierdoor worden de kruisbanden overbelast en kunnen ze scheuren. Er ontstaat vaak artrose ten gevolge van de patellaluxatie. De patellaluxatie zorgt er ook vaak voor dat de kraakbeenlaag onder de patella wordt afgeschuurd. Ook dit versnelt artrosevorming. Bij zeer ernstige afwijkingen bestaat de kans dat de knieschijf zelfs na operatie nog verplaatst, waardoor een tweede operatie noodzakelijk is.

Nabehandeling

De herstelperiode duurt twee tot drie maanden. Gedurende die periode krijgt de hond lijnrust.

Sterilisatie bij de teef

Sterilisatie bij de teef

Techniek

Eigenlijk is het woord sterilisatie niet juist. Bij een sterilisatie (zoals bij de mens) worden de eierstokken afgebonden, de baarmoeder en de eierstokken worden niet verwijderd. Zou je bij een hond de eierstokken laten zitten, dan blijft de hond gewoon loops worden. Van belang is dus dat men de eierstokken verwijderd. De juiste naam voor deze operatie is eigenlijk castratie. Wanneer de baarmoeder afwijkingen vertoont wordt deze ook weggenomen. Wanneer alleen de eierstokken verwijderd worden wordt de huidwond kleiner.

Voordelen van sterilisatie

• De hond wordt niet meer loops en kan niet meer drachtig worden
• Geen risico meer op baarmoederontsteking
• Vooral bij oudere teven kan een baarmoederontsteking zorgen voor ernstige ziekteverschijnselen. Niet tijdig ingrijpen kan zelfs de dood tot gevolg hebben
• Aanzienlijk kleinere kans op melkkliertumoren later. De kans is minder dan één procent. Het maakt niet uit of ze voor of na de eerste loopsheid geopereerd wordt. De kans wordt groter als ze na de tweede loopsheid geopereerd wordt en na een leeftijd van 2½ jaar leeftijd is het voordeel verdwenen
• Minder kans op suikerziekte
• Geen schijnzwangerschap meer mogelijk

Nadelen van sterilisatie

• Vergrote kans op passief urineverlies (urine-incontinentie). Dit kan zo’n vijf procent bedragen. Vooral bij honden van grote rassen en de dwergpoedel en honden die als puppie laat zindelijk geworden zijn. Meestal kan dit met medicijnen goed behandeld worden
• Meer kans op het ontstaan van overgewicht
• Na een sterilisatie zult u meer aandacht aan het gewicht van de teef moeten besteden; vaak hebben gesteriliseerde teven als gevolg van een andere stofwisseling een grotere neiging om dik te worden. In de meeste gevallen zal de hond toe kunnen met 1/3 deel minder eten
• Soms is er sprake van karakterverandering
• Verandering van de vachtstructuur bij sommige rassen zoals Cocker Spaniel, Afghaanse windhond, New Foundlander. Neem bij twijfel contact op met uw rasvereniging

Leeftijd

Volgens de huidige inzichten van de Faculteit Diergeneeskunde te Utrecht is het beste moment om te opereren drie maanden na de eerste loopsheid omdat er dan minder kans op urine incontinentie is ten opzichte van opereren voor de eerste loopsheid. Bij opereren voor de eerste loopsheid kan er zich tevens later meer urologische problemen voordoen, zoals hardnekkige ontstekingen van de vagina en blaasontsteking.

Mocht het toch een probleem zijn dat de hond loops wordt, laat ze dan steriliseren op zes maanden leeftijd. Bij honden jonger dan `zes maanden is het narcose risico groter.

Laat een teef nooit voor de eerste loopsheid steriliseren als ze:
• Op latere leeftijd zindelijk geworden is;
• Voor de eerste loopsheid pus uit de vagina verliest.

Tevens ook geen honden die behoren tot de extra gevoelige rassen voor urine incontinentie zoals de
Rottweiler, Doberman, Ierse setter, Bouwvier, Boxer, Old English Sheepdog, Weimaraner, Reisenschnauzer en Dwergpoedel.

Nieuwe manier van steriliseren: Laparascopische sterilisatie voor honden

Deze nieuwe techniek biedt veel voordelen, is minder belastend en minder pijnlijk voor de hond. Bij mensen worden veel operaties op deze wijze gedaan (kijkoperaties), binnen de diergeneeskunde is wetenschappelijk aangetoond dat honden sneller herstellen en minder last hebben na een laparascopische sterilisatie.

De dieren hebben minder last van napijn. Ten eerste door een kleiner wondoppervlak: door slechts drie kleine sneetjes (circa 0.5 cm) in de buik gaan we met langwerpige tangen naar binnen en verwijderen zo de eierstokken. Dit kan doordat de buikholte licht wordt opgeblazen met CO2-gas zodat er ruimte ontstaat en er een duidelijk camerabeeld ontstaat. Ten tweede hoeft er niet meer aan de eierstokken getrokken te worden om ze buiten de buik te brengen. Doordat de camera in de buik zit is er precies te zien wat er in de buik gebeurt. Hierdoor is een betere controle op nabloeden. Doordat de sneetjes zo klein zijn is de kans op infectie minimaal en de hond herstelt veel sneller en zal zich de dag erna alweer de oude voelen, zelfs een onhandige kap is hierbij niet meer nodig! Zwemmen mag pas na een tien dagen als de hond op nacontrole is geweest.

De kosten van een laparascopische sterilisatie liggen hoger dan bij een normale sterilisatie omdat er specifieke apparatuur voor nodig is en een opleiding door een specialist. Laparascopische sterilisaties kunnen vooralsnog bij honden uitgevoerd worden vanaf tien kilo.

De voordelen op een rij:

  • Minder pijn: Slechts drie kleine gaatjes in de buik in plaats van een grote snede waar handen doorheen moeten kunnen. Ook minder last omdat er niet aan de eierstokken getrokken hoeft te worden en minder manipulatie van de andere buikorganen.
  • Snellere genezing: Kleinere wondjes genezen veel sneller en met minder complicaties dan één grotere wond. Door minder napijn herstelt de hond ook sneller. Minder kans op infectie: De steriliteit wordt bevordert doordat er geen handen meer in de buik gaan, slechts drie steriele instrumenten.
  • Veiliger: Doordat de operatietijd korter is en de ingreep minder pijnlijk is het dier minder lang onder narcose. Daarnaast is er door de camera een beter zicht in de buik waardoor er minder kans is op nabloedingen.

Een nadeel kan zijn dat als er tijdens de kijkoperatie blijkt dat de baarmoeder afwijkend is we toch de buik open moeten maken en de hond moeten steriliseren op de normale wijze. Dit komt doordat de gehele baarmoeder niet door een klein gaatje verwijderd kan worden.

Suikerziekte bij de hond

Suikerziekte bij de hond

Oei, mijn hond heeft suikerziekte! Wat nu?

Benno, een acht jaar oude, gecastreerde Cocker Spaniel doet het de laatste weken niet zo lekker. Hij eet wel goed, maar is wat lusteloos, drinkt veel en wordt magerder. De eigenaar vertrouwt het niet en komt bij mij op het spreekuur. Dan blijkt dat Benno suikerziekte heeft. De eigenaar kijkt me vertwijfeld aan, wat nu?

Wat is suikerziekte?

Normaal gezien worden de complexe suikers en andere koolhydraten uit het voedsel in de darmen afgebroken tot een voor het lichaam bruikbare bouw- en brandstof: glucose. Glucose wordt door het bloed vervoerd naar de cellen waarna het hormoon insuline ervoor zorgt dat de glucose door de cellen kan worden opgenomen. Als er te weinig insuline is, kan de glucose uit het bloed niet naar de cellen toe met als gevolg dat de cellen een tekort hebben aan brandstof en het glucosegehalte in het bloed gaat stijgen.

Dit teveel aan glucose in het bloed, ook wel bloedsuiker genoemd, zal worden uitgescheiden via de nieren en dus met de urine verloren gaan. Suiker in de urine trekt vocht aan, waardoor de hond meer gaat plassen. En om te zorgen dat het ontstane vocht tekort wordt aangevuld en de hond niet uitdroogt, zal het dier automatisch meer gaan drinken. Daarentegen hebben de cellen een tekort aan energie. Zij zullen andere energiebronnen gaan aanspreken, zoals vet en daarnaast zullen ze constant een signaaltje ‘honger’ afgeven. Daardoor zal de hond vermageren ondanks een hele goede eetlust. 

Hoe ontstaat suikerziekte?

Insuline wordt geproduceerd door cellen van de eilandjes van Langerhans in de alvleesklier. Wanneer die cellen kapot gaan (type één diabetes) of uitgeput raken (type twee diabetes) kunnen zij geen insuline meer produceren en ontstaat suikerziekte.

Bij de hond gaat het meestal om type één diabetes, waarbij het eigen afweersysteem de cellen van de eilandjes van Langerhans afbreken. In andere gevallen zorgen een ziekte of het gebruik van bepaalde medicijnen voor een verminderde gevoeligheid van de cellen voor insuline, waardoor de alvleesklier steeds meer moet produceren om het bloedsuikergehalte op peil te houden, maar op een gegeven moment uitgeput raakt waardoor er een absoluut tekort aan insuline ontstaat (type twee). Dit laatste type komt vaker voor bij teven dan bij reuen. Dit komt doordat de eierstokken gedurende acht-tien weken na de loopsheid progesteron produceren. Dit kan leiden tot een verhoogde productie van groeihormonen, wat een insulineresistentie tot gevolg kan hebben. Medicijnen die daarnaast een rol kunnen spelen bij het ontstaan van type twee diabetes zijn cortisonen (dexamethason of prednisolon) en medroxyprogesteronacetaat (prikpil voor de teef).

Benno

Bij Benno zijn de symptomen eigenlijk heel plotseling ontstaan zonder dat hij iets van medicijnen heeft gebruikt; vermoedelijk gaat het hier om een type 2 diabetes. Ziekte van Cushing (een overproductie van cortisonen door het lichaam zelf) kan in dit stadium echter nog niet worden uitgesloten.

Wat is er aan te doen?

Het tekort aan insuline moet dagelijks, op vaste tijdstippen, worden aangevuld. Insuline kun je niet in een tabletje geven, maar zal dagelijks moeten worden ingespoten. Dit lijkt heel erg eng, maar valt in de praktijk heel goed mee.

Daarnaast moet een eventuele onderliggende oorzaak behandeld worden; teven moeten gesteriliseerd worden en het gebruik van prednison moet zoveel mogelijk worden afgebouwd (en gestopt).

De hoeveelheid insuline die de hond moet krijgen is individueel verschillend en is afhankelijk van onder meer het gewicht van het dier en de hoeveelheid beweging en voeding die hij of zij krijgt. De dierenarts zal aan de hand van het gewicht van de hond en het bloedglucosegehalte een bepaalde ‘startdosis’ uitrekenen. Door daarna op vaste tijden het bloedglucosegehalte te meten, wordt gekeken of deze dosis moet worden aangepast. Het duurt meestal wel een aantal weken voordat de juiste dosis gevonden is.

VetPen

Voor het injecteren van de insuline kunt u gebruik maken van de VetPen. Dit is een insulinepen die speciaal ontworpen is voor huisdieren met diabetes, om de controle van de ziekte te vergemakkelijken. In de humane geneeskunde worden insulinepennen al geruime tijd gebruikt. De VetPen is de eerste diergeneeskundige pen die exclusief ontworpen is voor gebruik van insuline bij hond en kat. Voordien konden enkel flacons met spuiten en naalden gebruikt worden voor het toedienen van insuline aan huisdieren, wat voor sommige eigenaren moeilijk en beangstigend was.

De gebruiksvriendelijke VetPen maakt het mogelijk om bij elke injectie een juiste dosis insuline toe te dienen. Spuiten met naalden hoeven dus niet meer gebruikt te worden. Nadat de VetPen voorbereid is, kan -met een eenvoudige draai aan de doseerknop- de gewenste dosis ingesteld worden. Dan wordt de zeer kleine en dunne naald, voorzien van een speciale coating, onder de huid van de hond ingebracht en wordt de insuline geïnjecteerd door een druk op de ontspanner. Dit eenvoudig proces verhoogt de nauwkeurigheid en vermindert de kans op doseringsfouten of luchtbellen.

Benno

Bij Benno zijn we begonnen met een dosis van 2x daags 4IE (insuline eenheden). Na enkele weken staan we uiteindelijk op twee keer daags 5,5 IE. De bloedsuiker en het gewicht van Benno zijn nu stabiel en de eigenaar merkt dat hij veel fitter en vrolijker is en niet meer zoveel drinkt en plast. Het geven van de insuline valt haar heel goed mee. ‘Een pilletje geven kan bij Benno nogal een ramp zijn, maar van het prikje merkt hij helemaal niks; hij geeft geen kik’.

Wat kan ik voor de toekomst verwachten? 

Een hond met suikerziekte kan, mits met dagelijkse insuline en een regelmatig leefpatroon, een vrijwel normaal leven leiden. De levensverwachting van een hond met suikerziekte is dan ook vergelijkbaar met die van een gezonde hond. Er zijn echter wel een aantal complicaties waar u rekening mee moet houden.

Hypoglycemie

De belangrijkste complicatie is hypoglycemie of een te laag bloedsuikergehalte. Dit ontstaat doordat er ‘relatief’ gezien teveel insuline is gegeven, bijvoorbeeld doordat de hond veel minder gegeten heeft dan anders, of plots veel meer glucose verbruikt heeft door een grote inspanning. De symptomen hiervan zijn vaak honger, sloom zijn en trillen, maar kunnen eindigen in een epileptische aanval en coma, wat levensbedreigend is. In zo’n geval moet u de hond zo snel mogelijk iets te eten aanbieden, maar als hij daar niet meer toe in staat is, zult u zelf iets zoets (druivensuiker, honing) op het mondslijmvlies moeten wrijven en daarna zo snel mogelijk contact opnemen met uw dierenarts.

Cataract

Een ander veel voorkomende complicatie bij de hond is cataract, ofwel staar. Dit ontstaat doordat het hoge glucosegehalte in het bloed ook leidt tot meer glucose in de lens. Dit wordt na verloop van tijd omgezet in sorbitol en fructose (twee andere suikers). Sorbitol trekt water aan, waardoor de vezels van de lens kapot gaan, de lens vertroebelt en de hond blind wordt. Bij honden met suikerziekte gaat dit proces redelijk snel, waardoor honden in het begin vaak wat moeite hebben met hun handicap. De meeste honden leren hier echter wel mee leven, maar anders is het mogelijk om de vertroebelde lens operatief te verwijderen.

Benno

We zijn nu enkele maanden verder en met Benno gaat het heel goed. Hij is weer de hond zoals hij was voordat hij suikerziekte kreeg en de eigenaren zijn zeer tevreden. Het geven van insuline is een dagelijkse routine geworden, en ze zijn zelfs zover dat ze tegenwoordig ook Benno zijn bloedsuiker zelf meten. ‘Hij weet dat hij daarna een koekje krijgt, dus hij gaat er echt voor zitten en van het prikje in zijn lip voelt hij gelukkig nauwelijks iets.’ De waarde die ze meten, bellen ze naar mij door en ik pas indien nodig de dosis insuline aan. De eigenaren voelen zich hiermee zekerder en hoeven niet meer zo vaak met Benno naar de praktijk te komen, wat hem veel stress bespaart

Vaccineren

Vaccineren

Waarom en wanneer vaccineer ik mijn huisdier

Het vaccineren of inenten tegen bepaalde ziekteverwekkers wordt voornamelijk gedaan uit het oogmerk van preventie, om te beschermen tegen die bepaalde ziekte en om verspreiding ervan tegen te gaan. We enten daarom vooral tegen virussen en bacteriën die na besmetting zonder tijdige behandeling een dodelijke afloop ten gevolge kunnen hebben.

Door het vaccineren wordt er een “immunologisch geheugen” aangemaakt. De entvloeistof bevat verzwakte of gedode ziekteverwekkers, die niet meer ziek kunnen maken, maar die het afweersysteem wel een seintje geven dat hier weerstand tegen opgebouwd moet worden. Dit wakker schudden van het immuunsysteem zorgt voor de productie van antistoffen. Komt het lichaam op een later tijdstip daadwerkelijk in contact met het bewuste virus of de bacterie waartegen gevaccineerd is, dan staat het afweersysteem direct paraat om te reageren en “terug te vechten” tegen de infectie.

Waarom moet ik mijn huisdier eigenlijk laten inenten

De meeste vaccins zijn gericht tegen virussen. Een virus is niets anders dan een stukje erfelijk materiaal met een kapsel erom. Ze hebben cellen van levende wezens, gastheren genoemd, nodig om zich in te vermenigvuldigen, waarbij die gastheercellen in de regel afsterven. Welke ziekteverschijnselen het virus veroorzaakt, en hoe ernstig deze zijn, hangt af van de plaats in het lichaam waar het virus zich het liefst in vermenigvuldigt.

Is uw huisdier eenmaal besmet besmet met een virusinfectie, dan zijn er in de regel geen specifiek tegen virusgerichte medicijnen beschikbaar om het dier te behandelen. Dit in tegenstelling tot bacteriële infecties, waarvoor antibiotica bestaan. De behandeling zal bestaan uit het onderdrukken, verlichten en het bestrijden van de symptomen, de ziekteverschijnselen die optreden ten gevolge van de virusinfectie zoals bijv. koorts, luchtwegproblemen, braken en diarree. Tevens zal geprobeerd worden het dier zo goed mogelijk te ondersteunen met bijv. het toedienen van vocht.

Een dier met een virusinfectie laat men dus uitzieken, hij moet de opgelopen virusinfectie doormaken en doorstaan. De virussen waartegen gevaccineerd wordt zijn meestal dusdanig levensbedreigend dat zelfs wanneer een dier de infectie overleeft, er levenslang restverschijnselen overblijven. Daarom is voorkomen beter dan genezen.

Waarom worden sommige huisdieren niet ziek terwijl ze niet (of onregelmatig) ingeënt zijn?

In Nederland zijn gelukkig bijna alle huisdiereigenaren erg betrokken bij hun dier, zijn ze goed voorgelicht, is de levensstandaard relatief hoog, zijn er meer dan genoeg dierenartsen op kleine afstand van de woonplek, bestaan er zelfs verzekeringen voor huisdieren en bezoeken huisdiereigenaren met enige regelmaat een dierenartsenpraktijk. Hierdoor zijn bijna alle huisdieren in ons land wel goed ingeënt. De eigenaren van niet-gevaccineerde dieren profiteren dan ook eigenlijk van het goede gedrag van de meerderheid.

Desalniettemin komt het helaas maar al te vaak voor dat niet ingeënte huisdieren wel ziek worden, en soms zelfs overlijden. De kans dat een niet-gevaccineerde dier ziek wordt, hangt samen met het risico op besmetting. Omdat we in ons land meer dan vijf miljoen huisdieren hebben en we dicht op elkaar wonen, kunnen we regelmatig contact tussen onze huisdieren met andere dieren niet vermijden en is het belangrijk uw dier regelmatig te laten vaccineren.

Doordat wij onze huisdieren in ons land zo netjes en regelmatig laten vaccineren, komen de meest levensbedreigende ziektekiemen niet meer op grote schaal voor. Maar wanneer eigenaren daardoor zouden besluiten dat inenten niet meer zo belangrijk is, lopen we de kans dat in de loop der tijd het voorkomen van die ziekteverwekkers, bijv. door insleep uit het buitenland of verspreiding binnen de landsgrenzen, wederom toeneemt, met alle gevolgen van dien.

Wanneer moet ik mijn huisdier laten inenten

Om de optimale effectiviteit te halen uit de vaccinatie, is het het het beste alleen gezonde dieren te enten. Voor een goede weerstandsopbouw en een goede productie van antistoffen is het noodzakelijk dat het afweersysteem optimaal werkt. Ziekte, een worminfectie en/of verkeerde voeding kunnen de vaccinatie minder goed laten aanslaan. Het is dan ook van belang om in ieder geval enkele weken voor het inenten uw huisdier te ontwormen.

Bij het inenten van zieke dieren is er, behalve de verminderde weerstandsopbouw tegen de ziekte waartegen geënt wordt, nog het risico op een zgn. entreactie. Een entreactie betekent het ontstaan van lichte ziekteverschijnselen van de ziekte waartegen geënt wordt. Omdat het afweerapparaat al druk bezig is met het overwinnen van de ziekte die het dier al onder de leden heeft, krijgen de extra ingespoten ziekteverwekkers ook een kans om aan te slaan. En dat is natuurlijk niet de bedoeling. Het kan echter zijn dat uw huisdier een bepaalde aandoening die niet van invloed hoeft te zijn op de inenting, of dat uw dier een chronische aandoening heeft waartegen hij al gedurende enige tijd wordt behandeld. In dergelijke gevallen kan de dierenarts besluiten toch te vaccineren. Dit dient u met uw dierenarts te overleggen.

Na de vaccinatie bouwt het dier zelf weerstand op door middel van de vorming van antistoffen (antilichamen). Deze opgebouwde bescherming neemt in de loop van de tijd langzaam af. Het is wel zo dat geen enkele inenting 100% bescherming geeft. Er zullen altijd dieren zijn die na een inenting een minder goede weerstand opbouwen.

Bovendien is de weerstandsopbouw na vaccinatie bij verschillende ziekten niet even goed of langdurig. Er zijn inentingen die jaarlijks herhaald moeten worden (bij honden ziekte van Weil en Kennelhoest; bij katten Niesziekte), maar er bestaan ook vaccinaties die maar één maal in de twee of drie jaar gegeven hoeven te worden (bij honden Hondenziekte, Parvo, Besmettelijke Leverziekte, Rabiës; bij katten Kattenziekte).

Verder zijn er aanwijzingen dat er bij honden rasverschillen zouden kunnen bestaan. De “black and tan” rassen (zoals de Dobermann, de Rottweiler en de Duitse Herder) zouden gevoeliger zijn voor Parvo-virus dan andere rassen.

Daarnaast is het logischerwijs aan te nemen dat hele oude dieren hun weerstand minder goed op peil kunnen houden waardoor de enting minder effectief aanslaat of het risico geeft op een “entreactie”.

Vanwege de omstandigheden waaronder onze huisdieren leven (bijvoorbeeld het intensieve contact met andere dieren en hun uitwerpselen) en bovengenoemde redenen, is het zinvol uw huisdieren levenslang en regelmatig te vaccineren, om de afweer op peil te houden.

Een goed begin is het halve werk

Voor een goede start wordt er begonnen met enten op jonge leeftijd. Bij hele jonge dieren is het afweersysteem nog in opbouw, maar wanneer het moederdier gevaccineerd is krijgen ze reeds in de baarmoeder via de placenta antistoffen en na de geboorte kunnen ze ook nog enige tijd via de moedermelk (biest) antistoffen opnemen via de darmen. Op deze manier zijn ze dus tijdelijk beschermd. Naarmate de tijd verstrijkt wordt het gehalte aan antistoffen in de melk minder en bovendien gaan de jonge dieren steeds minder drinken en meer vast voedsel eten. Hierdoor loopt de bescherming door maternale immuniteit af en is het tijdstip aangebroken dat de dieren zelf afweer kunnen en moeten gaan opbouwen. Voor pups is dit op een leeftijd vanaf 6 weken, voor kittens houden we een leeftijd van negen weken aan.

Inenten op een leeftijd vroeger dan de aangegeven zes of negen weken kan ervoor zorgen dat de antistoffen die de jonge dieren van hun moeder gekregen hebben, reageren op de ziekteverwekkers in het vaccin en ze onschadelijk maken. Het afweersysteem van het jonge dier kan niet meer wakker worden geschud, de maternale antistoffen storen dus de eigen weerstandsopbouw na vaccinatie en het dier is niet beschermd.

De meeste jonge dieren komen voordat ze twaalf weken oud zijn in contact met andere dieren, dat is voor de socialisatie namelijk heel belangrijk. Omdat niet alle dieren gezond zijn en er ook ruim gesnuffeld wordt aan elkaars ontlasting, waarin de meeste ziekteverwekkers uitgescheiden worden, is het verstandig ruim voor de twaalf weken te vaccineren.

Entschema’s

Entschema voor de hond:

  • Zes weken: Puppy enting ( Hondenziekte en Parvo)
  • Negen weken: Parvo/Weil enting en evt. Kennelhoest (afh. van noodzaak)
  • Twaalf weken: Cocktail-enting, opgebouwd uit Hondenziekte, Parvo,
  • Weil, Paraïnfluenza en Leverziekte (HCC)
  • É​én jaar: Cocktail-enting

Hierna wordt er een alternerend entschema gevolgd. Op twee en drie jaar de Ziekte van Weil, op vier jaar de Cocktail, op vijf en zes jaar Weil, op zeven jaar de Cocktail enzovoorts…. Voor Hondenziekte, Leverziekte en Parvo geldt namelijk een beschermingsduur van drie jaar. De bescherming tegen de ziekte van Weil moet jaarlijks, bescherming duurt maximaal een jaar. Ook de kennelhoestenting moet jaarlijks herhaald worden.

Entschema voor de kat:

  • Negen weken: Niesziekte, Kattenziekte
  • Twaalf weken: Niesziekte, Kattenziekte
  • É​én jaar later: Niesziekte, Kattenziekte

Hierna wordt er een alternerend entschema gevolgd. Niesziekte ieder jaar, Kattenziekte eens in de drie jaar.

Ziekte van Weil

Ziekte van Weil

Nieuw vaccin tegen de ziekte van Weil (leptospirose)

Er is een nieuw vaccin beschikbaar die tegen meer stammen van de ziekte van Weil (leptospirose) beschermt.

De ziekte van Weil wordt veroorzaakt door leptospiren, micro-organismen, die overal voorkomen en ook mensen kunnen infecteren. Leptospiren zijn er in vele variaties (serogroepen genaamd). Tot voor kort veroorzaakten vooral de twee serogroepen canicola en icteohaemorrhagiae ziektegevallen in West-Europa. De huidige vaccins beschermen uitstekend tegen deze twee varianten. Echter steeds vaker worden er ook twee andere varianten in West-Europa aangetroffen behorend tot de groep serogroepen australis en grippotyphosa.

Om bescherming te bieden tegen deze nieuwe serogroepen van letospirose is er een nu een nieuw vaccin beschikbaar. Honden krijgen voor het eerst te maken met de twee nieuwe stammen vandaar dat deze enting ,als deze voor de eerste keer toegediend wordt, na vier weken herhaald (geboosterd) moet worden om voldoende antistoffen te kunnen vormen. Hierna komt u weer voor de jaarlijkse vaccin.

Voor meer informatie over leptospirose kunt u kijken op www.leptospirose.nl. Als u vragen heeft heeft over het nieuwe leptospirosevaccin kunt u zich wenden tot onze assistentes.

Kat
Terug naar boven
Knaagdier
Konijn