Infotheek - documentatie
Hieronder vindt u alle informatie uit de infotheek..
Anaalklierproblemen bij hond en kat
Anaalklierproblemen bij de hond en kat
De anaalklieren zijn twee kleine geurkliertjes die in de sluitspier van de anus ingebed liggen. Bij de voorouders van onze honden (wolven) gaven ze de ontlasting een speciaal geurtje. Hiermee werd het territorium afgebakend. Bij onze huishonden is deze functie grotendeels verloren gegaan. De kliertjes zijn er nog wel en kunnen voor veel overlast zorgen door overvuld of ontstoken te raken.
Voorkomen
Anaalklier problemen zien we vaker bij bepaalde rassen optreden. Voorbeelden zijn Cocker Spaniels, Golden Retrievers, Pinschers, Duitse herders en Terriërs.
Klachten
Honden kunnen zelf niet bij hun anaalklieren. Als de kliertjes overvuld of ontstoken zijn gaan ze in de omgeving (rond de staart) zitten likken en bijten, soms tot bloedens toe. Ook het zogenaamde sleetje rijden is een poging van de hond om van de irritatie en jeuk af te komen. De hond schuift hierbij met z'n achterste plat over de grond, vaak met de achterpoten omhoog.
Een ander probleem is het anaalklierabces (steenpuist). Hierbij is een ontsteking ontstaan in de anaalklier en is het kliertje gevuld met pus. Dit baant zich vervolgens een weg naar buiten toe . Als het abces nog niet doorgebroken is ziet u naast de anus een zeer pijnlijke zwelling, is het wel doorgebroken dan ziet u naast de anus een klein gaatje waar bloed en etter uitkomt (een fistel).
Diagnose
Heeft uw hond jeuk bij zijn staartwortel, rijdt hij sleetje of ziet u een vreemde zwelling bij zijn anus, dan is de kans groot dat er iets mis is met z'n anaalklieren en is een bezoek aan uw dierenarts aan te raden.
Uw dierenarts zal eerst kijken of er misschien nog andere oorzaken zijn voor de klachten (lintwormen, vlooien) en vervolgens de anaalklieren van de hond bevoelen. Aangezien de kliertjes in de sluitspier zitten betekent dit dat hij de hond rectaal zal moeten onderzoeken. Met een vinger in de anus wordt de anaalklier opgezocht en indien nodig leeggedrukt. Dit is voor de hond onaangenaam, maar alleen bij een ontsteking echt pijnlijk. Het stinkt wel!!
Behandeling
In de meeste gevallen is het voldoende als uw dierenarts de kliertjes leegdrukt, maar in enkele gevallen is verdere behandeling noodzakelijk. Als de anaalklier ontstoken is, zal hij uw dier een penicilline kuur voorschrijven, eventueel aangevuld met medicijnen om de jeuk en irritatie de kop in te drukken.
Anaalklierabcessen worden geopend en uitgespoeld, maar dit is meestal zo pijnlijk dat de hond een roesje krijgt. Ook hier wordt met penicilline nabehandeld om de ontsteking weg te krijgen.
Bij sommige dieren helpt het leeg drukken van de kliertjes maar heel kort. Na enkele weken zijn ze weer vol en beginnen de problemen opnieuw. In deze gevallen is het verstandig om de klieren operatief weg te nemen, de hond is dan definitief van de problemen af.
Operatie
Zoals gezegd is het mogelijk om de klieren operatief te verwijderen. De hond wordt verdoofd, de haren om de anus worden weggeschoren en de anaalklieren leeggedrukt. De kliertjes worden gevuld met een kunsthars om ze tijdens de operatie makkelijker terug te vinden. Naast de anus wordt een klein sneetje gemaakt en de anaalklier wordt uit de sluitspier gepeld en verwijderd. Vervolgens wordt de wond gehecht. De andere klier wordt op dezelfde wijze behandeld.
De sluitspier mag niet worden beschadigd, want dit kan leiden tot incontinentie (het niet meer op kunnen houden van ontlasting).
Samenvatting
Anaalklierproblemen komen vaak bij honden voor. Meestal is er sprake van jeuk in de buurt van de staart. De problemen zijn goed te behandelen, maar in hardnekkige gevallen kan een operatie de aangewezen weg zijn.
Angst bij dieren
Angst
Angst kan zich als volgt uiten:
- Houding: Uw huisdier maakt zich klein, om niet op te vallen. Oren liggen vaak plat in de nek, lichaam vlak boven de grond, lange mondhoeken, hijgen, grote pupillen, trillen en staart tussen poten. Eventueel kan het dier ook gaan piepen of janken.
- Geen eetlust: Uw huisdier eet alleen als hij/zij zich veilig voelt. Eventueel kan uw huisdier gaan speekselen.
- Ontlasten: Uw huisdier kan plotseling in huis plassen of poepen. Dit is geen onzindelijkheid. Uw huisdier kan ook ineens last hebben van diarree.
- Vluchtgedrag: Uw huisdier wil vluchten of niet mee naar buiten. Zorg ervoor dat de halsband niet te los of te strak zit en de lijn goed bevestigd is. Zorg er binnen voor dat uw huisdier zich niet kan opsluiten in donkere ruimtes zoals een kledingkast.
- Aandacht vragen: Uw huisdier zoekt steun bij u of uw huisgenoten, dit wordt vaak beloond door aandacht of een aai te geven.
- Thuis blijven: Het kan zijn dat uw huisdier ineens ander gedrag toont wanneer hij/zij alleen thuis moet blijven. Bij Oud en Nieuw adviseren wij dan ook om thuis te blijven of uw huisdier mee te nemen.
Zijn één of meerdere punten herkenbaar, dan kan er sprake zijn van angst bij uw huisdier. Ieder dier vertoont angst, maar is het echter zo erg dat hij of zij niet meer normaal kan leven, dan wordt het een probleem. U zult er iets aan moeten doen.
Wat is uw rol daarbij?
Bij de opvoeding van de hond belonen we het goede gedrag en negeren we het ongewenste gedrag. Op het moment dat uw huisdier ongewenst gedrag vertoont, zorg er dan voor dat u geen aandacht geeft of oogcontact met uw huisdier maakt. Immers is negatieve aandacht, bijvoorbeeld straffen, voor uw hond ook een manier om alsnog aandacht op te eisen.
Bent u zelf in meer of mindere mate bang en u schrikt bij iedere knal, dan wordt het wel moeilijk om het "goede" voorbeeld te geven. Het beste wat u kan doen, is dat zelf erkennen en de passende maatregelen te nemen, zie onder belangrijk verderop.
Wat kunt u doen?
Deskundige hulp inroepen van een gedragstherapeut. Vaak kunnen dieren ook bang worden voor andere geluiden of situaties. Dan is gedragstherapie vaak een oplossing. Rust en veiligheid koppelen aan bepaalde muziek, mandje, deken of bench. Er zijn CD's met "schrikgeluiden" om uw dier ongevoelig hiervoor te maken. U kunt zelf de hond trainen in een periode dat de angstprikkel niet aanwezig is. Bijvoorbeeld voor vuurwerkangst.
Wat moet u niet doen
Straffen of laten vluchten, dat is toegeven en zelfbeloning, bovendien lopen uw huisdier en mensen die er niets mee maken hebben gevaar, bv door een aanrijding. Uw huisdier begripvol toespreken, is bevestigen. Uw huisdier alleen thuis laten tijdens Oud en Nieuw.
Vuurwerkangst
Het knallen begint vaak al vroeger in het jaar dan dat wettelijk mag. Daarom kunt u beter vroeg in het jaar beginnen met uw huisdier te laten wennen aan het knallen, dit doet u door het angstgedrag niet te bevestigen en een positieve koppeling te maken aan het vuurwerkgeluid.
Eventueel kunt u de gedragstraining ondersteunen met bepaalde medicatie.
Medicatie op langer termijn (minimaal 1 maand van te voren)
- Adaptil (DAP) of Feliway: Verdamper, spray of halsband voor hond en kat. Door het verspreiden van feromonen (rustgevende reukstoffen) wordt het stressniveau van uw huisdier beperkt. Deze stof wordt ook bij de geboorte door de teef of poes aan de puppy's of kittens gegeven door middel van de moedermelk. Hierdoor blijven ze rustig en staan ze open voor nieuwe prikkels van buitenaf. Tevens is het ook te adviseren bij verhuizen, nieuw huisgenootje of gezinsuitbreiding.
TIP: Laat de verdamper ook in het stopcontact als het dier rustig is, dan kan het de geur koppelen aan rust.
- Telizen: Telizen is een rustgevend voedingssuplement met de werkzame stof L-Theanine en kan zowel bij katten als honden gebruikt worden. Het verminderd gedrag geassocieerd met angst of stress, helpt het dier kalmeren en bevordert de ontspanning zonder bijwerkingen (zoals slaperigheid).
- Zylkène: Zylkene is een voedingssuplement met als werkzame stof caseïnehydrolysaat, een actief eiwit in de moedermelk, die verantwoordelijk is voor de ontspanning bij de borstvoeding van puppy's en kittens. Door deze werking is het goed te gebruiken als ondersteuning voorafgaand aan een angst- of stressperiode.
- Homeopathie: Mocht u liever homeopatische middelen willen gebruiken als ondersteuning, dan is dat ook mogelijk. Dierenarts Connie Verweij is namelijk homeopatisch specialist. Eventuele middelen die u kunt gebruiken zijn: Puur Nervositeit in combinatie met Bach-rescue en Phytonics Strezz.
- Thundershirt: Door het gevoel van constante druk met name op de borst, schouders en borstkas, kan de stress verminderd worden en het vluchtgedrag voorkomen worden. De werking is te vergelijken met het inbakeren van baby's. In Amerika wordt het ook gebruikt voor andere gedragsproblemen zoals bijvoorbeeld: Trekken aan de riem, angst voor reizen en moeite met alleen thuisblijven. Zie: www.thundershirt.com
- Alprazolam: Recent onderzoek door Dhr. Overall en Dhr. Dodman heeft aangetoond dat de welbekende pillen (acepromazine) waar de dieren zo sloom van worden, wel de reactie uitschakelen, maar niet het gehoor. Het dier hoort alles, soms zelfs nog versterkt maar kunnen niet reageren. Ze zijn als het ware opgesloten in hun eigen lichaam. Gevolg is dat ze ieder jaar banger worden en het gedrag alleen maar verergerd.
Alprazolam is een beter alternatief, het werkt snel, verminderd angst, maar maakt het dier niet slaperig, pas in hogere doseringen is het slaapverwekkend. Dit wordt door de Universiteitskliniek in Utrecht geadviseerd.
Nadeel is echter dat het kort werkzaam is, gemiddeld maar 2 uur, zodat vaak 2 of meer dosissen nodig zijn. Alprazolam kan uitsluitend op recept van de dierenarts worden meegegeven.
Belangrijk!!
Bent u zelf in meer of mindere mate bang voor vuurwerk of schrikt u zelf van iedere knal, dan kunt u natuurlijk niet goed reageren op het angstgedrag van uw huisdier. Probeer dan in de aanloopperiode naar oudejaarsavond zo goed mogelijk uw huisdier te begeleiden met rustcompositum en op oudejaarsdag uw hond of kat de juiste medicatie te geven en thuis te laten. Laat uw dier nooit alleen. Eventuele tips voor Oudjaarsavond zelf:
- Door de radio of TV aan te zetten kunt u daarbij zorgen dat het dier minder reageert op het geluid van buiten.
- Ga nooit met een angstig dier de straat op om elkaar Gelukkig Nieuwjaar te wensen.
- December is een gezellig maand met een knallend eindfeest, laat uw huisdier daarin mee genieten!
Blaasproblemen bij katten
Blaasproblemen bij de kat
Bij poezen, zowel gesteriliseerde als niet gesteriliseerde, is het meest voorkomende probleem: de blaasontsteking. De verschijnselen hiervan zijn dat de kat vaak en langdurig naar de bak moet, hierbij klagelijk miauwt, terwijl maar een heel klein plasje wordt geproduceerd.
Wanneer de klachten wat langer bestaan kan er ook wat bloed bij de plas zitten, afkomstig van de ontstoken blaaswand.
Oorzaken
Blaasontstekingen kunnen verschillende oorzaken hebben.
De meest voorkomende oorzaak is een infectie, maar ook blaasstenen of zelfs gezwellen van de blaas kunnen tot dit soort klachten leiden. Het is daarom raadzaam wanneer u een blaasontsteking vermoedt bij uw kat, contact op te nemen met uw dierenarts en urine langsbrengt. Alleen die kan beoordelen of er sprake is van een infectie of dat er meer aan de hand is. Soms is een speciaal blaas/nierdieet voldoende om de klachten snel te verhelpen, maar soms is verder onderzoek nodig. We kunnen hierbij denken aan echoscopie van de blaas, een contrast-röntgenfoto van de blaas of blaaspunctie´s.
Blaasproblemen bij de (ex) kater
Ook bij katers zien we regelmatig blaasontstekingen, de verschijnselen zijn hetzelfde als bij de poes.
Een apart probleem vormen de zogenaamde "plas" katers. Het zijn zowel gecastreerde als niet gecastreerde katers die gruis in hun urine vormen. Het zijn in feite hele kleine blaassteentjes.
Bij katers en ex-katers is het laatste deel van de plasbuis erg nauw. Vormt de kater gruis in zijn urine, dan kan dit de plasbuis doen verstoppen. Het gevolg is dat de kater zijn plas niet meer kwijt kan, de blaas overvuld raakt en de nieren het lichaam niet meer zuiveren van afvalstoffen. Kortom, de kater krijgt een bloedvergiftiging die binnen 48 uur dodelijk kan zijn!
U begrijpt dat dit uiteraard een spoedgeval is dat direct door een dierenarts behandeld dient te worden. Hij zal trachten de verstopping op te heffen door de plasbuis te spoelen. Valt de plasbuis niet door te spoelen of heeft de kat regelmatig een verstopping van de plasbuis, dan zal de kat worden de penis worden geamputeerd volgens een succesvolle methode, hier in onze dierenkliniek Ridderkerk ontwikkeld.
Om herhaling te voorkomen is vaak naast een antibioticumkuur een speciaal dieetvoer nodig. Dit voer gaat de vorming van gruis tegen en bevat tevens stoffen die al gevormd gruis weer oplossen.
Samenvatting
Vermoedt u bij uw poes of kater een blaasontsteking, neem dan snel contact op met uw dierenarts. Zeker bij een verstopte kater kan uitstel dodelijk zijn!
Bloed... de spiegel van het lichaam van uw huisdier
Bloed, de spiegel van het lichaam
In ons modern laboratorium kunnen de meeste bloed, urine en ontlastingonderzoeken plaatsvinden op een snelle manier, zodat u dezelfde dag nog uitslag krijgt.
Waarom laboratoriumonderzoek?
U bent met uw huisdier bij de dierenarts geweest, meestal omdat er bepaalde klachten bestonden en u wilt samen met de dierenarts graag de oorzaak weten. Is uw dier ziek of valt het wel mee? Of wordt ie al voor iets behandeld en wil de dierenarts graag weten of de behandeling aanslaat?
Met een bloedonderzoek kun je:
- Ziekten vaststellen of uitsluiten
- Het verloop van een ziekte volgen
- Het succes van een behandeling vaststellen
- Ziekten helpen voorkomen.
Ziek of gezond?
"Het bloed is gelukkig goed", wordt vaak gezegd als de dokter de resultaten van het onderzoek heeft meegedeeld. Bloed noemen we daarom graag 'de spiegel van het lichaam'. Het bevat de bloedcellen en vervoert de voedingsstoffen, bouwstoffen en afvalstoffen. De samenstelling van het bloed geeft dus aan hoe het met de conditie is gesteld van de belangrijke organen in het lichaam. Toch kan bloedonderzoek niet altijd aangeven of uw huisdier al dan niet gezond is.
Bij sommige ziekten geeft bloedonderzoek soms geen enkele afwijking. Het is dus onzin om 'zomaar' bloedonderzoek te doen. Laat het daarom aan de dierenarts over al dan niet in overleg met een specialist, om hiertoe te besluiten.
De uitslag
De uitslag van het bloedonderzoek zegt alleen iets in combinatie met de ziektegeschiedenis en de uitslagen van eventueel ander onderzoek, zoals röntgenfoto's, buikonderzoek, onderzoek van de urine , speeksel en ontlasting, huidonderzoek, etc.
Onze kliniek kan direct bloedonderzoek doen, zodat meteen getest kan worden op suiker in bloed en urine, werking van de nieren en/of lever etc.
Meer weten? Vraag het uw dierenarts!
Castratie bij de hond
Castratie bij de reu
Er zijn diverse redenen om een reu te castreren. De meest voorkomende is dat een reu gemakkelijk weg zal lopen wanneer hij eenmaal de geur van een loopse teef in de neus heeft gehad en wanneer er prostaatproblemen zijn.
Wanneer een castratie?
Het liefst castreren we wanneer de hond is uitgegroeid, dus afhankelijk van het ras tussen de 9 en 14 maanden. De operatie is vrij eenvoudig en normaal gesproken zal er weinig nazorg nodig zijn. In tegenstelling tot vele andere operaties krijgt de hond geen kap om.
De prostaat
Vaak is bij jonge reuen de prostaat al een probleem. De prostaat kan te groot worden door een ontsteking of tumor. Dit alles gebeurt onder invloed van hormonen uit de bijbal. Door hormonen te spuiten, kan dit tegengegaan worden, dit is de zgn. hormonale of chemische castratie en deze moet iedere 4 tot 5 maanden herhaald worden. Wij zijn een voorstander van een chirurgische castratie bij aanhoudende prostaatproblemen. In tegenstelling tot de mens - waarbij prostaatklachten juist op oudere leeftijd voorkomen - zien we prostaatvergroting bij de hond al vanaf zeer jonge leeftijd. De klachten die ontstaan door de prostaatvergroting, nemen in de regel 2 - 3 weken na de (chemische) castratie af.
Chemische castratie
Het Suprelorin® implantaat is een chemische castratie voor honden en fretten.
Het Suprelorin® implantaat wordt net als een identificatie chip onderhuids aangebracht door middel van een injectie.
De implantaat bevat een stof die de afgifte van LH en FSH uit de hypofyse remt waardoor de testikels binnen 14 dagen vrijwel geheel stoppen met de productie van testosteron. Het effect houdt minimaal een half jaar aan.
Het product heeft geen bijwerkingen en het implantaat lost vanzelf volledig op.
Chemische castratie kan voor diverse redenen geadviseerd worden:
- Proeftherapie om vast te stellen of chirurgische castratie zinvol is bij gedragsproblemen.
- Tijdelijk onvruchtbaar maken van een reu (onvruchtbaarheid na 6 weken)
- Oude dieren met prostaatproblemen of testosteron afhankelijke tumoren rond de anus.
Voor meer vragen en/of informatie kunt u altijd bij ons terecht.
Chippen
Chippen: Een diervriendelijke identificatiemethode
Identificatie
Sinds 1 januari 2002 is het in Nederland niet meer toegestaan dieren te tatoeëren. Tatoeëren is een vrij pijnlijke manier om een identificatie bij een dier aan te brengen. In Nederland werd in de oren een cijfer- en lettercode aangebracht waarmee achterhaald kon worden wie de eigenaar van het betreffende dier was. Een nadeel van de tatoeage is dat deze naar verloop van tijd slecht of niet meer leesbaar kan worden.
Andere methoden van identificatie, zoals een halsbandje met de gegevens erop of een naamkokertje kunnen worden verloren en zijn niet fraudebestendig.
Tegenwoordig bestaat er een unieke methode van identificatie: een electronische identificatie door middel van een chip. Deze methode is wel fraudebestendig.
De chip
De chip is een gesloten buisje van bioglas. Hierin zit een microchip en een klein spoeltje dat als een soort antenne dienst doet. De chip is klein: 13,4 mm lang en 2 mm in doorsnede, ongeveer net zo groot als een rijstekorrel. Het bioglas zorgt ervoor dat de chip in het weefsel vastgroeit en niet wordt afgestoten. In de chip is een unieke 15-cijferige code opgeslagen. Deze is fraudebestendig, want hij kan niet worden veranderd.
Het aanbrengen van de chip
Het aanbrengen van de chip is eenvoudig. Na desinfectie van de huid wordt met behulp van een speciaal injectieapparaatje de chip via een holle naald onder de huid van het dier geïnjecteerd. Sommige dieren kunnen reageren, maar is een stuk minder pijnlijk dan het aanbrengen van een tatoeage. De standaard plaats voor het aanbrengen van een chip bij de kat en de hond is onderhuids tussen de schouderbladen of links voor het schouderblad. Op deze plaats zal de chip in het onderhuidse weefsel vastgroeien. Het dier merkt er niets van dat hij een chip draagt. Verder is de chip aan de buitenkant niet zichtbaar en dus ook niet ontsierend. Invloeden van buitenaf hebben geen effect op de chip die veilig onder de huid verborgen zit.
Registratie
Als de chip is aangebracht wordt een registratieformulier ingevuld met de gegevens van het dier en de eigenaar. Het formulier wordt ondertekend door de eigenaar en de dierenarts of een ander speciaal voor het chippen opgeleid persoon. Dit formulier wordt opgestuurd en de gegevens worden geregistreerd in een speciale databank, namelijk de Nederlandse Databank voor Gezelschapsdieren (NDG). Daarna krijgt de eigenaar een bewijs van registratie thuis gestuurd.
Aflezen van de chip
De cijfercode van de chip kan worden afgelezen met een zogenaamde reader, een speciaal afleesapparaat. De reader wordt langs het dier gehaald en als deze in de buurt van de chip wordt gehouden geeft de reader een onschadelijk signaal af. Hierdoor wordt de chip actief en antwoordt naar de reader met de 15-cijferige identificatiecode. Deze wordt dan op het schermpje van de reader getoond. Ook in het buitenland kan de code afgelezen worden als de reader voldoet aan de ISO-standaard. Als het een Nederlands dier betreft begint de code met de Nederlandse landcode 528, waardoor men weet dat er in een Nederlandse databank moet worden gezocht naar de eigenaar.
Weggelopen, vermist of gestolen
Als een vermist dier wordt gevonden dan wordt met de reader nagegaan of het dier een chip heeft en als dat zo is dan wordt de code afgelezen. Bij de databank voor gezelschapsdieren kan dan worden nagegaan wie de eigenaar van het dier is. Zo kan ook fraude opgespoord worden en zogenaamde eigenaren die met een gestolen dier langskomen kunnen door de mand vallen. Bij veel dierenklinieken staan de chipnummers van de patiënten namelijk geregistreerd. Zelfs op internet kan nagegaan worden waar het dier thuishoort. De volgende sites kunnen hiervoor worden geraadpleegd:
www.chipnummer.nl
www.ndg.nl
www.petbase.eu
Niemand hoopt dat het ooit zover hoeft te komen, maar een vermist dier met een chip vindt de weg naar huis veel gemakkelijker terug.
De Cavia
De cavia
Algemeen
De cavia komt uit Zuid-Amerika en wordt ook wel Guinees biggetje genoemd. Het is een knaagdier wat weinig eisen stelt. Het zijn van oorsprong wat schuwe dieren.
Als je een cavia aanschaft moet je eerst die schuwheid overwinnen, doe dit rustig en met veel geduld. Als ze eenmaal handtam zijn, zijn ze erg vriendelijk en rustig, maar maak nooit onverwachtse bewegingen, want een cavia kan dan schrikken en vallen.
Het volwassen mannetje weegt tussen de 900-1600 gram en het volwassen vrouwtje tussen de 700-1000 gram. Het volwassen vrouwtje heeft 2 tepels tussen haar achterpoten. Ze zijn er in allerlei kleuren en in gladharig, ruwharig en langharige variëteiten. Ze hebben in de boven- en onderkaak 2 scherpe snijtanden die op elkaar afslijten. Het voedsel blijft enige uren in de maag liggen en de spijsvertering duurt wel 2 tot 7 dagen.
Een cavia is moeilijk zindelijk te krijgen, houdt hier rekening mee als ze in de kamer lopen.
De cavia wordt gemiddeld tussen de 5-10 jaar oud, maar ouder kan natuurlijk ook.
Bij aanschaf kan je er beter één cavia nemen als je er veel mee wilt doen. Zijn ze vaak alleen, dan kan je beter 2 cavia's nemen. Neem nooit 2 ongecastreerde beertjes, want die kunnen gaan vechten. Laat ze castreren, ook als er een zeugje bij zit, tenzij je natuurlijk een nestje wilt. De urine van een mannetje kan erg stinken, dit wordt minder als je hem laat castreren.
Cavia’s zijn over het algemeen zeer vriendelijke dieren en zullen je nooit bijten.
Als een hond of kat met een cavia opgroeit dan zijn zij prima samen te houden. Dat is moeilijker met andere knaagdieren en papegaaien, die hebben een hekel aan cavia’s en kunne ze nog weleens aanvallen en verwonden.
Temperatuur van cavia is tussen 37,5-39,5 graden. Boven de 40,2 graden is koorts. Onder de 36,8 graden is ondertemperatuur.
De cavia eet regelmatig zijn mest op, dit is nodig voor bepaalde vitaminen en is dus normaal.
Verzorging
1 à 2x per week mag de cavia geborsteld worden, hierdoor blijft de vacht glanzend en voorkomt haaruitval. Langharige cavia's moeten vaker gekamd worden. Wassen liever niet, maar als het niet anders kan dan mag dat met een klein beetje babyshampoo.
Regelmatig nagels controleren en eventueel laten knippen. Voetzolen dagelijks controleren en aangekoekte viezigheid verwijderen. Eventueel moeten te lange tanden worden geknipt.
Als speelgoed houden ze van wilgetakken of een stuk hout om te kunnen knagen, verder klimmen ze ook graag overal op en doorheen. Tredmolens zijn niet geschikt, ze kunnen zich hieraan verwonden en bovendien zijn ze niet zo lenig.
Optillen van de cavia: ene hand onder de borst, iets kantelen, andere hand ondersteunt achterwerk.
Gedrag
Het piepen van de cavia is om te communiceren. Dit doen ze vaak als ze van huis weg zijn of als het etenstijd is.
Als de cavia knort dan voelt hij zich goed, maar als hij sist dan is hij boos.
Een cavia moet actief worden gehouden, want ze vervelen zich snel en dan worden ze stijf, dik en lui. Geef ze voldoende lichaamsbeweging en afleiding. Laat ze bv. overal overheen klimmen of doorheen lopen. Eventueel een houten bal, daar willen ze ook nog wel mee spelen. Overdrijf niet want het zijn kwetsbare dieren. Een cavia is moeilijk kunstjes aan te leren.
Een cavia slaapt nauwelijks, hooguit 4 uur per dag en dan nog verdeeld over de dag en niet langer dan bijvoorbeeld 10 minuten achter elkaar. Ze houden geen winterslaap en kunnen heel goed horen.
Een cavia kan zich goed hechten aan degene die hem verzorgt en herkent diegene ook.
Voortplanting
Het zeugje en het beertje zijn geslachtsrijp vanaf 60-70 dagen leeftijd. Het vrouwtje kan beter pas na 4 maanden gedekt worden, maar liefst wel voor de 9-12 maanden. Anders zijn het linker en rechter bekkenbeen aan elkaar gegroeid en wordt de bevalling veel moeilijker. Ook wordt het vrouwtje als ze is uitgegroeid vetter en hierdoor minder vruchtbaar, waardoor er meer kans is op zwangerschapsvergiftiging.
Het vrouwtje is om de 16-18 dagen bronstig, dit gedurende 24 uur.
Draagtijd tussen de 66-68 dagen (60-72 dagen). Langer dan 72 dagen dan naar de dierenarts.
De vader enkele dagen voor de bevalling apart zetten. Het vrouwtje heeft tijdens de dracht geen extra voer nodig.
Een worp bedraagt meestal 3-5 jongen. Deze jongen worden geboren met een blijvend gebit en kunnen dus direct ook vast voedsel tot zich nemen. Ze zijn bij de geboorte al direct beweeglijk en de ogen zijn geopend. Geef de jongen in het begin veel groenvoer, ze beginnen later zelf aan het krachtvoer. Als drinken geef je 1 deel koemelk en 2 delen water. Daarnaast drinken ze ook bij de moeder. Als ze 3 weken zijn kunnen ze bij moeder weg. Let direct op het geslacht.
Mannetje kan gecastreerd worden op 2 maanden leeftijd, maar het liefst vanaf 6 maanden ivm narcose risico.
Voeding en huisvesting
Kooi van minimaal 70x40 cm, geen hout, liefst een bak met opstaande rand en daarbovenop een traliewerk. Op de bodem zaagsel met daarover hooi. Geen stro, hier kan de cavia zich aan verwonden. Als voerbakje eentje van aardewerk met van onder breder dan van boven, want de cavia gooit nogal eens wat om. Liefst water geven door middel van een drinkflesje, wat aan de tralies van het hok vast gemaakt kan worden. Verder een ruifje voor het groenvoer.
Zorg ervoor dat het hok niet op de tocht staat en zet 1 kant tegen de muur, zodat ze een rustig plekje hebben.
Hok 2x per week goed schoonmaken en ontsmetten met soda, eventueel de aanslag afkrabben.
Belangrijk voor een cavia is vitamine C (15 mg per dag, bij dracht 30 mg). Dit zit normaal in goed caviavoer, maar dat mag niet te oud zijn. Verder zit het in groenvoer. Geef groenvoer meerder keren per dag 1 à 2 handjes vol in de ruif. Dit kan bestaan uit geplukt gras, weegbree, paardebloem, groenten en fruit. Niet te veel koolsoorten ,want daar kunnen ze gasophoping van krijgen. 2x daags 1 eetlepel krachtvoer en ze moeten altijd beschikking hebben over voldoende hooi. Geef de cavia meerdere keren per dag eten en wissel niet plotseling van voedingsgewoonten.
Preventie van ziektes
Een cavia hoeft nergens tegen geënt te worden. Als je ze meeneemt naar het buitenland informeer dan bij bevoegde instanties.
Cavia’s die veel groenvoer uit het veld te eten krijgen, moeten 2x per jaar ontwormd worden.
Cavia’s kunnen ook vlooien en teken krijgen. Teken kunnen gewoon verwijderd worden, net zoals bij de hond. Voor de vlooienbestrijding zijn niet alle middelen geschikt.
Let op de voetzolen van de cavia, want die zijn erg gevoelig en kunnen snel gewond raken.
Ziektes
Bij gebrek aan vitamine C kan een cavia scheurbuik krijgen, de cavia wordt dan lusteloos, heeft pijn bij het lopen en de tanden laten los. Geef dan vitamine C poeder door het drinkwater, geef peterselie of maak een afspraak bij de dierenarts voor controle en eventueel een injectie met vitamines.
Cavia kan verkouden worden door tocht of vochtige ruimte, hij heeft dan een vieze neus en niest af en toe. Zet cavia op een tochtvrije,droge warme plaats. Houd hem warm en geef veel groente en fruit. Maak bij geen verbetering een afspraak bij de dierenarts.
Traanoogjes worden ook veroorzaakt door verkoudheid ontstaan door tocht. Behandeling is hetzelfde, maar als de uitvloeiing uit ogen vies wordt, maak dan een afspraak bij de dierenarts.
Verlammingen kunnen voorkomen en kunnen veroorzaakt worden door een virusziekte van een andere besmette cavia.
Kale plekjes op de huid kan een teken zijn van schurft. 2x injectie ivomec met tussenpozen van 2 weken is vaak afdoende. De dieren hebben dan ook veel jeuk.
Er kunnen ook haken op de kiezen komen, waardoor de cavia moeilijk of helemaal niet meer eet. Zodra je merkt dat je cavia minder goed eet, gelijk contact opnemen met de dierenarts. Deze zal dan het gebit (en met name de kiezen) nakijken en raspen. Eventueel moet dit onder narcose gebeuren.
Diarree komt vaak door verkeerd voer, geef de cavia daarom enkele dagen geen groenvoer. Is de diarree veroorzaakt door een bacterie en is de cavia ziek, ga er dan mee naar de dierenarts. Ook beschimmeld eten kan diarree veroorzaken.
Jeuk aan de oren kan wijzen op oorschurft of oormijt. Er zitten dan korstjes in de oren. Deze moeten eerst verwijderd worden en moet er door middel van een otoscoop gekeken worden of het trommelvlies nog intact is voordat het oor behandeld kan worden. Daarvoor zult u een afspraak moeten maken bij de dierenarts.
De Chinchilla
De chinchilla
Chinchilla's leven in het Cordillera- en Andesgebergte in Zuid Amerika, waar ze zich op grote hoogte – wel tot 5000 meter, rond de sneeuwgrens - ophouden in spleten en holen op rotsachtige hellingen en waar ze zich overdag in verbergen, 's avonds en 's nachts zijn ze volop actief. Ze hebben een dichte vacht die goed isolerend is om ze te beschermen tegen de sterke wisselingen in temperatuur bij een relatief lage luchtvochtigheid.
Er zijn 2 bekende soorten, nl. de (kleine) kortstaartchinchilla en de langstaart. Ze zijn ca.25 cm groot en wegen 500-700 gram. Verder heb je nog de konings- en de dwergchinchilla.
In hun gedrag lijken ze het meest op eekhoorntjes en als ze weghippen op hun achterpoten op kleine kangoeroes. Maar in feite kun je ze niet met andere dieren vergelijken. Ze hebben in verhouding tot hun lichaam korte voorpoten en lange, sterke achterpoten. Tanden en kiezen groeien hun hele leven door. Ze hebben een open wortelkanaal.
Enkele gegevens
Geslachtsrijpheid: 5-6 maanden
Fokrijp: 7-9 maanden
Draagtijd: 3,5 maand
Nestgrootte: 1-4 (gemiddeld 2)
Speenleeftijd: 8-9 weken
Levensduur: tot 20 jaar
Lichaamstemperatuur: 37,5 – 38,5 graden Celsius
Een chinchilla als huisdier?
Ze zullen nooit volledig tam worden, ook niet wanneer ze op jonge leeftijd (tussen de 9-13 weken) in huis worden genomen. Je kunt ze weinig of niets leren. Ze hebben een uitgesproken, soms wat eigenzinnig karakter. Het zijn geen knuffeldieren, maar avond- en nachtdieren. Chinchilla's zijn koloniedieren, dus huisvest ze minimaal met z'n 2-en. Voor jonge kinderen zijn ze om deze redenen ongeschikt.
Het prettige is, dat ze geen onaangename geur verspreiden en ze worden veel ouder dan andere knaagdieren. Ze hebben een grappige speelwijze, leuke activiteiten en een sociaal gedrag. Ze planten zich niet zo snel voort en voor de jongen is meestal een behoorlijke belangstelling.
Huisvesting
In de natuur leven ze in groepen, die bestaan uit 1 mannetje en meerdere vrouwtjes met hun jongen. Ze kunnen echter heel goed als paartje worden gehouden, dus 1 mannetje en 1 vrouwtje. 2 Vrouwtjes gaat ook, maar 2 mannetjes vaak niet. Samenvoegen van chinchilla's die elkaar niet kennen of lange tijd uit elkaar zijn geweest geeft bijna altijd problemen.
Een hok heeft goede afmetingen als het 125x70x70 cm bedraagt. Gaas is het beste materiaal, bijvoorbeeld nertsengaas. Achterwanden en vloer mogen bestaan uit geplastificeerd spaanplaat. Het hok moet een slaaphok (20 cm hoog en breed en 30 cm diep met een ingang van 8-10 cm) hebben waarin ze zich terug kunnen trekken. Klimtakken moeten van harde houtsoorten zijn, zodat hun tanden erop kunnen afslijten. Als bodembedekking voldoen houtkrullen uitstekend. De kooi moet in een rustige omgeving staan en de temperatuur tussen de 15-20 graden Celsius. Voor een goede vachtverzorging is een zandbak noodzakelijk. Verder moet het een ruime voerbak en een hooiruifje bevatten. De materialen in de kooi moeten allemaal bestand zijn tegen knagen: steen, metaal, glas.
Voeding
Het maagdarmkanaal is ingesteld op veel ruwe celstof. Het is te vergelijken met het spijsverteringskanaal van het paard. Grote hoeveelheden hoogwaardig voer worden niet verdragen.
Chinchilla pellets zijn het beste, zo'n 20-25 gram/dag, gemengd voer of pellets voor andere knaagdieren zijn niet geschikt. Ook moeten ze iedere dag een handjevol droog, frisruikend hooi hebben. De chinchilla is een nachtdier, daarom moet het voer 's avonds worden gegeven. Veranderingen in het voer kunnen gemakkelijk maagdarmstoornissen geven. Daarom is het van belang op vaste tijden te voeren. Zit er 's morgens nog voer in het bakje dan is er teveel gevoerd of zijn er problemen met het gebit: naar de dierenarts. Water moet er altijd voldoende staan: schoon en fris. Dagelijks drinken ze 40-60 ml. Een drinkfles met een drinknippel voldoet het beste en kan aan het gaas van de kooi worden bevestigd. Wordt compleet voer gegeven dan moeten ze iedere maand een multivitaminen-mengsel erbij hebben door het drinkwater.
De moederdieren hebben 3 paar melkklieren die niet allen functioneren, meestal maar 1-2 paar, waardoor er vaak meer zogende jongen zijn dan functionele melkklieren. De jongen moeten binnen 24 uur minsten eenmaal zuigen. In de vakhandel zijn vervangende voeders verkrijgbaar indien nodig.
Dieetfouten of dieetproblemen
Keelgatverstoppingen
Als gevolg van te snel en gulzig eten van lekkernijen als vijgen, radijsjes, distels en brandnetels.
Dit zie je vooral als er meerdere dieren in het hok zitten en er een soort competitie ontstaat.
Tympanie en rectumprolaps
Zie je bij plotseling veranderen van het voer of te eiwitrijk voer, met verstopping en tympanie (trommelzucht) als gevolg.
Diarree
Zie je als gevolg van nat, beschimmeld hooi en bij teveel krachtvoer. Er kan leververvetting optreden (teveel vet en zetmeel in de voeding). Ook zie je het weleens bij drachtigheidsvergiftiging.
Huidproblemen
Zie je als gevolg van voedingsfouten en stofwisselingsproblemen.
Calciumtekort
Hierbij zie je krampen met gestrekte achterpoten
Thiaminegebrek
Geeft krampen en stoornissen van het centraal zenuwstelsel
Vitamine E-gebrek
Dit is de oorzaak van ''Yellow fat disease"(steatitis). Het kan ook ontstaan door het eten van plantenvet.
Vergiftigingen
Ze zijn gevoelig voor allerlei plantengif soorten in tegenstelling tot bijvoorbeeld konijnen. Bijvoorbeeld: beschimmeld hooi, herfststijlloos, vingerhoedskruid, scheerling, eikenschors, rododendron, kersenboom, etc..
Natte ogen
Zien we soms bij verkoudheden, maar er kan ook een vuiltje in zitten. Dit moet je verwijderen.
De dierenarts heeft een goede antibiotische zalf of oogdruppels.
Oorproblemen
Oorschurft komt voor, alhoewel niet zoveel als bij het konijn. Met de juiste behandeling is het zo weer over. Een lopend oor moet natuurlijk altijd door de dierenarts behandeld worden.
Stress
Hier kunnen ze niet tegen. Harde geluiden, blaffende honden, schreeuwende kinderen, overbevolking in de kooi etc. Het maakt ze volledig overspannen. Ze kunnen gaan ijsberen door de kooi, vacht bijten en agressief worden. Gun ze vooral overdag, hun rust!
Dektijdstipbepaling
Beste tijdstip voor dekkingen bij honden
Gemiddeld worden teven eens in de zes maanden loops. Vreemd genoeg zijn er uitzonderingen, o.a. de Saarloos wolfshond en sledehonden, zij kennen maar 1 loopsheid per jaar.
Tijdens de loopsheid is de teef maar enkele dagen bereid zich te laten dekken en ook maar enkele dagen vruchtbaar. Voor een fokker is het van essentieel belang om de vruchtbare dagen van zijn teef te herkennen; immers een gemiste dekking betekent een vertraging in het fokprogramma van minimaal een half jaar.
De loopsheid zelf zal niet snel gemist worden; de teef verliest bloed, vulva is opgezet en aantrekkelijk voor reuen. Echter het juiste dektijdstip bepalen is veel moeilijker, zeker als er geen (ervaren) dekreu in de buurt is en bij bepaalde teven zit er een grote variatie in het tijdstip waarop ze gedekt kunnen worden.
Progesteron bepaling
Meestal is een teef dekrijp op dag 9 t/m 12 van de loopsheid, maar er zijn grote individuele verschillen. In onze praktijk zien we teven die op de 8e dag al vruchtbaar zijn maar uitschieters naar de 18e dag zijn ook geen uitzondering!
Tegenwoordig is het mogelijk om met een zeer betrouwbare bloedtest het ideale dektijdstip vast te stellen. Met deze test wordt het gehalte aan progesteron (zwangerschapshormoon) in het bloed bepaald. Op het moment dat de eisprong plaatsvindt, vinden we een snelle stijging van het bloedprogesterongehalte en kan een betrouwbaar dekadvies gegeven worden.
De resultaten van deze methode zijn goed, het drachtigheidspercentage schommelt rond de 90% (drachtig en nest).
Andere methode, zoals het maken van uitstrijkjes van het vaginaalslijm geven wel een indruk of de teef loops is, maar is beslist niet betrouwbaar voor dektijdstipbepaling.
Uitvoering
De praktische uitvoering is simpel. Op de 7e-8e dag van de loopsheid wordt het eerste monster genomen. Is het progesteron nog laag, dan moet de test 2 dagen later weer worden herhaald totdat een stijging is vastgesteld. Gemiddeld moet er per teef 2-3 maal bloed afgenomen worden. U als eigenaar moet zelf het bloedmonster naar het ziekenhuis brengen. (Albert Schweitzer Ziekenhuis in Zwijndrecht)
Patientenkeuze
In principe komen alle fokteven in aanmerking voor begeleiding van het dektiidstip. Zeker als de teef al eens gemist heeft, de reu ver weg woont of er een KI (kunstmatige inseminatie) gedaan moet worden loont het de moeite om uw dierenarts te vragen uw teef op deze manier te begeleiden.
Diarree bij hond en kat
Diarree klachten
Diarree zien we vooral bij de hond en minder vaak bij de kat. Er is een duidelijk onderscheid te maken tussen diarree met en zonder koorts. Bij koorts is het altijd aan te raden naar de dierenarts te gaan, die speciaal onderzoek zal doen en de noodzakelijke medicijnen voor zal schrijven. Diarree zonder koorts kan voor een groot deel aangepakt worden met een speciaal dieet en met darmenbesparende medicijnen. Het dieet heeft vooral tot doel zoveel mogelijk RUST te brengen in het maagdarmkanaal.
Dieren, en met name pups en oudere honden, verliezen veel vocht wanneer ze langer dan 1 dag blijven braken en/of diarree hebben. Daarom adviseren wij bij aanhoudende klachten een afspraak te maken bij de dierenarts.
Voedingsadvies bij honden met diarree klachten
Voor dieren zonder koorts (38.0-38.7 graden Celsius)
Vocht: De eerste dagen kleine beetjes water aanbieden, want er moet RUST in maag en darmen komen.
Vanaf de eerste dag kleine porties gekookte witte rijst in combinatie met gekookte kipfilet. Voer het aantal maaltijden per dag op naar 4 of 5 eetmomenten.
Vanaf de 6e dag: Langzaam, met kleine porties, het normaal voedsel weer erdoorheen mengen.
Voedingsadvies bij katten met diarree klachten
Voor dieren zonder koorts (38.0 -38.7 graden Celsius)
Vocht: water aanbieden, want er moet RUST in de maag en darmen komen.
U kunt eventueel een beetje wit vis en droge brok aanbieden. Katten eten in tegenstelling tot honden niet in één keer hun bakje leeg, maar over de dag kleine hapjes. Vandaar dat er niet meerdere keren per dag voedsel aangeboden hoeft te worden.
Voor dieren met koorts (boven 39 graden Celsius) ALTIJD naar de dierenarts!!
Opnemen van de lichaamstemperatuur kan simpel met een normale thermometer, die zo'n 5 minuten voldoende diep in de anus gehouden moet worden, liefst iets schuin tegen de darmwand. Met een digitale thermometer gaat het sneller.
Drachtige hond
Drachtige teef
Inleiding
Uw hond is naar de reu geweest en waarschijnlijk drachtig. Wellicht is het raadzaam u enige aanwijzingen en raadgevingen mee te geven om een zo ongestoord mogelijk verloop van de drachtigheid en bevalling te verkrijgen.
Vaststellen drachtigheid
Er bestaat geen betrouwbare urine- of bloedtest voor honden om dit vast te stellen, omdat de hormoonspiegels van drachtige en niet drachtige honden vrijwel identiek zijn, dit in tegenstelling tot de situatie bij de mens.
De beste manier om drachtigheid vast te stellen is door een echo te laten maken vanaf dag 28. In het laatste deel van de dracht kan door middel van palpatie ook een indicatie gegeven worden. Vanaf dag 45 kun je door middel van een röntgenfoto dracht vast stellen en ook het aantal pups bepalen.
Zwangerschapsduur en voeding
De bevalling vindt plaats tussen de 56e en 67e dag. De draagtijd is gemiddeld 63 dagen. Hoe groter het nest, hoe korter de dracht meestal duurt, en omgekeerd geldt dit ook. Het is niet nodig om de teef extra te voeren in de eerste 7 weken van de dracht. In het laatste deel van de dracht kan het wel nodig zijn om extra bij te voeren.
Verschijnselen van de naderende bevalling
Ruim voor de bevalling zal u waarschijnlijk al wel zijn opgevallen dat de buikomvang van de teef ruim is toegenomen. De melkklieren beginnen wat op te zetten. Dit kan echter ook gebeuren bij niet drachtige teven, rond hetzelfde tijdstip. We spreken dan van schijndracht. Daarnaast kan de teef vanaf een week voor de bevalling nestgedrag vertonen.
Vlak voor de bevalling zal de temperatuur van de teef 0.5 tot 1.5 graad zakken. Het is aan te raden om een week voor de verwachte partusdatum de temperatuur van de teef bij te gaan houden. Als deze gaat dalen zal de partus binnen 12 uur beginnen.
Soms valt het op dat de teef helder, taai, soms iets melkachtig wit slijm verliest. Dit is het teken dat de ontsluiting en de bevalling binnen 24 uur moet plaatsvinden.
De bevalling (werpen)
Binnen enkele uren nadat het eerste vruchtwater is afgekomen, moet de eerste pup geboren zijn. Het vruchtwater kan overigens wat groen van kleur zijn, dan moet de eerste pup binnen 1 uur geboren worden. Zoniet, dan dient u de dierenarts te waarschuwen. Tevens dient dit te geschieden indien de teef duidelijk zit te persen op een pup en dit langer dan 30 minuten duurt. Bij twijfel altijd de dierenarts bellen!
De gemiddelde tijd tussen de geboorte van 2 pups is ongeveer 45 minuten. Het kan echter wel zijn dat er een wat langere pauze is waarbij de teef uitrust en zelfs even in slaap kan vallen.
Als het echter te lang gaat duren (meer dan 2 uur) of als de teef na een tijd geperst te hebben stopt zonder dat er een pup komt dient gecontroleerd te worden waarom de bevalling niet vordert. Zonodig kan er een weeënversterkend middel worden ingespoten.
Na de bevalling
De navelstreng scheurt meestal spontaan op de goede plaats af. Mocht een navelstreng toch bloeden, dan kunt u deze afbinden met een stevige garendraad ontsmet met wat spiritus (=85% alcohol).
Als de teef na de bevalling onrustig blijft, dan kunt u het beste laten controleren of zij inderdaad 'leeg' is. Zonodig geeft de dierenarts haar dan een baarmoedersamentrekkend middel om eventueel achtergebleven nageboortes of pups alsnog af te laten komen.
De pups moeten gewogen worden op een nauwkeurige (digitale) weegschaal. Dit dient 2 keer per dag te gebeuren en de gewichten van de pups moeten genoteerd worden. De pups mogen na de bevalling NIET afvallen. Gebeurt dit wel, dan is er iets mis. Of de teef heeft te weinig melk of de pups drinken te weinig, bijvoorbeeld door een opkomende ziekte. U dient dan ook in zo'n geval direct de dierenarts te bellen voor overleg.
De teef
De teef wordt met de pups mee ontwormd op 2, 4, 6, en 8 weken na de bevalling. De teef moet voldoende beschikking hebben over water en voeding en mag eventueel zelfs puppy voer krijgen.
De teef kan nog tot 20 dagen na de bevalling uitvloeiing hebben. De uitvloeiing is gedurende de eerste drie dagen roodbruin en wordt langzaam helderder. Deze mag nooit stinkend of troebel worden.
Het is aan te raden om de teef de eerste week na de bevalling te temperaturen, de temperatuur mag niet hoger worden dan 39.5 graden.
De pups
Deze dienen vanaf de geboorte dagelijks te groeien. Vanaf 10 dagen na de geboorte gaan de oogjes open en hebben de pups normaliter hun geboortegewicht verdubbeld. Vanaf drie weken leeftijd kan begonnen worden met bijvoeren.
De pups moeten meerdere keren ontwormd worden. Op de leeftijd van 2, 4, 6 en 8 weken en daarna om de twee maanden tot ze een half jaar zijn. Daarna vier keer per jaar.
Ze moeten op 6 weken leeftijd hun eerste vaccinatie hebben en ze mogen vanaf 8 weken leeftijd bij de teef weg. Erg kleine hondjes zoals chihuahua’s blijven beter nog wat langer bij de moeder. Op 9 en 12 weken moeten ze nog een keer gevaccineerd worden, pas daarna zijn ze volledig beschermd.
Drachtige kat
Drachtige poes
Uw poes is 'naar de kater' geweest en hopelijk drachtig.
Als een dekking goed is verlopen, is de krolsheid na ongeveer 24 uur totaal over. Ook in de 9 weken die de drachtigheid duurt, mag de poes geen krolsheid vertonen anders is dat een teken dat de dekking niet goed verlopen is. Een goed verlopen dekking geeft natuurlijk geen garantie op drachtigheid.
Het is niet nodig om de poes extra te voeren in de eerste 7 weken van de dracht. De laatste 2 weken kan de voedingsbehoefte wat stijgen en is het beter om goede kwaliteits kittenvoeding te gaan geven aan de poes, merken zoals Hills, Royal Canin of Eukanuba.
Vaststellen drachtigheid
Er bestaan helaas geen bloed of urineproeven voor poezen om vast te stellen of de poes inderdaad drachtig is geworden na de dekking. Dat komt omdat de hormoonspiegels van drachtige en niet drachtige poezen vrijwel identiek zijn, dit in tegenstelling tot de mens.
De best tijd om drachtigheid vast te stellen is vanaf de 24e dag na de dekking door middel van echoscopie. Een röntgenfoto is mogelijk vanaf 4 weken dracht.
De bevalling en het ontwormen
Het is raadzaam om vlak voor en vlak na de bevalling, uw poes te ontwormen.
De bevalling vindt plaats tussen de 56 en 67e dag, gemiddeld op 63 dagen. Hoe groter het nest, hoe korter de dracht. Omgekeerd geldt dit ook.
Verschijnselen van de naderende bevalling
Ruim voor de bevalling zal u waarschijnlijk al wel zijn opgevallen dat de buikomvang van uw poes ruim is toegenomen. De melkklieren beginnen wat op te zetten.
Dit kan soms ook gebeuren bij niet drachtige poezen rond hetzelfde tijdstip, we spreken dan van schijndracht.
Vlak voor de bevalling wordt de poes wat onrustig en valt het soms op dat ze een helder, taai, soms iets melkachtig slijm verliest. Dit is het teken dat de ontsluiting en de bevalling binnen 24 uur zullen plaatsvinden.
De geboorte
Binnen enkele uren nadat het eerste vruchtwater is afgekomen, moet het eerste kitten geboren zijn. Het vruchtwater kan overigens wat groen van kleur zijn, in dat geval moet het eerste kitten binnen 1 uur geboren zijn. Zo niet dan moet u ons direct waarschuwen. Tevens dient dit te geschieden wanneer de poes duidelijk zit te persen op een kitten en dit langer dan 15 minuten duurt.
Bij twijfel altijd de dierenarts bellen!
De gemiddelde tijd tussen de geboorte van 2 kittens mag niet langer dan 30 minuten zijn, zoniet dan moet gecontroleerd worden waarom de bevalling niet vordert. Zonodig wordt dan een weeënversterkend middel ingespoten.
Na de bevalling
U kunt de navelstrengetjes het beste door de poes laten afbijten. Mocht een navelstreng bloeden dan kunt u deze afbinden met een stevig garendraad, ontsmet met wat spiritus (= 85% alcohol).
Wanneer de poes na de bevalling onrustig blijft, moet zij gecontroleerd worden of zij inderdaad 'leeg' is. Zonodig geeft de dierenarts haar dan een speciale injectie om achtergebleven nageboorten of kittens, alsnog geboren te laten worden.
De kittens
De kittens kunt u merken met nagellak of een gekleurd wollen draadje. Wegen op een nauwkeurige (digitale) weegschaal geeft het beste beeld hoe het met de kittens gaat. Dit dient 2x daags te gebeuren en het gewicht van de kittens moet genoteerd worden.
De kittens mogen na de bevalling NIET afvallen. Gebeurt dit wel dan is er iets mis; of de poes heeft te weinig melk of de kittens drinken te weinig, bijv. door een opkomende ziekte. U moet in zo'n geval dan ook direct contact met ons opnemen voor overleg.
Tien dagen na de geboorte gaan de oogjes open en hebben de kittens hun geboortegewicht verdubbeld.
De moederpoes
Voor zover de poes nog geen wormkuur heeft gehad, geeft u haar er nu een.
Moederpoes hoeft niet bijgevoerd te worden met melk, integendeel, de kans op diarree is dan erg groot. Bijvoeren met speciale melkvoeding is geen probleem.
De poes mag geen troebele of stinkende uitvloeiing krijgen. De uitvloeiing is gedurende 3 dagen rood/bruin en tot de 10e dag mag deze uitvloeiing helder en slijmig zijn.
Als u overweegt om de poes te laten steriliseren dan kan dit vanaf zes weken na de bevalling. De kittens kunnen dan eventueel bij hun moeder blijven. Houd er rekening mee dat de poes al snel weer krols kan worden! (2-3 weken na de bevalling).
Ontworming
Deze dient u voor het eerst aan de kittens te geven op de leeftijd van 4 weken. U herhaald deze ontworming elke 2 weken tot een leeftijd van 8 weken. Daarna moet het kitten nogmaals ontwormd worden op 4 en 6maand oud. Een volwassen kat wordt minstens 2 maal per jaar ontwormd.
Inentingen
De eerste kittenenting dient het kitten te krijgen als het 9 weken oud is. Deze enting moet 3 weken later nog eenmaal herhaald worden, daarna jaarlijks.
Erfelijke aandoeningen
Bij diverse raskatten komen geregeld erfelijke aandoeningen voor.
Alle kittens kunnen vanaf een leeftijd van 10 maanden bij ons gecontroleerd worden op erfelijke aandoeningen als HCM (Hypertrofische Cardio-Myopathie) en PCKD (Poly-Cystic Kidney Disease) door middel van echoscopie of DNA onderzoek.
Epilepsie
Epilepsie
Epilepsie of 'vallende ziekte' is een aandoening van de hersenschors die ertoe leidt dat de patiënt tijdelijk de controle verliest over een deel van zijn lichaamsfuncties.
Bekend zijn toevallen waarbij de dieren omvallen, spierkrampen krijgen, schuimbekken en urine of ontlasting laten lopen.
Oorzaken
De oorzaak kan gelegen zijn in de hersencellen zelf, maar ook allerlei ziekten in het lichaam kunnen dit proces versterken of opwekken. In de meeste gevallen zijn geen duidelijke oorzaken op te sporen. Er is sprake van een kortdurende, tijdelijke ontregeling van de hersenfunctie - we spreken van een primaire epilepsie.
Voorkomen
Bij de hond zijn sommige rassen duidelijk gevoeliger maar het komt voor bij ieder ras.
Primaire epilepsie zien we zelden bij honden jonger dan 8 maanden. De meeste gevallen zien we tussen het eerste en derde levensjaar ontstaan.
Diagnose
Omdat de meeste epileptiforme aanvallen van korte duur zijn, moet de dierenarts vaak de diagnose stellen aan de hand van het verhaal van de eigenaar.
Een bijkomend probleem is dat de aanvallen meestal in rust komen, dus tijdens de slaap 's nachts, wanneer de eigenaar er niet bij is.
Behandeling
De meeste aanvallen zijn korter dan 5 minuten en komen maar enkele keren per jaar voor. In dit geval kiezen we niet voor een langdurige toediening van medicatie. Wanneer de aanvallen vaker voorkomen dan eens per maand en/of lang duren en/of heftiger worden, zal de dierenarts wel kiezen voor medicatie.
Tijdens een aanval kan er valium gegeven worden om de aanval te laten stoppen.
Erfelijkheid
Primaire epilepsie is een aangeboren en daarom meestal een erfelijke aandoening. Het is verstandig niet met deze dieren te fokken.
Samenvatting
Wanneer uw huisdier toevallen heeft kan dit epilepsie zijn. De dierenarts kan samen met u na onderzoek van de hond bepalen of dit inderdaad het geval is.
Dieren met epilepsie kunnen heel oud worden, tijdens de aanvallen lijden ze geen pijn.
Met de juiste medicatie kunnen ze een goed en plezierig leven hebben.
Euthanasie bij uw huisdier
Euthanasie bij uw huisdier
Natuurlijk een vervelend onderwerp, maar in sommige gevallen goed om u wat te kunnen helpen met deze, vaak moeilijke, beslissing.
Wanneer laat je een huisdier inslapen?
Op de eerste plaats moet een dier geen blijvende pijn hebben, dus pijn die met medicijnen niet op een dier- en menswaardige wijze te verhelpen is.
Wij hebben daarbij 5 vaste criteria waaraan U voldoende houvast zult hebben om de beslissing minder moeilijk te laten zijn.
Deze 5 punten moeten allen, zonder uitzondering, positief beantwoord kunnen worden. Is dit niet het geval dan moet er over de euthanasie nagedacht worden.
Wil uw huisdier nog uit zichzelf eten?
Wil uw huisdier nog normale hoeveelheden water drinken?
Kan uw huisdier de ontlasting ophouden?
Kan uw huisdier de urine ophouden?
Wil uw huisdier graag bij zijn baas zijn?
Hoe verloopt een euthanasie?
Er zijn in principe 2 mogelijkheden: op de praktijk of thuis indien mogelijk.
De voordelen op de praktijk zijn dat uw dier enigszins onder de indruk is en niet op zijn/haar eigen terrein is waardoor hij/zij makkelijker te 'helpen' is.
'Thuis' wordt - vooral door honden - gezien als het terrein dat altijd verdedigd moest worden en waar ze nu vaak tegen hen wil in, door ons moeten worden vastgehouden. Vaak vinden ze dit onprettig. Het is natuurlijk wel mogelijk wanneer dit toch uw voorkeur heeft. U kunt dan contact opnemen met ons om een thuisvisite in te plannen. U moet bij een thuisvistite wel rekening houden dat de dierenarts het lichaam van uw overleden huisdier niet mee kan nemen. U kunt eventueel een afspraak maken met de Dierenambulance of u kunt uw huisdier zelf bij het huisdieren crematorium brengen.
Helaas is het niet mogelijk om in het weekend uw huisdier thuis te laten inslapen.
Welke methode geniet de voorkeur?
Wij vinden het prettig als het dier min of meer rustig wordt gemaakt met een verdovend middel.
Wanneer hij/zij niets meer voelt en dus niet meer door heeft wat er gebeurt, wordt het laatste prikje gegeven en slapen ze rustig in.
In de meeste gevallen wordt de injectie bij de hond pijnloos in een bloedvat van de voorpoot gespoten, met behulp van een kathetertje.
Katten, konijnen, ratten en overige kleine dieren krijgen een verdovend middel in de buikholte gespoten, wat ze nauwelijks voelen waarna ze ook rustig inslapen.
Wat gebeurt er met het lichaam?
U kunt uw huisdier bij ons achterlaten en vervolgens laten cremeren. Onze dierenkliniek heeft een vertrouwelijke samenwerking met huisdierencrematorium Majesta en dieren- en paardencrematorium Buitendijk, beiden gevestigd in Rotterdam. Indien u wenst kan uw huisdier ook elders gecremeerd worden. Er is een speciale informatiefolder waarin tevens de prijzen vermeld staan. Ook bestaat de mogelijkheid om uw dier te laten begraven op een speciale dierenbegraafplaats.
Wilt u uw huisdier niet laten cremeren of begraven, dan kan deze bij ons tegen een verwijderingsbijdrage opgehaald worden voor destructie.
Natuurlijk willen we u graag proberen te helpen met deze moeilijke beslissing, belt u gerust of maak een afspraak hiervoor.
Gebitsverzorging bij de hond/kat
Gebitsverzorging bij de hond / kat
Tandplak en tandsteen
Een groot percentage van de gebitsafwijkingen wordt veroorzaakt door tandplak. Het grootste deel van deze afwijkingen bestaat uit ontsteking (parodontitis) van de omgevende weefsels, waaronder de ophangbandjes van de tanden en kiezen. Een kleiner deel wordt veroorzaakt door cariës (gaatjes). Cariës is bij de hond / kat echter veel minder belangrijk dan bij de mens. Het ontstaat ook door aantasting van het glazuur door zuurvorming uit suikers in de mondholte. De zuren worden geproduceerd door bepaalde bacteriesoorten. De soorten die dit het ergste doen komen in de plaklaag bij de hond / kat veel minder voor dan bij de mens.
Tandplak is een witte, 1 tot 2 mm dikke, makkelijk afschrapbare laag op de tanden en kiezen. Het bestaat ongeveer 75% uit levende en dode bacteriën. De andere 25% bestaat uit voedselresten, speekselbestanddelen en ontstekingsproducten. Door verkalking ontstaat tandsteen. Dit is geel tot bruin van kleur en veel moeilijker af te schrappen.
De tandplak veroorzaakt een ontsteking van het tandvlees: een parodontitis. Het tandvlees is dan rood, vaak pijnlijk en het bloedt gemakkelijk. Deze ontsteking en niet het tandsteen is de oorzaak van de vaak onverdraaglijke stank die dan uit de hond/kat zijn bek komt. Met de juiste hygiënische maatregelen is dit te herstellen.
Als de ontsteking langer aanwezig is, kruipt deze verder langs het element en het tandvlees trekt zich terug. De ophangbandjes en later ook de wortels van de tanden en de kiezen worden aangetast. Ze kunnen hierdoor los gaan staan en zelfs uitvallen.
De behandeling van tandplak, tandsteen en de ontstekingen van het tandvlees bestaat uit het trekken van ernstige aangetaste elementen en het reinigen van het gebit.
Meestal wordt het tandsteen verwijderd met een ultrasoon apparaat, een trilapparaat. Het kan ook handmatig met speciale instrumenten gebeuren. Het doel van het reinigen is het oppervlak van de gebitselementen zo glad te maken dat het tandplak zich niet goed meer kan hechten. Bacteriën krijgen dan veel minder kans om ontsteking van het tandvlees te veroorzaken met alle gevolgen van dien. Het reinigen kan worden afgesloten met polijsten waardoor het oppervlak extra glad wordt. Ernstige ontstekingen worden tevens behandeld met antibiotica die juist in de mondholte goed werkzaam zijn. De antibiotica doden namelijk de bacteriën die de ontsteking veroorzaken. Erg belangrijk is dat de gebitshygiëne thuis wordt voortgezet.
Gebitshygiëne bij de hond/kat
Allereerst is het belangrijk te weten hoe u aandoeningen van gebit en de omgevende weefsels kunt herkennen. U kunt min of meer van de volgende symptomen waarnemen.
1) Pijn bij het eten of drinken. Dit kan zich uiten in janken, plotseling teruggaan bij eten of drinken,
langs de bek wrijven, met de kop over de rond schuren, moeilijk of aan een kant kauwen of zelfs weigeren te eten.
2) Overmatig kwijlen of speekselen.
3) Stank. Dit wordt niet veroorzaakt door tandsteen maar door tandplak en bacteriële ontsteking van het tandvlees.
4) Bruin / gele aanslag op tanden en kiezen.
5) Roodheid en eventueel bloeden van het tandvlees.
Al deze verschijnselen zijn een reden om bij de dierenarts langs te gaan. Deze zal het gebit en de rest van de hond/kat onderzoeken. Er zijn namelijk andere lichamelijke aandoeningen die de ontstekingen in de mondholte kunnen verergeren, bijvoorbeeld suikerziekte en nieraandoeningen.
Ook spelen voeding en erfelijke afwijkingen een rol. Harde brokken zijn beter dan zacht voer, omdat er meer op gekauwd moet worden. Dit kauwen reinigt de tanden. Teveel elementen, melktanden die niet wisselen, afwijkende stand van tanden of kiezen in de kaak, onderbijten en overbijten zijn voor een deel erfelijk. Er blijft gemakkelijk troep tussen de tanden of kiezen zitten die afwijkend staan. Bacteriën kunnen dan weer makkelijker de beruchte tandvleesontsteking veroorzaken.
Meestal zal de dierenarts het gebit reinigen onder algehele anaesthesie en de afwijkende tanden en kiezen trekken. Bij ernstige ontstekingen zal de dierenarts antibiotica voorschrijven. De situatie na het reinigen van het gebit kan in stand gehouden worden door hygiënische maatregelen, dat wil zeggen net als bij de mensen tanden poetsen, maar dan bij uw hond/kat! Ook bij uw hond/kat is het belangrijk dat zijn gebit schoon blijft en dat plak en bacteriën geen kans krijgen. Uw hond/kat heeft net zoveel belang bij een gezond gebit als uzelf. Als u nog nooit tanden heeft gepoetst bij uw hond/kat zal hij hieraan moeten wennen. Bij pups zou dit gemakkelijk in de puppycursus worden ingevoerd. Het is namelijk niet moeilijk en u kunt heel simpel beginnen.
Tandenpoetsen bij uw huisdier
Stap 1
Begin eenvoudig door met de vingers aan de buitenkant van de wangen, ter hoogte van de achterste kiezen, de huid te masseren. Hierdoor worden de speekselklieren geprikkeld waardoor het zelfreinigende vermogen van de mondholte wordt bevorderd.
Stap 2
Als het dier dit toelaat doet men hetzelfde aan de binnenzijde van de mond, met de blote vinger of met een gaasje gedrenkt in bouillon voor de smaak. Dit alles kan worden uitgevoerd met een gesloten mond, kaken op elkaar en alleen aan de buitenzijde van het gebit. Niet forceren en regelmatig laten slikken.
Stap 3
Als dit voorspoedig gaat kan men de mond iets openen en met het echte poetsen beginnen. Ook nu weer alléén de buitenzijde van de kiezen en tanden poetsen. Gebruik een geschikte tandenborstel en een tandpasta voor dieren. Deze is verkrijgbaar in verschillende smaken zoals vlees, kip of vis.
Stap 4
Poetsen moet een dagelijkse routine worden, als er opnieuw tandsteen ontstaat is dat een teken dat er te weinig gepoetst wordt. Zonder poetsen ontstaat binnen 24 uur tot 48 uur opnieuw tandplaque en zal het verkalkingproces tot tandsteen opnieuw plaatsvinden. Tevens kan men op deze manier regelmatig de mondholte, tong en gehemelte controleren op onregelmatigheden.
Stap 5
Na de poetsbeurt moet er iets leuks volgen voor uw huisdier. Een wandeling, een kauwchip of een andere tandvriendelijke versnapering voor de hond. Neem voor de kat even de tijd om met hem/haar te spelen.
Op deze manier zal uw huisdier de poetsbeurt associëren met een leuke gebeurtenis die hierop volgt.
Gebitsverzorgingsset
U kunt bij onze dierenkliniek een demonstratie krijgen hoe u de de tanden van uw hond moet poetsen. Indien u hierin geïnteresseerd bent kunt u bij een van onze dierenartsen een afspraak maken. Ook tijdens de jaarlijkse controle zullen we aan het gebit aandacht besteden.
Controle
Sommige honden laten het poetsen niet goed toe. Zeker bij honden met een aanleg voor tandplak en tandsteen is een regelmatige controle door de dierenarts en een eventuele professionele gebitsreiniging dan noodzakelijk. Tijdens de jaarlijkse controle waarbij de vaccinatie gegeven wordt controleren we het gebit van uw hond. Indien u wilt, kunnen we ook een halfjaarlijkse gebitscontrole bij uw hond uitvoeren, net als uw tandarts bij uw eigen gebit elk half jaar uitvoert.
Als poetsen niet lukt
Sommige honden laten het poetsen niet goed toe, dan is T/D voer van Hill's Pet Nutrition een goed alternatief. Eventueel in combinatie met kauwstrips (Veggiedent) of Vet Aquadent mondwater.
Let op: bij een schoon gebit zal de werking optimaal zijn, als een hond al tandsteen heeft is het advies deze eerst professioneel (onder narcose) te laten schoonmaken en polijsten.
Tandvriendelijk Hondenspeelgoed
Sinds kort verkopen wij tandvriendelijk hondenspeelgoed van het merk Kong.
Ze verwijderen tandplak doordat de hond op het speciale rubber kauwt en vegen hierbij de tanden schoon.
Ook zorgen ze ervoor dat de hond een stevig en gezond tandslijmvlies behoudt doordat het slijmvlies tijdens het kauwen gemasseerd wordt.
Geboortebeperking bij de kat
Geboortebeperking bij de kat
De meeste mensen die een kitten nemen staan er niet bij stil dat het leuke jonge diertje dat zij hebben, al na 6 tot 9 maanden geslachtsrijp is.
Op deze leeftijd worden poezen voor de eerste keer 'krols' en gaan katers 'sproeien'. Poezen worden zeer aantrekkelijke voor katers die 'op liefdespad' zijn. Indien geen maatregelen worden getroffen, lijden zelfs kortstondige ontmoetingen tussen beide geslachten, 9 weken later tot gezinsuitbreiding.
Voorkomen krolsheid
De verschijnselen van krolsheid bij de poes zijn; over de grond liggen rollen, de poes is zeer aanhalig, ligt languit met het achterwerk omhoog, gaat zeer luidruchtig miauwen en zal proberen naar buiten te komen om achter de katers aan te gaan.
Krolsheid en ook het krijgen van jongen kunt u tijdelijk voorkomen door het geven van de poezenpil. Deze is verkrijgbaar bij de dierenkliniek en moet iedere week worden gegeven. De pillen worden weleens vergeten met een onverwacht nestje tot gevolg. Regelmatig veroorzaken ze suikerziekte, baarmoederontstekingen of kwaadaardige gezwellen van de melkklieren. Dit alles maakt van de poezenpil een sterk af te raden anti-conceptiemiddel.
Sterilisatie
Beter is het dan ook om de poes te laten 'steriliseren'. Door een operatie worden beide eierstokken verwijderd waardoor de poes niet alleen onvruchtbaar wordt maar ook geen tekenen van krolsheid meer vertoont. De operatie is een betrekkelijk geringe ingreep en de poes kan een paar uur later weer naar huis. Poezen kunnen gesteriliseerd worden vanaf de leeftijd van 6 maanden.
Heeft de poes een nestje gehad, dan kunnen ze al na 10-14 dagen weer krols worden! Dus nu is de keuze de poezenpil of een sterilisatie. Het beste is dan de poes ca. 6 weken na het krijgen van de jongen te steriliseren.
Castratie kater
Katers worden geslachtsrijp als zij 8-9 maanden oud zijn. Vanaf deze leeftijd kunnen zij de neiging krijgen overal tegenaan te plassen, ('sproeien'). Ook krijgt hun urine een doordringende 'katerlucht'. De kater is veel op pad en weinig huiselijk meer. Bij terugkomst zitten de katers vaak onder de krabben en abcessen tengevolge van hun luidruchtige nachtelijke gevechten. Tijdens deze - soms meerdaagse - zwerftochten, steken de katers vele drukke wegen over en wordt een groot aantal van hen aangereden. Om deze redenen worden de meeste katers gecastreerd vanaf 6 maanden oud. De kater blijft dan veel huiselijker en sproeit niet meer in huis. De castratie gebeurt onder algehele verdoving.
Shampoo: Gebruik van medicinale shampoo
Medicinale shampoo
Anders dan humane shampoo?
Shampoo voor onze huisdieren is zeker anders dan die voor ons zelf. De shampoo verschilt op de volgende punten:
- Zuurgraad. De huid van honden en katten heeft een hogere pH (7.4) dan die van mensen (5.5).
- Het reinigende vermogen van honden/kattenshampoo is sterker dan dat van onze eigen shampoo.
- De shampoos voor honden en katten zijn zeer goed uitspoelbaar om te voorkomen dat de dieren resten van de shampoo na het wassen op kunnen likken.
Een dier altijd 2x achter elkaar wassen
De eerste wasbuurt is bedoeld om vuil, schilfers en korsten te verwijderen. Bij de tweede wasbuurt kan de medicinale stof in de shampoo zijn werk doen. Het is dan ook belangrijk de shampoo bij de tweede wassing langer in te laten trekken.
Ook bij het gebruik van een lotion is een voorafgaande, reinigende wasbuurt aan te raden.
Goede inwerktijd/contacttijd
De medicianale stoffen die in de shampoo zitten moeten de tijd krijgen om goed in de huid te trekken. De contacttijd bedraagt 5-10-15 minuten, geldend vanaf het moment dat het dier volledig ingezeept is. Begin met inzepen bij de meest aangedane huiddelen zodat hier de contacttijd het langste is.
Belangrijk is dat niet alle shampoos evenveel schuimen bij het inzepen.
Wasfrequentie
Er moet met de juiste regelmaat gewassen worden. De frequentie van wassen hangt samen met het type en de ernst van de huidafwijkingen.
Contact met de vacht/huid
Het is belangrijk dat de shampoo goed in contact komt met de huid en niet alleen met de vacht. Om dit goed te kunnen is het aan te raden bij langharige dieren de vacht, al dan niet lokaal, te scheren of kort te knippen.
Bij het gebruik van een lotion is het nodig om te scheren. Wanneer een lotion tegen de haren in wordt aangebracht komt deze ook goed in contact met de huid. Het gebruik van lotions is bij dieren met een zware vacht, zoals de Newfoundlander en de Leonberger, om deze reden niet zinvol.
Uitspoelen
Het is belangrijk de shampoo goed uit te spoelen om zo te voorkomen dat het dier na het wassen de shampoo oplikt en zo binnen krijgt. Shampoos ontwikkeld voor honden en katten zijn al extra goed uitspoelbaar.
Lotions moeten daarin tegen niet uitgespoeld worden, omdat deze middelen een residu werking hebben en na aanbrengen langere tijd effectief zijn.
Haarbalobstipatie bij uw kat
Haarbalobstipatie
Katten likken dagelijks hun vacht schoon. Hierbij slikken ze vele haren in die kleine haarballen kunnen vormen in de maag. Deze haarballen worden regelmatig uitgebraakt, een enkele keer verstoppen ze de dunne darmen. Dan spreken we van een haarbalobstipatie.
De eetlust van de kat gaat vervolgens achteruit en ze produceren geen ontlasting meer. 0ok is een veel gehoorde klacht dat ze braken. Bij buitenkatten is dit moeilijk te constateren; ze worden stiller en vooral mager.
Likken en wassen
Een echte haarbal ontstaat door veel likken, het zogenaamde 'wassen'. Een kat met veel haaruitval of huidklachten zal gemakkelijk een haarbalobstipatie krijgen. Ook katten met een anaalklierontsteking likken veel dus hierbij zien we het ook regelmatig.
Muisjes en vogeltjes
Een verstopping die niet door haren ontstaat maar bijvoorbeeld door het opeten van muisjes ed. noemen we ook een haarbalobstipatie en wordt ook als zodanig behandeld.
Tandsteen
Katten die veel tandsteen hebben of andere gebreken aan hun gebit, eten niet goed zodat ook slecht gekauwde producten gemakkelijk verstoppingen in de darmen kunnen geven. Bij gebitsproblemen is het verstandig een afspraak te maken voor een gebitsbehandeling. Hiervoor moet de kat nuchter gebracht worden, waarbij we onder een roesje het tandsteen verwijderen en eventuele losse tanden of kiezen trekken.
Therapie
We raden u aan uw kat twee maal in de week te behandelen met een haarbal-oplossend en laxerend middel: 'Kat-a-lax' of 'Lax-a-Past'. Heftige obstipatie´s moeten onder begeleiding van de dierenarts behandeld worden met Tractonorm, Isogel of Microlax/klysma´s. Meestal is de haarbal dan na 3-5 dagen geheel via de ontlasting verdwenen.
Heeft u geen kat-a-lax of lax-a-past bij de hand en verdenkt u uw kat van een haarbal, dan kunt ook olie van sardientjes / zalm of olijfolie proberen te geven.
Tijdig toedienen van een wormenkuur voorkomt spoelwormen die ook verstoppingen kunnen veroorzaken. Deze dient u voor het eerst aan de kittens te geven op de leeftijd van 4 weken. U herhaald deze ontworming elke 2 weken tot een leeftijd van 8 weken. Daarna moet het kitten nogmaals ontwormd worden op 4 en 6 maanden oud. Vervolgens ontwormen om de 3 maanden, dit geldt ook voor de volwassen katten.
Het Konijn
Het Konijn
Het konijn is officieel geen knaagdier, maar behoort tot de orde der Lagomorpha. Deze zijn gekenmerkt door het bezit van 4 snijtanden in de bovenkaak (2 grote en daarachter 2 kleine) en 2 snijtanden in de onderkaak. Met konijn coprophageert, d.w.z. dat de ontlasting van 's nachts (kleinere en zachtere keutels dan gewone) wordt opgegeten. Het dier heeft dit nodig, omdat hierdoor naast de vitamine B en K, ook eiwitten worden opgenomen. Deze stoffen worden gevormd in de blinde en dikke darm.
Rode urine
De urine is vaak donker en roodbruin, die ten onrechte vaak voor bloed of een blaasontsteking
wordt aangezien. Dit kan worden veroorzaakt door kleurstoffen uit de voeding en door een bepaald hormoon, dat afgescheiden wordt tijdens de bronstige periode.
Konijnen zullen onder bepaalde omstandigheden de jongen opeten. Dit kan gebeuren bij overbevolking, een te kleine kooi en bij overbevolking van het nest. Het kan echter ook ontstaan door teveel licht, lawaai of de geur van een naburige rammelaar (mannetje) en de jongen kunnen dan verspreid of verstoten worden door de voedster (vrouwtje). Ze kunnen bij 'alarm' krachtig roffelen met de achterpoten en bij angst gillen of krijsen.
Een konijn is 'zindelijk' d.w.z. dat ze meestal, soms pas na enige training, een vaste ontlastingsplaats opzoeken.
Ze kunnen niet goed tegen hoge tonen zoals bijv. geproduceerd wordt door een televisietoestel, ze worden hierdoor onrustig.
Meestal worden konijntjes met 7 a 8 weken verkocht. Gemiddelde leeftijd van het konijn is 5-10 jaar
(sommige echter 15 jaar!!)
Oppakken
Even vasthouden: met een hand het rugvel grijpen kan, maar is niet konijnvriendelijk en met de andere hand de achterhand ondersteunen.
Langere tijd vasthouden: konijn op de onderarm zetten met de kop bij de elleboog en met de andere hand het wegspringen beletten, of een kist of doos met een deksel tegen het wegspringen (denk aan voldoende luchtgaten).
Konijnen kunnen de rug breken bij fel verzet door afzetten met de achterpoten. Als de achterpoten los van de grond komen, willen konijnen wegspringen; goed opletten dus!! De meeste konijnen hebben er een hekel aan om telkens te worden vastgepakt en kunnen er agressief van worden, tenzij je hun vertrouwen al gewonnen hebt.
Niet doen
Konijn aan de oren of hun nekvel optillen.
Konijn in de kooi van of vlakbij cavia's zetten omdat ze elkaar nogal eens vechtwonden en de daaruit voortkomende infecties kunnen oplopen.
Tamme konijnen contact laten hebben met wilde soortgenoten.
Konijn zonder toezicht los in de kamer laten lopen (hij knaagt graag aan kabels etc.)
Konijn wassen, tenzij door de dierenarts voorgeschreven.
Konijn zoetigheid geven (ze lusten het wel!!)
Konijn gras van wegbermen geven waar honden worden uitgelaten (overbrengen van parasieten)
Konijn overmatig veel knuffelen of mee in bed nemen; laat het dier in zijn waarde.
Huisvesting
Houten hok: glad hout of hout met metaal afgezet; het hout niet verven maar alleen aan de buitenkant carbolineren en zorgen voor een waterdichte (bij een buitenhok) bovenzijde. Een luifel tegen inregenen en een ruif om verspilling en vervuiling van het voedsel te voorkomen. Bescherm ze tegen tocht, vocht en felle zon. Voor een optimale huisvesting van het konijn binnenshuis zijn uitstekende kooien verkrijgbaar bij de dierenspeciaalzaken. Kooien met een dichte plastic bovenkant zijn af te raden. Ze zijn laag en benauwd en het konijn heeft geen contact met de buitenwereld.
Bodembedekking
Stro op een houtvezellaag, nestmateriaal van papier, hooi of stro. Liever geen zand of zaagsel.
Schoonmaken van de kooi
Eenmaal per week, het ontlastingshoekje dagelijks. Eenmaal per 2 maanden het gehele hok goed reinigen met heet sodawater en goed laten drogen. Urine aanslag met azijn verwijderen. Desinfecteren met bijv. 3% creoline of 1% halamidoplossing als een dier ziek is geweest en/of is doodgegaan. Dan ook alle strooisel wegdoen. Heeft het dier VHS gehad dan de kooi een half jaar niet gebruiken!
Omgevingstemperatuur
6-29 graden Celsius; (gemiddeld 18—21 graden Celsius) En zeker niet in een vochtige omgeving!
Konijnen buiten in een ren laten lopen kan, maar zorg dan dat ze niet kunnen weglopen, dat ze zich geen uitweg kunnen graven (gazen bodem in de ren) en bescherm ze tegen roofdieren zoals katten, uilen, wezels en oververhitting (te felle zon). Een konijnenheuvel biedt een natuurlijke omgeving, maar bij ziekte of voor observatie zijn de dieren onbereikbaar.
Verzorging
Controleer de vacht regelmatig op ongedierte, wonden en kale plekken. Kijk regelmatig even in de oren of er geen korsten inzitten (oormijt) Zorg dat de nagels en de tanden niet te lang kunnen worden. Knip de nagels of laat ze door de dierenarts knippen. Borstel konijnen die teveel haar verliezen dagelijks met een zachte borstel. Houdt de ontlasting in de gaten (diarree. Was de handen na ieder contact met het konijn of zijn omgeving (strooisel) en leer dit ook uw andere huisgenoten.
Voeding
Gemengd konijnenvoer (pellets - gem. 30 gram per kg lichaamsgewicht – veel konijnen zijn te vet) en altijd hooi. Daarnaast kunnen de volgende voedselsoorten als versnapering of kleine aanvulling worden gegeven: groenvoer zoals paardebloemen, weegbree, gras, altijd vers geven, wassen en goed (af)drogen. Groenten en fruit zoals boerenkool, bloemkoolbladen en stronken, wortelen en loof, appel met schil. Groenten altijd vers geven, dus niet gekookt. Ook niet ineens overgaan, maar langzaam opbouwen in bijvoorbeeld 1-2 weken. Groenten en fruit altijd eerst wassen en drogen. Nooit voedsel uit de koelkast geven dat niet eerst op kamertemperatuur is gebracht. Voorzichtig met koolsoorten, sla en klaver, deze kunnen al in zeer kleine hoeveelheden gasvorming in de darmen veroorzaken. Granen (gerst, haver, tarwe) en oud (droog) bruin brood. Knaaghout bijv. beukentakjes met blad, wilgentakken of een flink blok hout.
Giftig zijn: Rauwe bonen, kiemende aardappelen, boterbloem, speenkruid, gouden regen, taxus en rododendron. Een konijn eet alles wat men hem voorzet en kan zelf geen onderscheid maken tussen giftige en niet giftige planten.
Drinkwater
Altijd een bakje - maar liever een flesje met drinknippel - vers drinkwater ter beschikking stellen.
Een winterwortel kan 's winters bij vorst voor enig vocht zorgen. Een konijn van 1 kg drinkt ongeveer 100 ml water per dag, tenzij veel groenvoer gegeven wordt, dan drinken ze zo'n 50 ml/dag. N.B. Géén melk geven!!
Een gezond konijn
Is gevaccineerd tegen VHS en Myxomatoseis actief, levendig, heeft belangstelling voor de omgeving, waarbij de neusvleugels voortdurend bewegen.heeft schone, heldere, open ogen en een schone neus en bek.heeft schone orenheeft nagels en tanden van normale lengte en stand, dus de tenen worden niet opgeduwd door de lengte van de nagels.heeft een gladde, aaneengesloten en glanzende vacht zonder parasieten, wonden of kale plekken.heeft een ronde, niet te dikke buik en een schone anaalstreek.beweegt zich op normale wijze voort.
Algemene adviezen voor zieke dieren
Een ziek dier kan in elkaar weggedoken zitten, rillen, lusteloos zijn, niet eten, een dorre vacht hebben met uit elkaar staande haren.
Wanneer u dit bemerkt
geef het dier extra warmte d.m.v. een lamp bij de kooi.geef het dier rust, niet onnodig storen of oppakken.bij niet drinken vocht met een pipetje ingeven.bij niet eten tanden en vooral de kiezen waarop zich vaak haken bevinden controleren en lekkere hapjes voorzetten, bijv. wat geraspte wortel of wat vers hooi. Haken aan de kiezen moeten door de dierenarts bekeken en verwijderd worden, anders is eten te pijnlijk en gaat het lekkerste hapje er nog niet in.bij diarree: hooi, hooithee; beslist geen groenvoer!!
blijft de diarree bestaan of is het konijn ernstig ziek dan naar de dierenarts; meestal is er sprake van een dysbacteriose, coccidiose of VHS wanneer het konijn niet gevaccineerd is en dan is er geen redding mogelijk!
Heupdysplasie
Heupdysplasie
Het heupgewricht is een kogelgewricht waarbij de kop van het dijbeen scharniert in de heupkom. De kop hangt via een stevige band vast in de kom. Als de kom de bovenbeenkop niet goed omsluit of als het ligament te lang is, dan is de heup onstabiel. De bovenbeenkop kan hierdoor uit de kom glijden.
Dit is pijnlijk en oorzaak van kreupelheid, soms al op jonge leeftijd.
Er ontstaat vroegtijdige slijtage van kraakbeen en afvlakking van de dijbeenkop. Hierdoor wordt de heup nog onstabieler en ontsteekt het gewricht (osteoartritis). Het gevolg hiervan is artrose: dit is een proces waarbij het lichaam extra bot aanmaakt in een poging het gewricht alsnog te stabiliseren.
Fig.1: normale heupgewricht Fig. 2: heupdysplasie met artrose
Voorkomen
Vooral grote rassen hebben te maken met heupdysplasie, bv. Duitse herders, Retrievers, Sennenhonden, Rottweilers.
Bij katten is de aandoening zeldzaam maar komt soms toch voor bij de Main Coon.
Oorzaken
De oorzaak van heupdysplasie is divers. Er spelen zowel erfelijke als omgevingsfactoren mee. Onder dit laatste vallen de voeding, groeisnelheid en manier van beweging tijdens het opgroeien (zie preventie). HD is ongeveer voor 25% erfelijk. Toch is het belangrijk niet te fokken met honden met HD. Vóór het fokken worden officiële heupfoto’s genomen van reu en teef. De röntgenfoto’s worden beoordeeld door de commissie van de Hirschfeld stichting. De uitslag wordt weergegeven met de letters van A t.e.m. E, waarbij A perfecte heupen weergeeft en E de meest erge vorm van HD. Er wordt geadviseerd enkel te fokken met honden die A of B heupen hebben.
Symptomen
- Jonger dan 3 maanden: pup lijkt onhandig door de instabiliteit van de heupen
- 3 maanden -2 jaar: Dit veroorzaakt vaak kreupelheid in de achterhand, moeite met rechtstaan en springen. Operatie is al mogelijk op deze leeftijd.
- > 2 jaar: meestal stabiliseert de toestand en ook de symptomen die op jonge leeftijd voorkwamen.
- Middelbare tot oude hond: de instabiliteit resulteert in osteoartritis. De symptomen hiervoor zijn stramheid en/of kreupelheid in achterhand. Hier volstaat medicamenteuze behandeling in 80% van de gevallen. Soms is chirurgie noodzakelijk.
Diagnose
Een officiële röntgenopname kan bij de meeste rassen gemaakt worden op 1 jaar leeftijd. Voor reuzenrassen (Deense dog, Newfoundlander enz) kan dit pas vanaf 18 maanden. Tegenwoordig nemen we ook Penn Hip opnames (Amerikaanse methode) die al op 4 maanden genomen worden. Voordeel is dat vroeger kan gestart worden met behandeling (indien nodig) en dat het trainingsprogramma op de hond kan afgestemd worden. Dus reeds op vroege leeftijd hebben we goede radiografische informatie.
Op de röntgenfoto’s wordt o.a. gekeken naar de vorm van de bovenbeenkop (Fig. 3 en 4), de overlap van kom-kop (moet >50% zijn) (Fig. 5), de Norberghoek (moet >105¢ª zijn) (Fig. 6), en de hoeveelheid artrose.
Fig. 3: normale heup Fig. 4: heupdysplasie en artrose
Fig. 5: overlap kom-kop (arcering) Fig. 6: Norberghoek links <105¢ª = HD
rechts >105¢ª= normale heup
Behandeling
- Conservatief: dit heeft goed resultaat als de HD niet te ernstig is en bestaat uit 3 punten: ontstekingsremmers, gecontroleerde beweging en gewichtscontrole.
- Femurkopexcisie: hierbij wordt de dijbeenkop verwijderd. Het principe bestaat uit het vermijden van het pijnlijke bot-bot-contact (kop-kom-artrose). (Fig. 7 en 10)
- TPO: (Triple Pelvic Osteotomy) = bekkenkanteling. Hierbij wordt de bekkenkom aan zijn 3 beenderige takken losgezaagd, gekanteld en met een plaat en schroeven weer gefixeerd. De bekkenkom bedekt zo de bovenbeenkop beter zodat het heupgewricht stabieler is. Deze techniek moet gebeuren voordat er slijtage is. De hond mag de hond niet meer dan 12 maanden oud zijn. (Fig. 8 en 11)
- Heupprothese: Hierbij wordt er een kunstheup gezet. Dit nieuwe kunstgewricht past perfect en de honden herstellen hier vaak erg snel van. Nadeel is dat de operatie duur is en ook gepaard kan gaan met complicaties. Deze operatie wordt gedaan wanneer de hond niet meer groeit. (Fig. 9 en 12)
- Symfysiodesis: Hierbij wordt de groeiplaat in het midden van het bekken bewust vernietigd. Het gevolg is dat de heupkom horizontaler groeit en daardoor een betere overkapping van de onderbeenkop geeft. Deze techniek is vrij recent en wordt alleen bij jonge pups van 4 maanden gedaan.
Fig. 7: Femurkopexcisie Fig. 8: TPO Fig 9: heupprothese
Fig.10: Röntgen Fig.11: Röntgen TPO Fig.12: Röntgen heupprothese
femurkopexcisie
Preventie
- Voeding: Een overvloed aan calcium kan lijden tot groeipijn, standafwijkingen of gewrichtsafwijkingen. In puppyvoeding zit de juiste verhouding calcium-fosfor. Daarbij werkt een teveel aan energie HD in de hand, doordat het gewicht en de spieren sneller toenemen dan de mate van botgroei. Daarom is het beter dat een pup “slank” opgroeit.
- Beweging: Gecontroleerde beweging (= aan de lijn, aan de fiets, zwemmen) versterkt de spieren aan de achterhand en kan zo problemen voorkomen/verminderen. Een erg onstuimige, speelse pup heeft meer kans op HD. Ook zijwaarts uitglijden op een gladde vloer kan HD in de hand werken.
- Gewicht: overgewicht kan de problemen verergeren omdat heupen overbelast worden.
- Kraakbeenbeschermers: Chondroitinesulfaat en aminoglycosiden zijn bouwstoffen die het lichaam gebruikt om kraakbeen aan te maken of te herstellen.
- Omega3- en 6 vetzuren: (zit ook in visolie) zijn natuurlijke ontstekingsremmers. Ze kunnen positieve invloed hebben op de kwaliteit van het gewrichtsvocht.
Hoge bloeddruk bij de kat
Hoge bloeddruk bij de kat
Oorzaak hoge bloeddruk bij de kat:
Een verhoogde druk in de bloedvaten is schadelijk voor organen zoals hart en nieren, als gevolg van een verhoogde bloeddruk kunnen bloedingen optreden in de ogen of de hersenen. De kat is dan plotseling blind of verlamd. Vooral katten met slecht werkende nieren of een te hard werkende schildklier hebben vaak een te hoge bloeddruk. Een juiste bloeddruk is dus van een niet te onderschatten belang, vooral bij oudere katten boven de 10jaar oud is een regelmatige controle van de bloeddruk geen overbodige luxe.
Druk meten
Het meten van de bloeddruk is een beetje vergelijkbaar met de methode die uw huisarts toepast. Er wordt een manchet om de poot van de kat aangebracht en een stukje vacht ter hoogte van de pols of het zoolkussen afgeschoren. Daar wordt wat gel op gedaan en een element, dat aangesloten is op een bloeddrukmeter, opgelegd. Deze zogenaamde dopplermeter zet veranderingen in de bloeddruk om in geluidssignalen. Door de manchet op te pompen en weer leeg te laten lopen wordt de druk gemeten. Dit wordt enkele malen herhaald zodat de kat aan de procedure went en de stress afneemt.
Heeft uw kat een te hoge bloeddruk (boven de 180 mmHg), dan wordt er bloed afgenomen voor verder onderzoek naar de nier- en schildklierfunctie.
Behandeling
De behandeling bestaat uit het toedienen van bloeddrukverlagende medicijnen. Er wordt gekozen voor een betablokker of voor een calciumblokker. Deze middelen verwijden de bloedvaten en verlagen zo de bloeddruk. De behandeling is levenslang. Zeldzame bijwerkingen kunnen zijn zwakte, lusteloosheid en flauwtes.
De optimale dosering wordt voor iedere kat vastgesteld door controle van de bloeddruk na aanvang van de behandeling.
Homeopathie als additief
Homeopathie
Homeopathie is ontstaan aan het einde van 18e eeuw, in een tijd van aderlaten en purgeren als behandelmethoden, en chirurgijnen en alchemisten als dokters en apothekers. Hahnemann hanteerde de similia gedachte als basisprincipe, geen nieuwe gedachte, maar hij heeft hem goed uitgewerkt.
Similia Similibus Curentur = het gelijke worde met het gelijkende geneze
Het best passende middel brengt de energie van het lichaam weer in balans, waardoor het lichaam zich kan herstellen en de symptomen verdwijnen. Dat heet totale genezing.
Voor een homeopathische behandeling zijn veel meer gegevens en vooral andere gegevens nodig, Daarom krijgt u een lijst met vragen.
Met behulp van deze gegevens wordt het best passende middel gezocht. Tijdens het consult wordt er dieper op de antwoorden in gegaan om tot een goede keuze te komen.
Niet iedere klacht is geschikt voor een homeopathische behandeling, klachten die wel met homeopathie behandeld worden zijn: huidklachten, klachten van het maag-darmkanaal, urineweg aandoeningen, bewegingsstoornissen, (gedragsproblemen) en vruchtbaarheidsproblemen.
Bij ernstige infecties, botbreuken en ziekten als suikerziekte, is de reguliere geneeskunde de beste keus.
Dierenarts C. Verweij kan u goed inlichten over de mogelijkheden van een homeopathische behandeling, zij is gecertificeerd door de Studiegroep Complementair werkende Dierenartsen. Zie www.scwd.nl
Huidschimmel infecties
Huidschimmel infecties
Infecties met huidschimmels zien we regelmatig bij de katten, konijnen, cavia´s en af en toe bij de hond. De klachten variëren sterk, de een wordt helemaal kaal, de ander heeft slechts enkele korstjes. Het is ook mogelijk dat de mens door zijn huisdier besmet wordt.
Katten kunnen drager zijn van een huidschimmel zonder er zelf ziek van te zijn of letsel van te hebben.
Voorkomen
Zoals gezegd komen schimmelinfecties vaker bij de kat voor dan bij de hond. Voornamelijk langharige katten zijn vatbaar. Binnen de kattenfokkerij vormen schimmelinfecties een groot probleem. Vooral bij groepen katten (cattery's, asiels) is de ziekte moeilijk te bestrijden.
Oorzaak
De verwekkers zijn schimmels of gisten die zich hebben gespecialiseerd in het leven op de huid. Het gaat dus om een ander soort schimmel dan u op oud hout, kaas, brood en dergelijke aantreft. Er zijn een aantal van deze ziekteverwekkers bekend. Bij de hond en de kat gaat het meestal om microsporie, een infectie met de schimmels microsporum gypseum of microsporum canis. Bij andere diersoorten gaat het vaak om trichophytie, veroorzaakt door trichophytonsoorten. Deze huidschimmels leven van keratine, een stof die voorkomt in huid en haren. Ze planten zich voort door sporen. Dat zijn microscopisch kleine zaadjes die zeer lang - ook in extreme omstandigheden - kunnen overleven. Dit laatste maakt de behandeling moeilijk en vaak langdurig. De schimmel op het dier laat zich wel aanpakken, maar de sporen in de omgeving kunnen jarenlang voor problemen zorgen. De weerstandsopbouw van dieren tegen schimmels is niet erg groot.
Verschijnselen
Dieren met een schimmelinfectie hebben huidklachten. Dit uit zich meestal als korstjes, pukkeltjes, schilfers en soms kale plekken. Voorkeurplaatsen zijn de kop, de oren en de nagels.
De ziekte kan zich uitbreiden over het hele lichaam. De dieren hebben weinig tot matige jeuk.
Schimmelinfecties zijn besmettelijk, dus als u meerdere dieren in huis hebt is de kans dat zij ook klachten hebben of krijgen groot. Ook de mens kan besmet raken. Bij ons ontwikkelt zich dan een zogenaamde ringworm. Deze begint als een klein rood bultje en veranderd in een steeds groter wordende rode ring, met binnen en buiten de ring schijnbaar normale huid. Vooral kinderen zijn de dupe omdat hun weerstand minder is dan die van volwassenen en het contact vaak inniger.
Vooral bij langharige katten (bijvoorbeeld Pers of Maine Coon) komen er dieren voor die wel besmet zijn met een schimmel, maar zelf geen letsel of last van hebben. Deze 'dragers' zijn echter wel besmettelijk en kunnen de ziekte overbrengen naar andere dieren. Bij twijfel kunnen deze katten hierop getest worden met een zogenoemde 'tandenborstelmethode'. Als blijkt dat het dier drager is, zal ook dit dier behandeld moeten worden.
Diagnose
Op grond van de verschijnselen kan nooit met zekerheid worden gezegd dat een dier schimmel heeft. Verder onderzoek is dus nodig. Dit onderzoek kan bestaan uit het beschijnen van de aangetaste huid met UV-licht (black-light), het maken van huidafkrabsels voor microscopisch onderzoek of het inzetten van een schimmelkweek. De methode met UV-licht is simpel en snel, maar niet 100% betrouwbaar, want sommige soorten schimmel lichten groen op als ze bestraald worden door UV-licht, maar ook huidschilfers, ontstekingsproducten en enkele zalven kunnen een positieve uitslag geven.
Het huidafkrabsel kost iets meer tijd maar is betrouwbaarder. Toch is het mogelijk dat je net een paar haren treft (bekijkt) die niet aangetast zijn terwijl het dier toch besmet is. De kweek is de meest betrouwbare methode, maar ook de kostbaarste. Helaas duurt het vaak twee weken voor de uitslag bekend is. Dit komt doordat schimmels langzaam groeien.
Behandeling
De behandeling bestaat uit een combinatie van een shampoo en/of pillen. De pillen bevatten een stof die via het lichaam in de haren wordt ingebouwd en giftig is voor schimmels, de shampoo bevat een ander schimmeldodend middel. De pillen kunnen het beste met wat vet eten worden ingegeven, dit bevordert de opname van het medicijn uit de darm. Met de shampoo wordt het dier om de 4 dagen gewassen. De behandeling duurt minimaal 4 weken, maar vaak langer. Dit komt doordat de medicijnen eerst in het haar moeten worden ingebouwd voordat de schimmel afsterft. Aangezien haren traag groeien, duurt het lang voor de schimmel verdwenen is. Het is aan te raden om langharige katten te scheren zodat de shampoo goed contact kan maken met de huid en de besmetting van de omgeving ook verminderd wordt.
Hiernaast moet ook de omgeving goed worden schoon gemaakt. Vooral als de besmetting al langer bestaat of als er veel dieren tegelijk aangetast zijn kunnen veel sporen in de omgeving zitten. Als deze niet goed vernietigd worden kunnen de problemen steeds weer terugkeren. De omgeving moet regelmatig grondig gewassen worden met een sterk verdunde anti-mycoticum zoals imaverol, vraag ernaar in de dierenkliniek. Dagelijks huishoudelijk schoonmaken is bij elke besmetting noodzakelijk.
Preventie
Schimmel is een besmettelijke ziekte. De beste manier om een besmetting te voorkomen is ieder contact met andere dieren te vermijden. Dit is natuurlijk niet uitvoerbaar. Plaatsen waar veel dieren bij elkaar zitten, zoals tentoonstellingen, cattery's en asiels vormen een extra groot risico. Het is verstandig om direct contact tussen de dieren onderling, maar ook tussen hun eigenaren, te beperken. Dit kan door bijvoorbeeld de dieren niet samen in een kooi te zetten, vooral geen kammen en borstels wisselen en de dieren niet door iedereen te laten aanhalen. Verder is een goede vachtverzorging van belang; een gezonde goed verzorgde huid is niet zo vatbaar voor schimmels als een huid vol korstjes en wondjes. Ook de vacht klitvrij houden.
Huisdier mee op vakantie
Uw huisdier mee op vakantie
Steeds meer mensen nemen hun hond of kat mee naar het buitenland. Men moet er echter wel rekening mee houden dat door veel landen eisen worden gesteld aan de invoer van uw huisdier. Sommige landen hebben hun eigen eisen. In o.a. Nieuw Zeeland moet uw dier minstens 7 maanden voor vertrek een rabiësvaccinatie en bloedonderzoek gehad hebben. Informeer dus tijdig bij uw dierenarts over de te treffen maatregelen. Ook kunt u informatie inwinnen bij de luchtvaartmaatschappij.
Reizen
Als er gereisd gaat worden met trein of vliegtuig moet ruim van tevoren worden gekeken naar de vervoersvoorwaarden voor hond of kat. Zo moet vaak voor bepaalde modellen transportkooien worden gezorgd, en stelt een maatschappij bovendien vaak eisen aan grootte of gewicht van het huisdier. Tenslotte moet er rekening mee worden gehouden dat de kosten voor het meenemen van een huisdier relatief hoog kunnen zijn.
Wanneer gereisd wordt met de auto moeten huisdieren verplicht op een veilige manier vervoerd worden ofwel in een bench of achter een rooster ofwel speciale lijn met harnas wat in het koppelstuk van de autogordel kan worden gestoken.
Sommige dieren hebben last van wagenziekte, maar in overleg met de dierenarts kunnen daarvoor passende tabletten worden gebruikt. Het grootste directe gezondheidsrisico in de auto is echter oververhitting. Honden en katten zijn voor hun warmteregeling afhankelijk van verdamping via de tong (d.m.v. hijgen) en kunnen niet transpireren. In een kleine ruimte zoals een auto kunnen honden en katten relatief snel oververhit raken, met als ernstigste gevolg een vaak fataal aflopende hitteberoerte. Zorg dan ook voor voldoende ventilatie en laat huisdieren nooit in de auto achter, ook niet als het naar menselijke maatstaven niet zulk warm weer lijkt te zijn.
Vaccinaties en documenten
Wanneer een huisdier wordt meegenomen naar het buitenland is het verplicht om minimaal 21 dagen voor vertrek een inenting te laten geven tegen hondsdolheid (rabiës). De maximale geldigheidsduur van deze vaccinatie is 3 jaar, maar sommige landen hanteren andere termijnen. Tevens moeten honden, katten en fretten ook in het bezit zijn van het Europees paspoort en een identificatie chip hebben.
Dierenartsen hebben de beschikking over een lijst waarop per land de invoervoorwaarden staan vermeld en het is verstandig om ruim van tevoren vast even hiernaar te informeren. Deze lijst wordt regelmatig bijgewerkt en bevat ook informatie over bijkomende invoervoorwaarden.
Zo is het voor veel landen voldoende wanneer de dierenarts de gegevens over de rabiësenting invult in het normale vaccinatiepaspoort, samen met de in dit paspoort opgenomen gezondheidsverklaring. Maar het kan ook zijn dat een extra gezondheidsverklaring nodig is die enkele dagen voor vertrek moet worden afgegeven.
Bovendien stellen sommige landen aparte eisen aan de taal waarin verklaringen gesteld moeten zijn. Voor een aantal - voornamelijk buiten Europa gelegen - landen is het noodzakelijk om inentingsbewijzen en gezondheidsverklaringen te laten legaliseren door de RVV en soms ook door het consulaat van het betreffende land. Tenslotte gelden voor o.a. Scandinavië, Australië en Nieuw-Zeeland aparte en zeer uitgebreide procedures, waarvan onder meer invoervergunningen, bloedonderzoeken en allerlei diergeneeskundige verklaringen deel uitmaken.
Indien huisdieren worden meegenomen naar een van deze landen is het verstandig om zeker een half jaar van tevoren dit al met de dierenarts te bespreken.
Voor de invoereisen per land klik hier.
Dieet en medicijnen
Wanneer een hond of kat dagelijks medicijnen moet innemen of op een speciaal dieet staat moet een voldoende grote voorraad daarvan worden meegenomen. Het is lang niet altijd zeker dat dierenartsen in het buitenland over dezelfde producten beschikken. Houd ook rekening met de bewaarmogelijkheden op reis en op de vakantiebestemming: vooral afwijkende temperatuur en luchtvochtigheid kunnen de kwaliteit van medicijnen of dieet zeer negatief beïnvloeden. Neem bij twijfel dan ook contact op met de dierenarts die daarover passende adviezen kan geven. Zorg ervoor dat naam en dosering van medicijnen goed leesbaar op de verpakking staan en vraag de dierenarts eventueel om een passende vertaling zodat er bij onverwacht dierenartsbezoek in het buitenland geen misverstanden kunnen ontstaan.
Bij huisdieren met een wat uitgebreidere ziektegeschiedenis is het verstandig een korte samenvatting daarvan mee te nemen: indien mogelijk in de taal van het vakantieland maar in ieder geval in het Engels.
Tenslotte is het altijd verstandig om van tevoren met de dierenarts te overleggen of reeds bestaande aandoeningen niet zouden kunnen verergeren door het reizen of bijv. door de klimatologische omstandigheden in het land van bestemming.
Ziektepreventie
Wanneer huisdieren worden meegenomen naar het buitenland kunnen zij besmet raken met bepaalde parasitaire aandoeningen die daar inheems zijn, maar in Nederland niet aanwezig zijn. Hoewel nooit alle risico´s weggenomen kunnen worden zijn er inmiddels voor de drie belangrijkste aandoeningen die ten zuiden van ons land voorkomen redelijke tot goede preventieve mogelijkheden. Het gaat daarbij om hartworm, babesiose en leishmaniose. Het is dan ook zeer belangrijk om de benodigde en beschikbare maatregelen tijdig met de dierenarts te bespreken; een goed moment daarvoor is het bezoek i.v.m. de voor het buitenland noodzakelijke rabiësvaccinatie.
Hartworm
De belangrijkste hartworm, die luistert naar de naam Dirofilaria immitis, zorgt in Europa voor steeds meer problemen. Beneden de lijn Parijs - Milaan komt deze infectie inmiddels overal voor met de hoogste besmettingscijfers in riviergebieden als de Po-vlakte in Italië en de Rhône-delta in Frankrijk. Maar eigenlijk is geen enkel gebied in de zuideuropese landen volledig vrij van hartworm. Honden en katten raken als ze worden gestoken door bepaalde muskietensoorten besmet met de larfjes van deze hartworm. Dergelijke larfjes worden microfilariën genoemd. Binnen enkele maanden kunnen die larfjes uitgroeien tot volwassen wormen van meer dan 20 cm. lang die verblijven in het hart of in de longslagaders. Deze volwassen wormen produceren vervolgens niet alleen weer duizenden nieuwe larfjes maar zorgen ook voor ernstige klachten. Er kunnen soms wel tientallen wormen aanwezig zijn die bovendien jarenlang in leven blijven. Wanneer met bepaalde middelen geprobeerd zou worden die wormen te doden (zoals we gewend zijn te doen bij bijvoorbeeld lintwormen en spoelwormen) kunnen er gevaarlijke complicaties ontstaan. Bij het doden van hartwormen kunnen namelijk wormrestanten in de bloedbaan gaan circuleren en zo zorgen voor een levensbedreigende ´embolie´. Deze restanten lopen vast in kleinere bloedvaten waardoor de bloedvoorziening van bepaalde weefsels blokkeert en er infarcten kunnen ontstaan. Daarom geldt hier nog sterker als anders het bekende gezegde: voorkomen is beter dan genezen.
In die gebieden waar met hartwormlarfjes besmette muskieten leven is het dan ook essentieel om honden en katten preventief te behandelen. En omdat je nooit kunt voorkomen dat huisdieren worden gestoken door muskieten gebruikt men daarvoor dus middelen die er voor zorgen dat alle hartwormlarfjes die het lichaam binnenkomen meteen worden gedood voordat ze kunnen uitgroeien tot volwassen worm. Deze preventie is niet alleen belangrijk voor honden en katten die in besmette gebieden leven maar ook voor dieren die daar op vakantie met hun eigenaren naar toe gaan. En aangezien de besmetting voorkomt in veel van de meest populaire vakantiegebieden is het bijzonder makkelijk dat dierenartsen in Nederland nu de beschikking hebben over een geregistreerd middel om honden en katten veilig (en 100% effectief!) te beschermen tegen infecties met hartworm.
Voor de bestrijding van hartworm kunt u kiezen uit een tabletvorm namelijk Milbemax of een "spot-on" pipet Stronghold.
Babesiose
Babesiose is een bloedziekte die veroorzaakt wordt door een parasiet die in de rode bloedcellen leeft - Babesia canis. Bepaalde tekensoorten vormen de overbrenger van de infectie, zodat het risico om besmet te worden gebonden is aan het gebied waar deze besmette teken voorkomen.
Vroeger ging het daarbij alleen om het Middellandse Zee gebied, maar inmiddels heeft gestage uitbreiding naar het Noorden plaatsgevonden. De rand van het gebied ligt momenteel ongeveer ter hoogte van de Belgisch-Franse grens, maar er zijn recent ook al besmettingen gemeld die ontstaan zijn in België. Katten zijn niet gevoelig voor deze infectie, maar honden worden ernstig ziek. Er vindt een snelle bloedafbraak plaats en de urine wordt vaak rood tot roodbruin van kleur door de uitscheiding van afvalstoffen van deze bloedafbraak. Daarnaast krijgen de dieren o.a. hoge koorts. Er zijn medicijnen beschikbaar, maar desondanks is het sterfterisico groot.
Om dergelijke problemen te helpen voorkomen zijn er in grote lijnen twee mogelijkheden: tekenbestrijding en vaccinatie. Om met het laatste te beginnen: er bestaat een vaccin tegen babesiose dat ook in Nederland op de markt is. Het is echter erg duur en sommigen zetten vraagtekens bij de werkzaamheid en de veiligheid. Het kan zeker een bijdrage aan de preventie leveren maar de dierenarts beschikt over alle informatie om per geval een afweging te kunnen maken of vaccinatie al of niet zinvol is. Een goede tekenbestrijding is essentieel maar helaas niet altijd even makkelijk. Er zijn diverse middelen beschikbaar, o.a. sprays, spot-on´s en banden, de effectiviteit is niet 100%. Vooral het tempo waarin een eenmaal aangehechte teek dood gaat speelt daarbij een rol. Het duurt naar wordt aangenomen minimaal 24 uur voordat een teek na zich te hebben vastgebeten de Babesia parasiet in het lichaam van zijn slachtoffer gaat uitscheiden. Omdat niet alle teken altijd binnen die 24 uur gedood zullen worden is het belangrijk om zichtbare teken direct te verwijderen. Bij de dierenarts zijn speciale tekenpincetten verkrijgbaar waarmee een teek simpel en veilig verwijderd kan worden. Vooraf verdoven van de teek is niet nodig, en kan zelfs een risico inhouden omdat de teek als reflex extra maagdarminhoud in het lichaam van zijn slachtoffer kan spugen. Door de combinatie van een anti-tekenmiddel en het consequent verwijderen van zichtbare teken kan het risico om babesiose op te lopen zeer sterk worden verkleind.
Het blijft echter aan te raden om bij verdachte symptomen direct een dierenarts te bezoeken.
Leishmaniose
Leishmaniose wordt veroorzaakt door de parasiet Leishmania donovani, een infectie die binnen Europa in toenemende mate wordt aangetroffen in de landen rond de Middellandse Zee.
Overbrengers van de parasiet zijn zandvliegjes van de soort Phlebotomus: het gebied waar dieren besmet kunnen raken is dus gebonden aan het voorkomen van deze zandvliegjes.
Honden (en soms ook mensen) zijn gevoelig voor de parasiet, bij katten worden nauwelijks problemen gezien. Het kan geruime tijd duren voordat een besmette hond daadwerkelijk verschijnselen gaat vertonen: minimaal een maand, maar soms wel vele jaren. Er bestaat een huidvorm van de ziekte en een algemene vorm. Mogelijke huidverschijnselen zijn schilfering, kaalheid, kleine korstjes en soms wat grotere knobbels in de huid. Jeuk treedt daarbij vrijwel nooit op. Bij de algemene vorm worden ook inwendige organen aangetast zoals lever, milt en nieren. Er bestaan enkele medicijnen tegen de parasiet, maar bijwerkingen komen regelmatig voor. Bovendien leidt behandeling zelden tot genezing - hoewel de problemen vaak een tijd lang onder controle gehouden kunnen worden zijn de uiteindelijke vooruitzichten slecht.
Een vaccin tegen de ziekte bestaat nog niet, dus de enige preventie is er voor te zorgen dat honden niet door zandvliegjes worden gebeten. Overdag houden deze zandvliegjes zich verscholen, maar rond zonsondergang komen zij te voorschijn; het kan dus zinvol zijn honden vanaf dat moment zo veel mogelijk binnen te houden. Daarnaast heeft de Dierkliniek Scalibor tekenbanden en Advantix "spot-on" pipetten die gebruikt kunnen worden als preventie.
Kat als huisdier
Kat als huisdier
De kat is een dier dat al duizenden jaren door de mens als huisdier wordt gehouden. In het oude Egypte stond zij hoog in aanzien, getuige de vele kattenmummies die bewaard zijn gebleven. Waarom mensen katten als huisdier zijn gaan houden is onbekend, maar het is redelijk om aan te nemen dat katten in het begin gebruikt werden om ongedierte te bestrijden. Later is men ook z'n kwaliteiten als huisgenoot gaan waarderen.
Rassen
Zoals met al onze huisdieren zijn er ook bij de kat vele rassen ontstaan, met elk hun eigenaardigheden. Het meest voorkomende kattenras in Nederland is de Europese Korthaar, ook wel huis- of straatkat genoemd. Ze zijn er in allerlei kleuren en formaten. Hiernaast zijn er Perzen met hun lange haren en platte neus, Siamezen en Abessijnen met hun spitsere koppen en ranke bouw, Heilige Birmanen met hun witte voetjes enzovoorts.
Verzorging
Katten stellen niet veel eisen aan hun verzorging. Een schone kattenbak, een mand op een tochtvrij plekje, schoon drinkwater en op tijd wat eten en uw kat is tevreden. Het voedsel moet wel geschikt zijn voor katten. Katten zijn echte vleeseters die een hoogwaardige voeding nodig hebben. Als katten van de tafel mee eten of bijvoorbeeld hondenvoer eten kunnen ze ernstige vitaminetekorten krijgen. Geef uw kat dus kattenvoer, er is keus genoeg.
De kattenbak moet dagelijks verschoond worden. Katten kunnen besmet zijn met toxoplasmose, een darmparasiet, die ook bij mensen (zeker bij zwangere vrouwen) klachten kan geven. De infectie wordt overgebracht via sporen in de ontlasting van de kat. Deze sporen moeten eerst rijpen en zijn pas na 48 uur gevaarlijk voor de mens. Wanneer u de bak dus dagelijks verschoont loopt u geen risico. Poezen doen hun best om hun vacht netjes op orde te houden, maar langharige dieren moeten dagelijks helemaal geborsteld worden, omdat anders hun vacht vervilt. Zorg voor maandelijkse vlooienbestrijding en ontworm uw kat vier keer per jaar. Geef ze een krabpaal, dan kunnen ze hun nagels scherpen zonder het meubilair te vernielen.
Kind en poes
Katten zijn heerlijke speelkameraadjes voor kinderen. Er zijn echter wel een paar zaken waar u op moet letten. Zorg dat het dier ingeënt, ontwormd en vlooienvrij is. Hou altijd toezicht als uw kind met dieren aan het spelen is. Kleine kinderen weten niet altijd wat ze wel en niet met hun huisdier kunnen doen. Zeker bij oudere dieren die geen kinderen gewend zijn, is het goed om extra op te letten. Mocht uw kind desondanks gekrabd of gebeten worden door een kat, ontsmet de wond dan direct. Merkt u dat de wond dik, warm en pijnlijk wordt dan is er sprake van een ontsteking en kan het verstandig zijn om de huisarts in te schakelen.
Kind en hond
Kind en hond
Kinderen en honden zijn voor veel mensen een ideale combinatie. Een hond kan voor een kind een speelkameraad zijn. Toch worden kinderen regelmatig gebeten. De laatste tijd wordt erg veel aandacht besteed aan het Pitbull en Rottweilerprobleem. Weliswaar zijn deze honden verantwoordelijk voor een aantal ernstige ongelukken, maar we moeten ons wel realiseren dat de meeste beten nog steeds uitgedeeld worden door andere rassen. Meestal gaat het hier om heel gewone huishonden.
De keuze en de opvoeding van een hond in een gezin met jonge kinderen.
De hond
Honden zijn van nature vleesetende roofdieren die in groepsverband jagen en een strikte rangorde kenner die bovendien bevochten moet worden. Misschien is dit wat moeilijk voor te stellen als u een harige bobtail of een bibberend schoothondje ziet, maar ook uw hond stamt af van een wild roofdier.
Honden worden al sinds de steentijd door mensen voor allerlei doeleinden gebruikt. Hondenfokkers hebben door de eeuwen heen dieren geselecteerd op specifieke eigenschappen voor een taak die zij wenselijk achten. Een vechthond moet sterk, vasthoudend en agressief zijn. Een herder waaks, beschermend en bereid om vreemden op afstand te houden. Terriërs moeten een sterk ontwikkeld jachtgedrag hebben, enzovoorts. Tegenwoordig ligt dat anders, de meeste honden worden gehouden als huisdier en niet meer voor de jacht of het bewaken van een kudde. Hiermee zijn we al bij een van de oorzaken van ongewenste agressiviteit aangeland. De eigenschappen waar fokkers vroeger hun honden op selecteerden kunnen nu voor grote problemen zorgen. Een herder die fanatiek zijn terrein bewaakt doet uitsluitend waar hij voor gefokt is, maar de postbode en buurtkinderen zijn daar niet blij mee. Met de keuze van een ras moet u hier rekening mee houden. Een andere belangrijke oorzaak van dominantie is de rangorde in de groep en het vechten voor de plaats daarin. Het eigen karakter van de hond zal de drang bepalen naar die bepaalde plaats in die groep.
Keuze van een hond
Als u op zoek gaat naar een hond voor uw gezin is het verstandig om eerst voor u zelf op een rijtje te zetten wat voor soort hond u wilt en ook wat u van het dier verwacht. Moet het een grote hond zijn of heeft u liever een klein, makkelijk te vervoeren exemplaar? Ook het karakter van de hond is zeer belangrijk. Een hond die 'alles met zich laat doen' is ideaal voor kinderen, maar zal weinig waaks zijn. Maak een lijstje van de eisen die u aan uw huisdier stelt en ga dan op zoek naar een hond die hier zoveel mogelijk aan voldoet. Nadere informatie kunt u altijd krijgen via hondenclubs, rasverenigingen, asiels en natuurlijk uw dierenarts. De ideale kinderhond, die onder alle omstandigheden bij kleine kinderen te vertrouwen is, bestaat niet. Iedere hond, zelfs de allerliefste, kan uitvallen als hij maar lang genoeg geplaagd wordt. Er is geen vast advies te geven wat voor soort hond nu het beste is voor een gezin. Dit hangt van uw verwachtingen en de omstandigheden af. In het algemeen is het zo dat vecht, waak en verdedigingshonden minder geschikt zijn bij kleine kinderen, maar er zijn uitzonderingen.
Opvoeding
De opvoeding, of liever het gebrek hieraan, is een van de belangrijkste oorzaken voor problemen tussen mens en hond. Veel problemen zijn terug te voeren op dominantieproblemen. Simpel gezegd gaat het erom wie de baas is. De hond of zijn eigenaar. Uiteraard moet dit de laatste zijn, maar het gaat nog wel eens mis. Dit is te herkennen aan kleine dingen. Een hond die bijvoorbeeld zijn baas aan de riem over straat sleurt heeft duidelijk het heft in handen. Hetzelfde geldt voor een hond die met grommen de baas bij zijn etensbak verjaagt, of niet toestaat dat iemand in 'zijn' stoel gaat zitten. Daarom is van groot belang om vanaf het eerste moment te gaan werken aan de opvoeding van uw hond. Gelukkig hoeft u dit niet alleen te doen. Overal worden gedrag- en gehoorzaamheidscursussen gegeven voor hondenbezitters. Deze cursussen zijn zowel voor de hond als voor de baas zeer nuttig en leerzaam. Adressen kunt u vinden in plaatselijke kranten, via asiels of bij uw dierenarts. Begin er vroeg mee, want een hond van jongs af aan goed opvoeden is gemakkelijker dan later een slechte opvoeding corrigeren.
De oudere hond
Soms is de hond er al voordat er kinderen in een gezin komen. In deze gevallen moet u de hond leren de kinderen te accepteren. Dit is lastig, maar gelukkig niet onmogelijk. Let erop dat u bij de geboorte van een baby ook nog wat tijd reserveert voor de hond, zodat deze zich niet in de steek gelaten voelt. Laat hem de baby zien en besnuffelen, maar maak meteen duidelijk dat ook dat kleine hummeltje zijn baas is. Dit betekent dat hij niet mag grommen naar het kind, het kind zijn eten weg mag pakken, enzovoorts. Let hier goed op, want we zien nog wel eens gevallen waarbij de hond goed naar pa luistert, matig naar ma en de kinderen bijt. Een enkele keer accepteert de hond het kind echt niet. In deze gevallen zijn er drie mogelijkheden. De eerste is hond en kind permanent gescheiden houden, de tweede een ander huis voor de hond zoeken en als laatste, als niets anders helpt, euthanasie.
Samenvatting
Kinderen en honden kunnen prima samen. Toch is het verstandig om even stil te staan bij de keuze van een hond. Heeft u een hond aangeschaft begin dan meteen met zijn opvoeding, liefst door met het dier een cursus te volgen. Als laatste, kinderen kunnen zeer onverwachte dingen doen. Laat kinderen daarom nooit met honden alleen!
Moederloze pups en kittens opvoeden
Moederloze puppy's en kitten opvoeding
Het kunstmatig opfokken van pups en kittens zal nodig zijn als het moederdier is gestorven en er geen pleegmoeder kan worden gevonden. Een pleegmoeder met jongen van dezelfde leeftijd heeft altijd de voorkeur. Het kan ook zijn dat de moeder onvoldoende of geen goede melk heeft voor de pup, waardoor er moet worden bijgevoerd.
Huisvesting
Hygiëne is natuurlijk van essentieel belang. De jongen kunnen het best op een schone deken of kranten worden gehuisvest. Zaagsel is voor pups en kittens ongeschikt. Hierin kunnen namelijk snel infecties optreden, die worden bevorderd door de voor pups en kittens relatief hoge omgevingstemperatuur.
Pups en kittens kunnen hun lichaamstemperatuur niet constant houden, onafhankelijk van de omgevingstemperatuur. Gedurende de eerste 4 weken verandert dit grotendeels. Omdat hun lichaamstemperatuur afhankelijk is van de omgevingstemperatuur, is een constante temperatuur van 30-32 C in de eerste week wenselijk. Gedurende de volgende 3 weken moet de omgevingstemperatuur geleidelijk naar 24 C worden verlaagd. Een vochtigheid van 55-60% wordt geadviseerd.
Samenstelling teven- poezenmelk
De totale hoeveelheid melk neemt na de colostrale periode die 1 tot 3 dagen duurt, toe tot 3-4 weken post partum en neemt na de 4e of 5e week weer af. Verder is er een samenhang tussen de hoeveelheid melk, de lichaamsgrootte en het aantal pups.
De dagelijkse melkproductie van de teef in relatie tot het aantal pups ( gram / kg lichaamsgewicht)
| Aantal Puppy's |
Week 1 |
Week 2 |
Week 3 |
Week 4 |
Gemiddeld |
| Tot 4 |
17 |
19 |
25 |
28 |
22 |
| 4 - 6 |
33 |
43 |
55 |
59 |
47 |
| Meer dan 6 |
44 |
60 |
66 |
60 |
57 |
Melkvervangers
Het is het eenvoudigst om een goed, fabrieksmatig bereid, melkvervangend preparaat te gebruiken. Het is niet eenvoudig om zelf een kunstmatige teven-of poezenmelk te bereidden. Kunstmelk moet een hoog percentage eiwit met een zeer hoge biologische waarde bevatten, omdat anders een aminozuur-onevenwichtigheid ontstaat, waarvoor pups en kittens zeer gevoelig zijn.
In geval van nood kan voor enkele dagen een eigen substituut worden gemaakt, maar er moet zo snel mogelijk op een uitgebalanceerd preparaat worden overgegaan.
Recept voor kunstmatige tevenmelk:
- 500g volle melk
- 470g (circa 9) eieren (dooier+wit)
- 60g slagroom (40%vet)
- 15g glucose
- 4g citroenzuur
- 1g fosforzure kalk
- 9g melkzure kalk (13% CA)
Als dit mengsel langer moet worden gevoerd dan enkele dagen, moeten de eieren worden gekookt om de avidine te vernietigen. Het mengsel bewaren in de koelkast.
Verzorging en voeding
Pups en kittens moeten in de eerste week minimaal 8x daags gevoerd worden, om de 3 uur. Er kan ook worden gekozen 9x daags te voeren om de 2 uur, maar dan 's nachts om de 4 uur. De voeding kan worden toegediend met een zuigfles met speen. Dit geldt voor kittens, bij pups echter is het gevaar voor verslikken. Het gebruik van een maagsonde is daarom zeer aan te raden.
Voor de maagsonde kiest men een dunne soepele sonde om slokdarmletsel te voorkomen. Eerst wordt de afstand gemeten van de mond tot de laatste rib waarna een merkteken op de sonde wordt gezet. Vervolgens wordt de sonde via het bekje en de slokdarm in de maag geschoven. Het risico dat de sonde in de luchtpijp komt is uitermate gering: het jong zal in dat geval gaan hoesten. Vervolgens wordt de spuit met de hoeveelheid melk op de sonde geplaatst en rustig in 1,5-2 minuten leeggedrukt; daarna wordt de sonde teruggetrokken.
Na iedere voeding moet met een propje watten de peri-anaalstreek en onderbuik worden gemasseerd, waarna urine- en feaceslozing meestal volgen.
Vanaf 3 weken kan worden getracht pups en kittens van een schotel te leren eten. Hiertoe kan b.v. een melksubstituut gemengd met blikvoer worden gebruikt.
Groei
De gemiddelde groei van een pup moet zijn1,6-4g/24 uur/kg van het te verwachten gewicht op volwassen leeftijd; 1,6g voor een pup met een volwassen gewicht van 60kg en 4g voor een pup van 5 kg.
Een kitten waarvan het geboortegewicht ligt tussen 90 en 140 gram zal gemiddeld 15g per dag groeien. Kittens van oosters type en Begijnen zijn vaak wat lichter en zullen dan ook wat minder groeien. Pups en kittens die volledig met de hand worden grootgebracht zullen meestal minder hard groeien dan jongen die in een normale situatie verkeren waarbij het moederdier haar jongen verzorgt.
Niesziekte
Niesziekte
Niesziekte is de meest voorkomende infectieziekte bij de kat.
Het is een uiterst besmettelijke aandoening die alle slijmvliezen van het lichaam aantast en waar katten flink ziek van kunnen zijn.
Oorzaak
Niesziekte is een ziekte die door meerdere kiemen wordt veroorzaakt.
De belangrijkste zijn het calici virus, het rhinotracheitis virus en chlamydiae (een klein soort bacterie).
De ziekteverschijnselen die deze verwekkers veroorzaken lijken zo sterk op elkaar dat ze samengevat worden onder de noemer niesziekte. Vaak is er sprake van een menginfectie met meerdere ziektekiemen.
Besmetting
De ziekte wordt verspreid door katten. De belangrijkste manier van verspreiding is via kleine vochtdruppeltjes beladen met ziektekiemen die een besmette kat door te niezen de lucht inblaast. Deze druppels zijn zo klein dat ze lang (uren) in de lucht kunnen blijven hangen en over grote afstanden met de luchtstroom mee vervoerd kunnen worden. Vooral op plaatsen waar veel katten bij elkaar zitten in een kleine ruimte, zoals cattery's, asiels of dierenpensions, kunnen epidemieën uitbreken.
Hiernaast kan de ziekte ook worden overgedragen door besmette manden, kooien of via handen, kleding en schoeisel van de mens.
Verschijnselen
De naam niesziekte is wat misleidend want niet iedere kat met niesziekte, niest ook.
Niesziekte tast de slijmvliezen van ogen, luchtwegen en het maag/darmstelsel aan. Besmette katten hebben ontstoken ogen, vieze neusuitvloeiing en soms zweertjes op de tong. Vaak gaat het geheel gepaard met diarree. Ze hebben koorts en laten hun eten en drinken staan en niezen of kwijlen vaak.
Dieren die niet drinken, kunnen binnen korte tijd uitdrogen. Ook zijn de aangetaste slijmvliezen van de luchtwegen een vruchtbare voedingsbodem voor allerlei andere kiemen, die onder andere longontstekingen kunnen veroorzaken. Vooral jonge dieren kunnen heel ziek zijn van een niesziekte infectie. Hun afweersysteem is nog niet volledig ontwikkeld en ze zijn vaak nog niet ingeënt. Toch is niesziekte - mits tijdig ontdekt - met een goede behandeling volledig te genezen.
Behandeling
Zoals gezegd wordt niesziekte veroorzaakt door enkele virussen en vooral de chlamydia. Er bestaan nauwelijks medicijnen om de niesziektevirussen te bestrijden, voor de chlamydia bestaan die er wel. Dit betekent dat de behandeling er vooral uit bestaat bijkomende infecties te onderdrukken, uitdroging te bestrijden en eventueel de patiënt dwangvoeding te geven.
In onze praktijk betekent dit dat de patiënt antibiotica en indien nodig infuus krijgt, aangevuld met licht verteerbaar en smakelijk dieetvoer.
Voorkomen
Voorkomen is beter dan genezen luidt een oud gezegde. Ook voor niesziekte gaat dit op.
Het is goed mogelijk door inenten, dieren te beschermen tegen niesziekte. Deze inentingen worden aan gezonde dieren gegeven om te voorkomen dat ze ziek worden. Als ze ziek zijn moeten ze eerst genezen zijn voordat een enting zin heeft.
Jonge katten kunnen vanaf negen weken leeftijd ingeënt worden tegen niesziekte. Voor een goede bescherming is het raadzaam om deze enting na drie weken te herhalen, hierna is een.jaarlijkse herenting nodig.
Samenvatting
Niesziekte is bij de kat een veel voorkomende ziekte. Het is goed te behandelen, maar voorkomen door de dieren in te enten is beter. Helaas geeft een enting geen volledige garantie dat uw kat nooit de niesziekte zal krijgen, maar het vermindert de kans op ziek worden en bevorderd het herstel bij infecties.
Mocht uw dier toch niesziekte verschijnselen vertonen bedenk dan dat hoe eerder een behandeling door uw dierenarts wordt ingesteld, des te groter de kans op genezing is.
Ontwormen
Ontworming
In de totale verzorging van uw hond of kat mag naast onder andere de jaarlijkse vaccinatie en de vlooienbestrijding een regelmatige ontworming niet ontbreken.
Er zijn verschillende soorten wormen. Bij hond en kat komen spoelwormen (Toxocara spp., Toxascaris), haakwormen (Ancylostoma, Uncinaria), zweepwormen (Trichuris), hartwormen (Dirofiliria) en lintwormen (Taenia spp., Dipylidium spp.) voor.
Hier in Nederland komt het voornamelijk de lint- en spoelworm voor.
Spoelwormen:
Met name bij pups en kittens is een goede ontworming van belang. De meeste pups hebben spoelwormen. Dit komt doordat zij vaak al in de baarmoeder besmet worden door larven uit de moeder en doordat er een besmetting via de moedermelk en vanuit de omgeving plaatsvindt. Ook volwassen honden worden vanuit de omgeving besmet met spoelwormen of door het eten van prooidieren die de worm bij zich dragen.
Lintwormen:
Een lintworm besmetting is voornamelijk lastig wanneer lintwormsegmentjes (met de eitjes) actief kruipend de anus verlaten en zo jeuk veroorzaken. Als deze segmentjes indrogen lijken ze op rijstekorrels. De eitjes van een deel van de lintworm-soorten die in de omgeving belanden kunnen door eventueel aanwezige vlooienlarven worden opgegeten. De vlo die zich uit deze larve ontwikkelt, wordt dan drager van de lintworm en besmet de gastheer als deze de vlo oplikt. Allerlei zoogdieren, zoals bijvoorbeeld de muis, kunnen als tussenstation dienen en besmet zijn met de spoel- en lintwormlarven van de hond en de kat. Katten die muizen eten kunnen op die manier spoelwormen én lintwormen krijgen. Zeker bij die dieren die af en toe iets kunnen vangen is regelmatig ontwormen daarom belangrijk.
Zowel spoelwormen als lintwormen kunnen de mens besmetten!
Vooral kinderen worden door hun intensief contact met honden en katten gemakkelijk besmet. Als gevolg van een lintwormbesmetting ontstaan meestal milde verschijnselen zoals vage buikklachten en jeuk aan de anus. Door een besmetting met de larve van de hondenspoelworm kunnen bij kinderen ernstigere problemen ontstaan zoals leveraantasting, droge hoest, astma-aanvallen, gewrichts- of spierpijn, jeuk en zelfs epileptische aanvallen.
Mede ook vanuit het oogpunt van de volksgezondheid adviseren wij daarom een goed ontwormingsschema met effectieve middelen:
Pups en kittens op 2, 4, 6 en 8 weken ontwormen, daarna elke 2 maanden tot de leeftijd van een half jaar en vervolgens 4 keer per jaar. Volwassen honden en katten 4 maal per jaar.
Over de juiste keuze van ontwormmiddel adviseren wij u graag.
Oogproblemen
Infotheek: Oogproblemen
Symptomen
Raadpleeg uw dierenarts bij een van de volgende symptomen: ze kunnen gewoon op een allergie wijzen maar ook worden veroorzaakt door ernstige problemen zoals hoornvliesbeschadigingen.
- Uitvloeiingen of troebelheid;
- Rode of ontstoken ogen;
- Derde ooglid zichtbaar;
- Tranenvloed;
- Uitpuilende of verzonken ogen;
- Korsten of ontstekingen rond het oog;
- Verlies van gezichtsvermogen;
- Toenemende jeuk en pijn.
De belangrijkste oogaandoeningen bij de hond
STAAR
Staar is een troebeling van de lens van het oog, waardoor deze ondoorlaatbaar wordt voor licht. Het toont zich doordat de zwarte pupil in het centrum van de gekleurde iris geleidelijk grijzig en later wit wordt.
In het begin ontstaat hierdoor het beeld als bij het kijken door matglas, bij verergering zal geleidelijk volledige blindheid ontstaan.
Een enkele keer ontstaat staar al op jonge leeftijd, soms wordt het gezien als complicatie bij suikerziekte, maar in de meeste gevallen gaat het om honden met ouderdomsstaar.
Bij honden zien we vanaf een leeftijd van 9 jaar dat de lens heel geleidelijk troebel wordt.
Zeker in het begin heeft het dier daar nog geen last van. Pas na verloop van tijd kan merkbaar zijn dat de hond geleidelijk minder gaat zien. Volledige blindheid zien we vooral bij honden die 14 jaar of ouder zijn.
Door de geleidelijke ontwikkeling past een dier zich meestal goed aan bij een verminderd gezichtsvermogen. Binnenshuis zal het niet eens opvallen, zolang de spullen in huis op dezelfde plaats blijven staan. Een hond kent de weg in huis blindelings.
Buitenshuis kan loslopen problemen geven, vooral als het om een oude hond gaat waarvan ook het gehoor afneemt.
Een groot verschil met mensen is natuurlijk ook dat honden niet lezen of tv kijken en daarom veel langer tevreden kunnen zijn met een wat minder scherp zicht.
Net als bij mensen is ook bij honden een staar operatie mogelijk.
Bij het bovenbeschreven verloop bij oudere honden is dat meestal niet aan de orde. De mate waarin de hond door de kwaal wordt gehinderd, rechtvaardigt de operatie niet.
Bij een jonge hond met staar ontstaat de blindheid vaak veel sneller, zodat het dier zich minder kan aanpassen. Bovendien is de last die het dier ervan ondervindt bij een jonge actieve hond veel groter.
In dat geval kan een hond voor operatie verwezen worden naar een oogspecialist.
Als bij controle blijkt dat het netvlies nog wel goed functioneert kan tot operatie worden besloten.
Bij deze operatie wordt de ondoorzichtige lens verwijderd. Na een geslaagde operatie kan de hond weer zien, zij het met een minder scherp beeld.
Allerlei nieuwe mogelijkheden die er voor mensen beschikbaar zijn, kunnen geleidelijk ook wel bij dieren worden toegepast. Lasertechniek en kunstlenzen zijn in principe ook bij dieren mogelijk.
Het al dan niet tot operatie besluiten zal een afweging zijn van de mate waarin een dier last heeft van het slechte gezichtsvermogen en wat de operatie betekent in belasting van het dier en de portemonnee van de eigenaar.
CONJUNCTIVITIS
De meest voorkomende oogaandoening bij hond en kat is conjunctivitis, een ontsteking van het slijmvlies van de oogleden en soms het oogwit.
Verschijnselen:
Roodheid en uitvloeiing, van waterig tot pus, traanstrepen, ingedroogd materiaal in de ooghoek.
Oorzaak:
De oorzaak is vaak irritatie door tocht of een tikje tegen een oog, bij het spel of in het struikgewas opgelopen. Lang niet altijd is de oorzaak op te sporen en het ene dier is gevoeliger dan het andere.
Soms wordt de ontsteking veroorzaakt door een afwijking aan de oogleden, haartjes op de rand of standsafwijkingen; soms door een afwijking van het oog zelf of door onvoldoende traanproductie.
Als beide ogen ontstoken zijn kunnen ook allergieën of infectieziekten oorzaak zijn.
Vooral aandoeningen van de luchtwegen, zoals niesziekte bij de kat, gaan nogal eens samen met ontstoken ogen.
Behandeling:
Zo nu en dan een slijmpropje in de ooghoek is normaal; schoonhouden is dan voldoende.
Ook een lichte conjunctivitis met alleen wat waterige uitvloeiing kan verbeteren met alleen het schoonhouden van het oog met lauw gekookt water.
Bij een langduriger lichte ontsteking of als er pus te zien is, is controle door de dierenarts nodig, zeker als er ook sprake is van zwelling van oogleden en/of het dichtknijpen van het oog.
Er zal dan allicht behandeling nodig zijn met antibioticum zalf of druppels en mogelijk een specifiekere behandeling als er bijvoorbeeld een beschadiging van de oogbol of een voorwerpje in het oog geconstateerd wordt.
KERATOCONJUNCTIVITIS SICCA (KCS)
Deze term staat voor ontsteking van oogleden en hoornvlies door "droge ogen", onvoldoende traanproductie.
Voor een gezond oog is het nodig dat het oppervlak voortdurend vochtig gehouden wordt. Daar zorgt een aantal traanklieren voor en door het knipperen van oogleden wordt dit traanvocht over de oogbol verspreid.
De vorming van onvoldoende traanvocht kan het gevolg zijn van beschadiging van de traanklier of een complicatie bij bepaalde ziekten, als gevolg van een aantal geneesmiddelen of een immuunstoornis.
Sommige rassen zijn gevoeliger dan andere.
Meestal ontstaat het op latere leeftijd; een enkele keer zien we het als aangeboren afwijking.Met een teststrookje kan de traanproductie gemeten worden. Als er in 1 minuut onvoldoende vocht door het speciale filtreerpapierstrookje wordt opgezogen weten we dat de traanproductie onvoldoende is.
Een oog met kcs is echt "vuil"; taaie pus blijft tussen de oogleden hangen.
In een later stadium worden veranderingen aan het hoornvlies zichtbaar, een dof grijzig oppervlak.
Als door ontsteking het hoornvlies ondoorzichtig wordt, leidt dat tot blindheid.
De behandeling van deze aandoening is intensief.
De ogen moeten vele keren per dag worden schoongespoeld en ingedruppeld worden met kunsttranen. Een aantal keren per dag is een antibioticum zalf nodig.
En daarnaast wordt nog gebruik gemaakt van een speciale zalf dat het vermogen heeft de traanproductie aan te zetten. Als deze zalf aanslaat kan het oog weer heel ver genezen, al is ook dan levenslange behandeling van het oog nodig om ontsteking onder controle te houden.
Oorontstekingen
Oorontsteking
Oorontstekingen zijn veel voorkomende problemen bij hond en kat. De dieren schudden met hun kop, krabben aan hun oor en piepen soms van de pijn. Het oor zelf is vies, rood, warm en stinkt vaak. In de meeste gevallen is er sprake van een ontsteking van de gehoorgang. Af en toe zien we bij onze huisdieren middenoorontstekingen.
Voorkomen
Alle honden- en kattenrassen kunnen een oorontsteking krijgen. Bij honden is het wel zo dat sommige rassen hier meer last van hebben. Voorbeelden zijn Cocker Spaniels, Duitse Herders en Golden Retrievers.
Oorzaken
Bij jonge dieren en bij katten, die veel buiten komen, zijn oormijten een belangrijke oorzaak voor jeuk en oorontstekingen. Oormijten zijn kleine witte spinachtige insecten die leven van oorsmeer. Ze zijn zo klein dat ze met het blote oog moeilijk zijn waar te nemen. Ze kunnen ook hevige jeuk aan kop en hals geven, die soms zelfs na bestrijding van de mijten nog enkele weken aanhoudt. Hiernaast zijn er verschillende soorten bacteriën en gisten die ook graag in de gehoorgang leven en kunnen daar voor problemen zorgen (warm, vochtig en voedsel).
Diagnose
Een oorontsteking is niet moeilijk te herkennen. Het dier flappert met z'n oren of krabt eraan, piept soms van de pijn en houdt dan vaak ook zijn kop scheef. De binnenkant van de oorschelp is rood en vies, kan bovendien zeer onaangenaam ruiken en het oor kan veel vloeibaar oorsmeer verliezen.
Bij een middenoorontsteking kan het evenwichtsorgaan aangetast worden. Dan zijn de klachten ernstiger. Het dier loopt vaker met de kop scheef en kan evenwichtsstoornissen krijgen, loopt dan kringetjes of valt zelfs om.
Bij ieder dier met een oorontsteking is goed onderzoek van belang. Met een oorkijker kijken we of er oormijten, vreemde voorwerpen, gezwelletjes of diepe infecties in de uitwendige gehoorgang zitten. Soms is aanvullend onderzoek nodig. Hierbij kunnen we denken aan een uitstrijkje of een kweek van het oorsmeer, maar ook aan röntgenfoto's van de schedel of een scopie van de gehoorgang tot aan het trommelvlies.
Behandeling
Bij oormijt kunt u met speciale insecticide-houdende zalf en druppels stronghold in de nek een volledige genezing bekomen. Bij infecties met bacteriën of gisten zijn antibiotica of antischimmel-houdende zalven nodig. Als de gehoorgang erg vies is spoelen we eerst (eventueel onder verdoving) de oren uit. Eventueel kunnen we bij dieren die veel last hebben pijnstillers of jeuk onderdrukkende tabletten meegeven om de pijn te verlichten. Bij een middenoorontsteking is een (langdurige) behandeling met antibiotica noodzakelijk.
Dieren met steeds terugkerende of chronische ontstekingen kunnen een dichtgewoekerde gehoorgang krijgen. Op gezwellen en vreemde voorwerpen moet gecontroleerd worden. Uw dier kan door zo'n afsluiting of een beschadiging van het trommelvlies meer of minder doof zijn. We kunnen operatief deze woekeringen verwijderen. Daarbij leggen we een gedeelte van de uitwendige gehoorgang open om ruimte te krijgen. Tevens komt meer ventilatie in het oor waardoor ontstekingen drastisch verminderen. Deze operatie (Zepp) passen we ook toe bij chronische oorontstekingen.
De gehele gehoorgang verwijderen we alleen in uiterste noodzaak als laatste redmiddel bij hopeloze gevallen. De hond wordt dan helaas doof.
Zalven
In de meeste gevallen zullen wij u vragen om de oren van uw dier met zalf te behandelen. Dit gaat als volgt.
Zorg dat een klein beetje zalf aan de buitenkant van het tuitje van de tube zit. Dit vergemakkelijkt het inbrengen. Het is belangrijk om de zalf in de gehoorgang zelf aan te brengen zo diep mogelijk. Dit betekent dat u het oor aantrekt omhoog en bij een kat het tuitje voor de helft en bij een grote hond helemaal in het oor steekt en dan het oor samen met de tube iets laat zakken.
Knijp dan een beetje zalf uit de tube. Masseer lichtjes, de zalf verspreidt zich zelf wel door de warmte en beweging. Masseren drukt de zalf ook weer naar buiten. In de diepte zit het probleem. Maak indien nodig met een wattenprop de oorschelp schoon (geen wattenstaafjes!!!). Deze behandeling moet, tenzij anders voorgeschreven, dagelijks herhaald worden. De dierenarts zal een eventuele controle na de kuur aanraden.
Bij sommige honden is het dan ook verstandig om regelmatig de oren te reinigen door middel van een oorcleaner om zo ontstekingen te voorkomen.
Samenvatting
Vermoedt u bij uw dier een (midden)oorontsteking laat dan snel het dier onderzoeken. Het is een pijnlijke kwaal en de problemen kunnen soms ernstiger zijn dan u denkt.
Opvoeding van moederloze konijnen
Opvoeding van moederloze konijnen
Het geboorte gewicht van het konijn is afhankelijk van het ras; gemiddeld is het ongeveer 40g. De jongen komen blind en kaal ter wereld en blijven 3 weken in het nest dat bestaat uit borst-en buik haren van de moeder. Een jong van een middel groot ras heeft een gewichtstoename van ongeveer 25 g per dag.
Bij het spenen op een leeftijd van 6 weken is het gewicht dan ongeveer 1 kg. De opname van vast voedsel begint op een leeftijd van 3-4 weken. De normale lactatieperiode is 4-6 weken, waarbij de voedster 160-200g melk per dag kan produceren. De hoeveelheid opgenomen melk per jong stijgt van ongeveer 5 tot 40 g per dag op een leeftijd van 2-3 weken. De zoogfrequentie is 1-2 keer per 24 uur.
Overzicht analyse van moedermelk en melkpoeder
| |
Eiwit |
Vet |
Lactose |
| Konijn |
32.0 % |
49.0 % |
6.0 % |
| KMR + Multi milk |
32.2 % |
49.6 % |
5.6 % |
De mengverhouding is 3 delen Multi milk, 1 deel KMR en 5 delen water. Eerst de 2 poeders goed mengen en daarna pas lauw warm water toevoegen en goed schudden tot de poeder helemaal opgelost zijn.
De melk dient afgekoeld te zijn voor het in de koelkast geplaatst kan worden. De aangemaakte melk is maximaal 24 uur houdbaar.
Huisvesting
Voor het werpen dienen voedsters een nestkast te hebben of gehuisvest te worden op een laag stro of hooi.
Verzorging en voeding
Moederloze, jonge, tamme of wilde konijnen kunnen worden ondergeschoven bij een tamme voedster. Dit is mogelijk tot ongeveer 2 weken na de geboorte. Voor de opfok met de hand wordt het melkvervangend preparaat 1 keer per etmaal kort na zonsondergang verstrekt. Door middel van een oogdruppelaar of speentje van een fles wordt de warme kunstmelk in de bek gebracht. Echter is de overlevingskans erg laag bij hand opfok.
De optimale temperatuur voor de jongen is ongeveer 37 C gedurende de eerste levensdagen.
Patellaluxatie
Losse knieschijf
Bij een knieschijfverplaatsing (patellaluxatie) ontwricht de knieschijf. Het is een aandoening die vaak voorkomt, zowel bij grote als kleine rassen, zowel bij oude als jonge honden.
Symptoom
Bij patellaluxatie ontlast de hond die poot en hinkt af en toe met de poot. De poot wordt tijdelijk opgeheven tijdens het wandelen. Na enkele stappen schiet de knieschijf meestal weer goed en loopt de hond weer even normaal. De patellaluxatie is meestal niet erg pijnlijk.
Voorkomen
Er bestaan twee vormen: een verplaatsing van de knieschijf naar binnen of naar buiten. De meest voorkomende vorm is de patellaluxatie naar binnen toe (95%). Deze is vaak erfelijk en komt vooral voor bij kleine rassen zoals Yorkshire terrier, Chihuahua, dwergpincher, enz. Problemen ontstaan vaak als de hond net volgroeid is (6 maanden oud), maar kunnen ook pas later ontstaan.
Bij de tweede vorm verplaatst de knieschijf naar buiten. Dit is eveneens vaak erfelijk van oorzaak maar komt minder vaak voor (5%) en wordt vooral gezien bij grote rassen zoals Pyreneese berghond, Flatcoated Retriever, enz. Dit leidt tot erge standafwijkingen en de honden hebben hier last van.
Anatomische oorzaken
Waarom ontwricht een knieschijf? Dit is meestal een gevolg van verschillende botafwijkingen (ontwikkelingsstoornissen).
De knieschijf beweegt lineair in een groeve en deze groeve kan te ondiep zijn zodat de knieschijf niet "verzonken" ligt. De ophangbanden van de knieschijf kunnen te lang zijnDe knieschijf hangt via een rechte band vast op een botuitsteeksel van het scheenbeen. Dit uitsteeksel (tuberositas) kan te veel naar binnen liggen en daardoor de knieschijf uit zijn groeve trekken (Fig. 2).Het dijbeen en het scheenbeen horen rechtlijnig te zijn. Soms is de ontwikkelingfout zo groot dat deze botten getordeerd zijn (uiteinde gedraaid). Hierdoor ontstaat een afwijkende knie of heup (Fig. 2).
Fig. 1: normale heup en knie Fig. 2: patellaluxatie naar binnen
Afhankelijk van de ernst van de afwijkingen verdelen we patellaluxatie in vier groepen. Groep 1 en 2 geven weinig problemen en vergen geen chirurgische behandeling. Bij groep 3 en 4 zit de knieschijf continu verkeerd en kan de hond haast niet steunen op dit been. Hier is een chirurgische ingreep noodzakelijk.
Behandeling
Bij groep 1 en 2 wordt vaak goed resultaat geboekt met ontstekingsremmers, injectie anabolicum (versterken van de dijspier) en juiste beweging.
Bij groep 3 en 4 is chirurgie noodzakelijk. Hierbij wordt:
de groeve van de knieschijf uitgediepthet gewrichtskapsel opgespannende aanhechting van de rechte knieband op het scheenbeen verplaatst. De botpunt wordt afgezaagd, verplaatst en met een pin in de juiste positie gefixeerd.Een extra band rondom de knieschijf aangelegd, die de knieschijf naar de juiste kant trekt.
Vaak worden meerder van deze technieken tegelijk gebruikt. Welke technieken gecombineerd worden, hangt af van de ernst van de afwijkingen, het karakter/temperament en de leeftijd van de hond.
Prognose
Voor groep 1 en 2 is de prognose goed. Voor groep 3 en 4 bestaat de kans op bijkomende problemen:
De knie is erg onstabiel als de knieschijf verplaatst is. Hierdoor worden de kruisbanden overbelast en kunnen ze scheuren. Er ontstaat vaak artrose ten gevolge van de patellaluxatie. De patellaluxatie zorgt er ook vaak voor dat de kraakbeenlaag onder de patella wordt afgeschuurd. Ook dit versnelt artrosevorming.Bij zeer ernstige afwijkingen bestaat de kans dat de knieschijf zelfs na operatie nog verplaatst, waardoor een tweede operatie noodzakelijk is.
Nabehandeling
De herstelperiode duurt 2 tot 3 maanden. Gedurende die periode krijgt de hond lijnrust.
Penn hip
Penn Hip:
Wetenschap ter eliminatie van heupdysplasie bij de hond
Over HD:
Heupdysplasie is de meest voorkomende, erfelijke orthopedische aandoening. Bij bepaalde rassen zijn meer dan 50% van de honden aangetast. Het betreft vooral grote hondenrassen.
Oplossing:
Beter voorkomen dan genezen! Er dient geselecteerd te worden op honden met nauwaansluitende heupen. Enkele dezen mogen ingezet worden in het fokprogramma. Voor honden die toch "losse" heupen blijken te hebben, kunnen we een goed bewegings- en voedingsplan met u uitwerken om de schade binnen de perken te houden.
Procedure:
Met de PennHip methode wordt de laxiteit van de heupen gemeten. De laxiteit geeft de graad van "losheid" weer van de dijbeenkop in de heupkom en dit op het moment dat de spieren helemaal ontspannen zijn. Om spierspanningen te voorkomen, wordt uw hond onder gehele anesthesie gebracht.
Radiografische opnames:
De PennHip methode omvat 3 verschillende opnames:
1) gewone extensie opname
Deze was tot nu toe de gangbare opname. Het geeft een goed beeld over de
hoeveelheid arthrose. Maar deze techniek kan geen onderscheid maken tussen
normale heupen en heupen zonder arthrose, die toch gevoelig zijn om HD te gaan
ontwikkelen.
2) Compressie opname:
Hierbij wordt de kop van het dijbeen in de heupkom geduwd. De diepte van de heupkom wordt op deze opname gemeten.
3) Distractie opname:
Hierbij wordt de maximale laxiteit van de heupen gemeten. Deze is steeds groter dan de laxiteit gemeten op de gewone extensie opname.
Aan de hand van deze opnames wordt de distractie-index berekend.
Resultaat Penn Hip en Interpretatie van de uitslag:
Binnen 3 weken ontvangt u en uw dierenarts het verslag. Dit bevat de distractie-index. Het cijfer tussen 0 en 1 geeft de laxiteit van de heupen weer. Hoe groter het getal, hoe losser de heupen. Het is bewezen dat lossere heupen meer kans hebben om arthritis te ontwikkelen. Honden met een DI lager dan 0.3 hebben weinig kans op arthritis in de toekomst.
„X De resultaten van uw hond worden vergeleken met de gemiddelde resultaten van dat ras. Er wordt een gradering gegeven. Op basis hiervan kan de fokker zijn kandidaten voor de fok kiezen. De kandidaat moet bij de beste 50% van zijn ras horen.
„X Er wordt vermeld of uw hond op dat moment al arthritis heeft.
Voordelen: Penn Hip is de meest accurate screening methode om HD te beoordelen en kan reeds vanaf 4 maanden ouderdom bepaald worden. Bij huidige HD opnames moeten de honden 12 tot 18 maanden zijn. Deze informatie is van onschatbare waarde, of de hond nu dienst doet in de fok, als werkhond of als huishond.
Voor de fokker: deze informatie kan gebruikt worden om te selecteren op nauwaansluitende heupen. Dit selectieproces kan doorgevoerd worden zonder dat andere, belangrijke genetische kenmerken verloren gaan. Binnen een paar generaties worden er al vooruitgang geconstateerd wat betreft de heupen.
Voor de eigenaar: met deze methode kunnen we voorspellen hoeveel kans uw hond heeft om arthritis te ontwikkelen op latere leeftijd. We kunnen zijn levensstijl aanpassen om de ontwikkeling van HD zoveel mogelijk af te remmen (beweging – voeding – medicatie)
Kosten: de kosten bestaan uit de anesthesie, het afdrukken van de films, verzendkosten en beoordelingskosten in Amerika. Samen bedraagt dit ongeveer 250 euro. De uitslag ontvangt u binnen de 3 weken. Deze kosten zijn vergelijkbaar met die van de huidige officiële HD-foto's.
Links:
www.vet.upenn.edu/pennhip
Plassen of poepen naast de bak of in huis
Plassen naast de bak of elders in huis
De meeste katten die (deels) binnen gehouden worden, doen hun behoefte netjes op de kattenbak. Soms gebeurt dit echter niet en dan vormt dit gedrag een groot probleem voor u als eigenaar.
Als de kat naast de bak plast, is het heel belangrijk om onderscheid te maken tussen sproeien en echt plassen. Sproeien behoort tot het markeergedrag van de kat waarmee hij een geurspoor uitzet. Dit gebeurt in staande houding met opgeheven staart, waarbij een kleine hoeveelheid urine tegen verticale objecten wordt gedeponeerd. Het echte plassen gebeurt in zittende houding en normaal zijn het flinke hoeveelheden. Als de kat heel vaak en met kleine beetjes plast dan is er vaak een blaasontsteking aanwezig. Het is dan verstandig om zo snel mogelijk de kat en de urine te laten nakijken.
Er kunnen verschillende redenen zijn waarom de kat het naast de bak doet;
-
Sommige kittens zijn niet bak zindelijk gemaakt door de moeder, hetzij omdat de moederpoes het ook niet was, hetzij omdat de kittens te vroeg bij de moeder zijn weggehaald. Ook katten die gewend zijn om hun behoefte buiten te doen, zullen moeten leren om hier voortaan de kattenbak voor te gebruiken. De bak kan dan gevuld worden met 50% kattenbakvulling of zand en 50% grond uit de tuin.
-
De plaats van de kattenbak is erg belangrijk. Vooral nerveuze dieren willen graag een rustige plek, het liefst in een hoek. Soms helpt een overdekte bak om de kat zich veiliger te laten voelen, maar anderen hebben een hekel aan een dak boven hun hoofd. De bak moet makkelijk bereikbaar zijn, zeker voor oudere dieren, die anders niet de moeite meer nemen om naar de bak te gaan. Ook als er meerdere dieren in één huis wonen is het verstandig om meer bakken neer te zetten (de regel is 1 bak per kat en dan nog een extra). De meeste katten doen hun behoefte niet in de buurt van hun etensbak, houdt daar rekening mee met het zoeken naar een plek.
-
Sommige katten hebben een hekel aan bepaalde soorten kattenbakvulling. Dit kan omdat de scherpe steentjes pijnlijk zijn aan de poten (vooral als de kat nooit buiten komt) of omdat de geur hen niet aanstaat (bij geparfumeerde kattenbakvulling). Het loont dan ook de moeite om een fijnere soort te proberen of gewoon (gesteriliseerd) zand.
-
Soms gebruiken katten de bak niet meer zodra deze één of enkele keren gebruikt is of zodra er een andere kat op geweest is. In dat geval moet de bak zeer regelmatig verschoond worden. Bij nerveuze katten echter iets minder vaak, zodat de geur van de eigen urine de bak tot een vertrouwde plaats maakt voor de kat.
-
Veranderingen van leefsituatie is een belangrijke oorzaak van het in huis plassen. Voorbeelden hiervan zijn:
- Geboorte van een kind
- De aanwezigheid van een gast
- Het behangen van de woning
- Een nieuwe plant
- Het verplaatsen van de meubilair
- Nieuwe voorwerpen in huis brengen (denk aan plastic zakken)
- Etc…..
-
Als de kat blaasontsteking of obstipatie heeft gehad, kan hij de bak soms associëren met pijn. Dan is het vaak nodig om een nieuwe bak te kopen en deze op een andere plaats te zetten.
-
In ernstige gevallen helpt het soms om de kat gedurende één week op te sluiten in één kamer, zodat hij weer het onderscheid leert tussen de plaats om de behoefte te doen en de gewone leef- en eetruimte. Als het goed gaat kan de kat geleidelijk weer in de rest van het huis worden toegelaten, de eerste tijd alleen onder toezicht.
Bevuilde plaatsen moeten eerst zorgvuldig worden schoongemaakt en weer helemaal droog zijn voordat de kat weer in de die ruimte wordt toegelaten. Het beste kan schoon worden gemaakt met een warm sopje van vloeibare zeep en daarna met spiritus (wel eerst uitproberen of de stof er tegen kan). Gebruik nooit ammonia, want dit ruikt voor de kat als urine.
Maak de kattenbak met Dettol schoon,gebruik geen chloor. Dit omdat chloor een aantrekkelijk luchtje is om juist te gaan plassen voor de kat.
Als de kat één of enkele vaste plaatsen heeft om te plassen, dan kan het helpen om na het schoonmaken enkele dagen een bakje met wat voer neer te zetten. De meeste katten zullen niet plassen in de buurt van een voederplaats.
De kat mag nooit gestraft worden voor zijn gedrag. Hierdoor wordt het dier angstig en zal nog meer geneigd zijn om de behoefte op ongewenste plaatsen te doen. Als u de kat betrapt moet u hem rustig oppakken en op de bak zetten en hem hier op zijn gemak stellen.
U kunt bij de assistentes aan de balie vragen om Feliway. Deze zogenaamde feromonen ruiken hetzelfde als de stoffen die de kat afgeeft bij het kopjes geven. Hiermee markeert de kat plaatsen die veilig en vertrouwd zijn. Dit is zowel verkrijgbaar in spray vorm als in verdamper vorm (deze worden in het stopcontact geplaatst).
Het gebruik hiervan geeft katten een geruststellend gevoel en kan zo helpen het sproeien of plassen te voorkomen. U kunt de spray gebruiken op plaatsen waar de kat sproeit of plast of waar u dit kunt verwachten. Denk hierbij aan stoel- en tafelpoten, de hoeken van de kamer, de deurmat, etc. Dit moet u dagelijks volhouden tot de kat op plaatsen kopjes gaat geven. Om herhaling te voorkomen dient u het nog zeker 2 weken langer vol te houden. Meestal is het verstandig om daarna nog een tijd 2-3 keer per week te sprayen. Als u de verdamper aanschaft kunt u deze voor een maand gebruiken. Ziet u verbetering moet u zeker nog een maand doorgaan (hiervoor zijn er speciale navul verpakkingen). Ziet u na een maand totaal geen verbetering, dan is het niet zinvol om hiermee door te gaan. Is het voor u een groot probleem dan is er altijd de mogelijk om u door te verwijzen naar een gedragsspecialist.
Sproeien
Het sproeien van urine is voor de meeste katten buitenshuis een normaal gedrag, ook bij gesteriliseerde en gecastreerde katten.
Het gedrag is bedoeld om het territorium te markeren, zoals katten dit ook doen door kopjes te geven en nagels te scherpen. Hiermee zetten ze hun geurspoor uit. Het markeren van het territorium dient niet alleen om indringers af te schrikken, maar vooral ook omdat de kat zich veiliger en zekerder voelt als hij omringd is door zijn eigen vertrouwde geur. Gewoonlijk sproeien katten niet binnenshuis, aangezien ze dit beschouwen als een veilige plaats die niet gemarkeerd hoeft te worden met urine.
Sproeien gebeurt in staande positie waarbij een kleine hoeveelheid urine tegen een meestal verticaal object (bijvoorbeeld: stoelpoot, gordijn of deur) gedeponeerd wordt.
Als een kat in huis gaat sproeien is dat een teken dat de kat zich op deze voorheen veilige plaats bedreigd voelt, meestal door indringers. De oorzaak hiervan is niet altijd duidelijk, maar er zijn een aantal situatie aan te geven die dit kunnen veroorzaken.
Hierbij valt te denken aan:
- nieuwe hond of kat in huis
- geboorte van een kind
- de aanwezigheid van (al dan niet tijdelijke) gasten
- het verplaatsen van meubels
- schilderen of behangen
- het in huis brengen van voor de kat vreemde voorwerpen (vaak plastic tassen)
- het aanbrengen van een kattenluik
- etc…
Bij het plaatsen van een kattenluik is er een open verbinding ontstaan met de buitenwereld, die ook voor eventuele indringers toegankelijk is. Het zou niet de eerste keer zijn dat de buurkat door het luik uw huis binnenkomt en uw eigen kat de stuipen op het lijf jaagt.
Vaak wordt er gesproeid op de deurmat en tegen jassen en tassen, ofwel voorwerpen die buiten zijn geweest. Dit wijst erop dat de kat zich bedreigd voelt door iets buitenshuis. Veelal is dit een vreemde kat die regelmatig in de tuin komt, maar sommige wat minder ondernemende katten vinden alles van buiten vreemd en beangstigend.
Sproeien komt ook vaker voor als er meer katten in één huis samen moeten leven. Hoewel sommige katten dit geweldig vinden, is de kat van nature een solitair levend dier.
Verder komt het bij sommige Oosterse rassen voor dat de kat gaat sproeien uit frustratie omdat hij vindt dat hij niet genoeg aandacht krijgt.
Het is erg belangrijk dat u zich realiseert dat sproeien een teken is van frustratie en stress. Het mooiste zou natuurlijk zijn als u kunt achterhalen wat de oorzaak hiervan is en deze oorzak weg zou kunnen nemen. Een kattenluik kan gesloten worden, zodat de kat zich in huis weer onbedreigd voelt. Een andere oplossing is een kattenluik wat dmv chipcontrole enkel uw dieren binnenlaat. De kat mag voor het sproeien nooit gestraft worden , want dit vergroot het gevoel van onzekerheid en kan het probleem doen verergeren. Het kan heel effectief zijn om de kat enige tijd op te sluiten in één kamer, waar hij zich veilig kan voelen omdat dit helemaal zijn domein is. Andere katten mogen dan ook geen toegang hebben tot die kamer. Als dit goed gaat kan de kat geleidelijk tot telkens één (goed gereinigde) kamer meer worden toegelaten, zodat hij zich het huis weer stapje voor stapje eigen maakt.
Katten die sproeien om aandacht te trekken moet u volkomen negeren tijdens en na het sproeien. Elk reactie van u, in de vorm van boosheid of anders, is in feite een beloning voor de kat. Hij krijgt immers aandacht, al is dit meestal niet positief. Negeren doet u door niet naar de kat te kijken, niets te zeggen en de kat ook niet aan te raken. Daarnaast zult u moeten proberen om de kat meer aandacht te geven, maar alleen op uw eigen initiatief, dus niet op het moment dat de kat erom vraagt.
Het krabben aan meubels, vloerbedekking of behang kan twee redenen hebben. Ten eerste om de nagels te scherpen. Dit kan meestal eenvoudig verholpen worden door een krabpaal neer te zetten op de betreffende plek en deze geleidelijk te verplaatsen naar een meer geschikte plaats.
Ten tweede om de geur uit de klieren in de voetzolen af te zetten. In wezen is dit net als het sproeien een vorm van territorium markeren en de oorzaken kunnen dan ook hetzelfde zijn als hierboven beschreven.
Pup: Aanschaf en verzorging
De aanschaf van een pup
Als u overweegt een rashond te kopen is het verstandig u van tevoren te laten informeren over eventueel voorkomende erfelijke afwijkingen die er bij het bewuste ras voorkomen (bv. heupdysplasie of oogafwijkingen). U kunt hiervoor terecht bij de rasvereniging of de dierenarts.
Als u een pup uit gaat zoeken is het belangrijk dat uw eerste indruk goed is. De pups moeten actief en vrolijk zijn. Als u met de pups speelt mogen ze niet angstig reageren.
Entingen
Als de pup 6 weken oud is, moet hij geënt worden, dit wordt echter meestal bij de fokker gedaan, zodat de pup al één enting gehad heeft als u hem/haar ophaalt.
Op de leeftijd van 9 weken moet de pup geënt worden tegen Parvo en ziekte van Weil. Om de bescherming compleet te maken wordt er na 3 weken nog een keer geënt tegen hondeziekte, hepatitis, parvo en ziekte van Weil, dit is de zogenaamde cocktailenting. Is uw pup eenmaal bij ons geënt, dan krijgt u automatisch het volgende jaar bericht voor de herhalingsenting. Bij elke enting wordt er een volledig lichamelijk onderzoek verricht en wordt het dierenpaspoort ingevuld.
Ontwormen
Bijna alle pups zijn door hun moeder (in de baarmoeder en/of via de moedermelk) besmet met spoelwormen, daarom moeten ze op jonge leeftijd al regelmatig ontwormd worden. Een goed ontwormschema is:
- 2,4 en 6 weken
- daarna om de twee maanden tot 6 maanden oud
- vervolgens 4 x per jaar.
Voeding
Er is speciaal puppyvoer in de handel. U kunt er vanuit gaan dat voedsel van de betere fabrikanten alles bevat wat uw pup nodig heeft. Belangrijk is wel dat puppy's van grotere rassen bijv de New Foundlander, Duiste Dog etc puppy voeding krijgen wat voor hen gemaakt is om gewrichtsproblemen en groeipijnen te voorkomen.
Tot een leeftijd van 3 maanden kunt u de pup het beste 3- 4x daags eten geven en vanaf 4 maanden overgaan op 2-3 x daags.
Opvoeding
De hond is van nature een roedeldier. Wanneer hij in een gezin terechtkomt gaat hij de huisgenoten als roedel zien. Hij heeft de behoefte aan een duidelijke baas, een leider. Op 3-4 maanden leeftijd gaat de hond zijn rangorde in de roedel bepalen. Leer hem dus spelenderwijs, maar consequent van jongs af aan de regels waar hij zich aan heeft te houden.
Na de enting op 9 weken kunt u met de pup op puppycursus gaan. Hier wordt u en uw hond de basisprincipes van de hondenopvoeding geleerd. De meeste honden gaan er met veel plezier naar toe !
Informeer gerust bij meerdere hondenscholen om te kijken welke het best bij u en uw hond past.
Schildklierproblemen bij de kat
Schildklierproblemen bij de kat
Bij oudere katten zien we regelmatig schildklierproblemen. De klachten variëren sterk. Meestal is er sprake van een slechte vacht, vermagering ondanks een goede eetlust, meer plassen en meer drinken.
De schildklier
De schildklieren liggen voor in de hals net onder het strottenhoofd. Bij de kat zijn ze zo klein dat deze normaal niet te voelen zijn.
De schildklieren maken het schildklierhormoon. Dit hormoon bestuurt de stofwisseling in het hele lichaam.
Oorzaak
Bij oudere katten vinden we soms gezwellen van de schildklieren. Deze zijn bijna altijd goedaardig (98%), maar kunnen meer hormoon aanmaken dan de kat nodig heeft. De stofwisseling raakt hierdoor van slag, gaat te snel, en het dier wordt ziek.
Verschijnselen
Meestal is er sprake van vermagering ondanks een goede eetlust. De vacht wordt dof en onverzorgd en de dieren kunnen gaan braken, drinken en plassen meer dan normaal.
Het gedrag kan veranderen, de dieren zijn hyperactief en soms ongedurig. Darmproblemen kunnen ontstaan, wat zich uit in obstipatie of juist diarree. Het dier heeft soms hartklachten doordat het hart overbelast raakt. De nieren worden door de snelle schildklier ook vaak overbelast. Dit geeft meestal geen klachten zolang ze nog niet ziek zijn, maar kan achteraf als alles onder controle is problemen gaan geven.
Diagnose
Uit het bovenstaande zal duidelijk zijn dat er niet 1 verschijnsel is, waardoor we met zekerheid kunnen zeggen dat het dier een schildklierprobleem heeft.
Nader onderzoek is dus nodig. Het eerste wat we doen is een algeheel lichamelijk onderzoek. We letten hierbij op de conditie van het dier, luisteren naar zijn hart en voelen naar de schildklieren. Als de schildklieren te voelen zijn, zijn ze te groot.
Dit betekent echter niet altijd dat er teveel hormoon geproduceerd wordt. Om dit vast te stellen nemen we een bloedmonster waarin de hoeveelheid schildklierhormoon bepaald wordt. Dit geeft zekerheid over de werking, dus productie van de schildklier. Bij oudere patiënten is het verstandig om meteen lever en nierfunctie na te laten kijken om zo een beter idee te krijgen over de conditie van de kat.
Behandeling
Er zijn drie opties voor behandeling van een te snel werkende schildklier.
De eerste mogelijkheid is behandeling met radioactief jodium, waarbij te snel werkende cellen kapot worden gemaakt, maar de normale schildkliercellen niet aangetast worden. Hierbij zal de kat wel enkele dagen opgenomen moet worden in een doorverwijskliniek, maar in de meeste gevallen is achteraf geen medicatie meer nodig. Deze oplossing is voor relatief jonge katten de beste optie.
Een andere optie is medicatie te geven om de schildklierwerking te remmen. Dit werkt bij de meeste katten prima, maar ze zullen wel de rest van hun leven deze medicatie moeten slikken.
De laatste optie is om de snelwerkende schildklier chirurgisch te laten verwijderen. Als één schildklier wordt verwijderd kan de andere voldoende hormoon produceren voor een normaal leven. Als beide klieren verwijderd moeten worden, zal de kan meestal levenslang aan de hormoontabletten moeten. In de zeldzame gevallen dat er sprake is van ectopisch klierweefsel (schildklierweefsel wat niet op de gebruikelijke plek in het lichaam zit), is het vaak niet mogelijk om dit weefsel te binden en dus te verwijderen.
Samenvatting
Schildklierklachten kunnen het leven van een oudere kat danig in de war schoppen. De aandoening is goed behandelbaar en heeft ook op de langere termijn gunstige vooruitzichten.
Senior Care Programma
Bij oudere dieren neemt de kans op het ontstaan van allerlei kwaaltjes toe. Dieren kunnen helaas niet zeggen dat ze zich "de laatste tijd wat minder goed voelen" of dat ze "de laatste tijd zo snel moe" zijn.
Speciaal voor de oudere hond en kat is er het Senior Care-programma.
Het onderzoek bestaat in ieder geval uit een algemeen lichamelijk onderzoek, waarbij het dier nagekeken, bevoeld en beluisterd wordt. Zo kom je over de meeste orgaansystemen (hart, longen, bloed, luchtwegen, huid, gebit, nagels) al te weten of er problemen zijn.
We nemen ook een vragenlijst met u door, zodat we kunnen zien of daar nog aandachtspunten uit komen. Het is ontzettend belangrijk dat u probeert urine op te vangen. Door een urineonderzoek kunnen we zien of er aanwijzingen zijn voor suikerziekte en/of nier en andere problemen.
Eventueel doen we een bloedonderzoek. Dit gebeurt altijd in overleg met u. Aan het bloed kunnen we zien of er sprake is van suikerziekte, nier- of leverproblemen. Mocht het nodig zijn om andere onderzoeken te doen, zoals röntgen, hartfilm of echo dan gebeurt dat natuurlijk ook altijd in overleg en hiervoor worden nieuwe afspraken gemaakt.
We hopen natuurlijk dat we geen gebreken vinden en dat u tevreden naar huis kunt gaan met uw gezonde hond en/of kat. We verstrekken u dan tips om dit zo te houden. Mochten we wel wat vinden dan kunnen we samen met u ervoor zorgen dat we tijdig ingrijpen en daarmee hopelijk kunnen we voorkomen dat er klachten komen of dat de klachten erger worden.
Naast bovengenoemd onderzoek komen ook aspecten als voeding, (gebits)verzorging, omgaan met pijn en vragen van uw kant aan de orde.
Voor dit onderzoek wordt de prijs van een consult en een urineonderzoek berekend. Dit is exclusief de eventuele onderzoeken die worden gedaan, zoals bloed, röntgen, ECG, echo, etc.
Kortom, heeft u een oudere hond of kat, laat hem/haar eens goed nakijken door uw dierenarts.
Vlooien: Effectieve vlooienbestrijding
Infotheek: Effectieve vlooienbestrijding
De cyclus van de vlo
er zijn 4 stadia, namelijk: ei, larve, pop en volwassen vlo
een normale cyclus duurt 3 tot 4 weken.
de cyclus is erg afhankelijk van klimatologische omstandigheden.
Vochtigheid lager dan 50% en temperaturen boven de 36 graden stoppen of vertragen de cyclus.
Ei
De eitjes zijn parelwit, ovaal, erg glad en hebben een lengte van 0.5 mm. Ze worden op/in de vacht van het dier gelegd door de volwassen vlo en vallen er gemakkelijk af door schudden, krabben of alleen al bewegen van het dier, de eitjes komen dan in huis terecht.
Larve
De larve is langwerpig en 2 tot 5 mm lang. Leven vooral in tapijten, scheuren en spleten en leven van voornamelijk vlooienpoep. De larve kunnen ook buitenshuis overleven.
Pop
De pop is wit, ovaal, erg kleverig en ongeveer 5 mm lang. De pop komt uit door trillingen, druk en warmte. Het stadium van de pop kan uitlopen tot een half jaar als de omstandigheden ongunstig zijn.
Vlo
De vlo heeft het bloed van een kat/hond nodig om te kunnen overleven en om zich voort te kunnen planten. De eiproduktie begint al 1 dag na het paren. Een vrouwtje legt gemiddeld de eerste 50 dagen 27 eitjes per dag. Ze kan wel 100 dagen eitjes produceren, dat betekent dat een vrouwtjesvlo wel meer dan 2000 eitjes kan leggen.
Behandeling van het dier
Voor de bestrijding van vlooien staan ons vele middelen ter beschikking. Hiervan zijn er maar enkele afdoende. Bij langharige honden/katten zijn druppels met insecticide geschikt als effectief bestrijdingsmiddel (Practic/Stronghold/Effipro/Advantage/Advantix/Advocate).
Effipro is er ook in een spray voor alle honden en katten vanaf 1 dag leeftijd.
Naast de middelen die de volwassen vlo bestrijden, zijn er ook middelen die de voortplanting van de vlo bestrijden (IGR), deze middelen verhinderen het uitkomen van de eieren en de poppen. Hierdoor sterven de vlooien binnen enkele maanden uit. (Program-injectie voor de kat welke 2 x per jaar gegeven dient te worden).
Bij grote hoeveelheden vlooien is het verstandig om dit middel de eerste maanden te combineren met een middel tegen de volwassen vlo.
Biobandjes en homeopatische vlooiendruppels hebben helaas geen aantoonbaar effect op de vlooien.
Shampoos, sprays en poeders zijn alleen geschikt als aanvullend middel bij de bestrijding van vlooien, omdat ze slechts kort werken en dus niet 100% afdoende zijn.
- Middel met Selamectine (Stronghold) of Moxidectine (Advocate)
Dit zijn pipetten die in de nek worden leeggedruppeld. Ze bevatten selamectine en beschermen uw hond en kat tegen een heleboel parasieten zoals vlooien, oormijt, schurft, spoelwormen, hartwormen en haakwormen. Dit middel zorgt er ook voor dat de eitjes niet uitkomen en dat de larven in de omgeving worden gedood. Ze kunnen al gebruikt worden bij dieren ouder dan 6 weken en kunnen 1x per maand aangebracht worden. Kan ook goed gebruikt worden bij knaagdieren en fretten voor oormijt en schurftmijt (dosering op voorschrift van de dierenarts).
- Programinjectie(alleen kat)
Program is een middel dat de vlo onvruchtbaar maakt, hierdoor kan de vlo zich niet voortplanten en krijgt men in huis geen vlooienuitbraak. Er zit geen bestrijdingsmiddel in. Dit middel doodt geen vlooien en werkt met name preventief. Vaak is het verstandig om er een vlooienbestrijdingsmiddel naast te gebruiken. Program is toe te dienen als een injectie die een half jaar werkzaam is. Zeer handig voor katten die niets vreemds willen innemen.
- Effipro spray of pipetten
Bevat Fipronil (Fenylpyrazolen), wat werkzaam is tegen de volwassen vlo en teken. De spray mag men gebruiken bij pasgeboren dieren, zogende en drachtige honden en katten. Liever niet bij fretten en knaagdieren.
Effipro is een spray die de vlo eerst verlamd en dan doodt binnen enkele uren. Effipro gaat in het huidvet en op de haren zitten, dus de vlo hoeft niet eerst te bijten.
Beschermt 1 maand (in winter 3 maanden)tegen vlooien bij de hond en bij de kat. Beschermt 5 weken tegen teken. Deze Effipro is ook in pipetten te verkrijgen (alleen voor de kat op voorraad).
- Prac-tic druppels voor de hond
Prac-tic is een spot-on en is alleen verkrijgbaar voor de hond. Het beschermt gedurende 1 maand tegen vlooien en teken. Effectief en veilig middel.
- Advantage vlooiendruppels
Bevat imidacloprid, wat werkzaam is tegen de volwassen vlo.
Er zijn verschillende verpakkingen voor hond en kat. Pipet met druppels 1x per maand in de nek leegdrukken. Mag gebruikt worden vanaf 8 weken leeftijd, liever niet bij zogende en drachtige honden/katten.
Advantage gaat ook in het huidvet zitten, dus de vlo hoeft niet eerst te bijten.
-Advantix druppels voor de hond GIFTIG VOOR DE KAT!
Advantix bevat amidacloprid en permethrine en is een spot-on en is alleen verkrijgbaar is voor de hond. De pipetten mogen niet gebruikt worden voor puppy’s jonger dan 7 weken of honden die lichter zijn dan 1.5 kg. Mag gebruikt worden bij collie-achtige, drachtige of lacterende honden.
Advantix doodt vlooien en teken en kan ook als onderdeel tegen vlooienallergie gebruikt worden.
Advantix heeft een afwerende werking tegen teken, muggen, zandvliegen en stalvliegen en kan gebruikt worden als behandeling voor het buitenland (Zuid-Europa). De Scalibor band is dan niet nodig.
Advantix is 1 maand werkzaam. Voor gebruik tegen muggen en zandvliegen is het 2 weken werkzaam. Bij voorkeur ’s avonds toedienen. Laat de kat de eerste 12 uur niet likken aan de plek waar de advantix is toegediend, daarna is het opgenomen in het huidvet. Advantix (de stof permethrin) is uiterst giftig voor katten.
Behandeling van de omgeving
Voorheen waren er goede omgevingssprays op de markt. Deze zijn bijna niet meer verkrijgbaar. Uit onderzoek is gebleken dat deze sprays niet helemaal veilig zijn voor mens en dier; met name als er niet goed mee wordt omgegaan. Bovendien is er een veiliger alternatief en dat is uw huisdieren behandelen met een middel met Selamectine.
Hond/kat met vlooienallergie
Als een vlo de hond/kat bijt om bloed te zuigen, komt er wat speeksel in de huid van het dier terecht. Bij veel dieren geeft dit een allergische reactie, er komen dan blaasjes op de huid, dit jeukt erg waardoor het dier gaat krabben en bijten.
Advies voor een effectieve vlooienbehandeling bij vlooienallergie.
Zorg ervoor dat de hond en kat behandeld wordt met een middel wat de volwassen vlo effectief bestrijdt, maar zorg er ook voor dat de omgeving behandeld wordt. Prac-tic, en Stronghold doen beiden.
- Of geef de kat een programinjectie om te voorkomen dat de vlooien zich voortplanten in combinatie met een vlododend middel, zoals Effipro (kat), Prac-tic (hond), Stronghold of Advantage.
Waarom ontwormen en ontvlooien tegelijk?
Zowel bij de hond als de kat wordt de meest voorkomende lintworm overgebracht door vlooien. De met lintworm-larven besmette vlooien worden bij het verzorgen van de vacht door uw huisdier gevangen en opgegeten. In de darm komen deze lintwormlarfjes bij de vertering van de vlo weer vrij en groeien hier uit tot volwassen lintwormen. Van deze lintwormen treffen we de losgelaten segmenten, als rijstekorrel grote witte stukjes, aan op de ontlasting. De lintwormen zijn goed te bestrijden met wormtabletten. Om te voorkomen dat de lintwormen telkens terugkeren, dienen echter ook de vlooien te worden aangepakt. Lintwormbestrijding zonder een afdoende vlooienbestrijding is dan ook niet goed mogelijk.
Voor goede adviezen kunt u altijd terecht bij de paraveterinair!!!!
Voorste kruisband letsel (VKL)
Infotheek: Gescheurde Kruisbanden
Inleiding
Gescheurde kruisbanden zijn een veel voorkomende oorzaak van kreupelheid in de achterpoot bij de hond. De kreupelheid ontstaat plotseling. De oorzaak is meestal een verkeerde beweging of een wilde stoeipartij.
Voorkomen
Gescheurde kruisbanden zien we bij alle rassen. Boxers, Rottweilers en Terriërs zijn hier wel gevoeliger voor dan het gemiddelde ras. Sommige dierenartsen spreken zelfs over 'boxerknie' of zelfs'voetbalknie'!
Oorzaak
De kruisbanden zijn twee banden die kruislings tussen scheenbeen en dijbeen gespannen zitten. Ze dienen om deze twee botten - ten opzichte van elkaar - vast te houden.
Het is meestal de voorste kruisband die scheurt. Als deze band kapot is, heb je te maken met een instabiele knie. Dijbeen en scheenbeen schuiven over elkaar, waardoor de meniscus, die tussen deze botten ligt, overbelast wordt en ook kan scheuren.
De grootste kans om een kruisband te scheuren is een combinatie van overstrekken en draaien van de knie. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer het dier in een gat stapt, uitglijdt, of met spelen een ongelukkige beweging maakt.
Diagnose
Om vast te stellen of een dier een gescheurde kruisband heeft is een zorgvuldig onderzoek nodig. Hierbij letten we vooral op de mate van speling in de knie. Als de kruisband gescheurd is kunnen dijbeen en scheenbeen ten opzichte van elkaar verschuiven. Hiernaast vinden we vaak een overvulling van de knie en soms pijn bij het buigen en strekken.
Om dit onderzoek goed te kunnen uitvoeren is ervaring nodig. Het gaat meestal om subtiele veranderingen in de beweeglijkheid van de knie. Soms kan aanvullend onderzoek nodig zijn (röntgenfoto).
De kijkoperatie, zoals bij mensen veel wordt gedaan, wordt bij honden niet gebruikt. De hondenknie is zo klein dat het niet mogelijk is om een artroscoop (het kijkapparaat) in te kunnen brengen en dan ook nog te kijken. In twijfelgevallen blijft helaas maar 1 mogelijkheid over om de kruisbanden te kunnen inspecteren en dat is openmaken. Bovendien kan dan meteen gerepareerd worden.
Behandeling
Een knie met een kapotte kruisband is ernstig beschadigd en dat wordt door de instabiliteit steeds erger. Ondanks rust, bandages en oefenen zal op deze manier maar zelden volledige genezing optreden. Alleen bij een overrekking of gedeeltelijke scheur zal resultaat verkregen worden. Als de band geheel doormidden is, is een operatie noodzakelijk. Hierbij worden de restanten band verwijderd en de knie nagekeken op verdere beschadigingen. Bij dit laatste moeten we vooral aan een kapotte (binnen)meniscus denken.
Vervolgens moet de knie weer gestabiliseerd worden. Hiervoor bestaan zeer veel technieken en de keuze is afhankelijk van soort en grootte van de hond en voorkeur van de chirurg.
Bij kleine honden (tot 11 kg) worden buiten de knie om kunststofkruisbanden aan gebracht, bij grotere honden wordt vaak een stuk kniepees of knieband gebruikt ter vervanging van gescheurde band.
De herstelperiode is lang, de eerste 6 weken krijgt de hond beperkt beweging. (aan de lijn, vooral niet spelen of trappen lopen etc.) Daarna mag het dier langzaam weer meer gaan doen. In de meeste gevallen is 70-80% functieherstel mogelijk.
Helaas treedt de aandoening bij 40-60% van de honden na verloop van tijd ook in de andere knie op door overbelasting.
Preventie
Een steile stand van het achterbeen (rechte hak) zoals we bij Boxers, Chow's en Rottweilers zien leidt tot een zware belasting van de voorste kruisband. Deze honden zullen dus gemakkelijker hun band scheuren dan dieren met een betere stand.
Verder kan iedere hond een ongeluk krijgen, dus deze problemen voorkomen lukt niet altijd. Wees wel voorzichtig met ruwe spelletjes op een gladde ondergrond (parket, ijs).
Samenvatting
Als uw hond plotseling kreupel is aan zijn achterpoot en de knie is dikker of pijnlijk dan is het heel goed mogelijk dat een kruisband beschadigd is. Hoe eerder de aandoening wordt behandeld, hoe beter de vooruitzichten zijn. Wacht in twijfelgevallen dus niet af, maar neem contact op met uw dierenarts.
Bloeddrukmeting
Oorzaak hoge bloeddruk bij de kat:
Een verhoogde druk in de bloedvaten is schadelijk voor organen zoals hart en nieren, als gevolg van een verhoogde bloeddruk kunnen bloedingen optreden in de ogen of de hersenen. De kat is dan plotseling blind of verlamd. Vooral katten met slecht werkende nieren of een te hard werkende schildklier hebben vaak een te hoge bloeddruk. Een juiste bloeddruk is dus van een niet te onderschatten belang, vooral bij oudere katten boven de 10 jaar oud is een regelmatige controle van de bloeddruk geen overbodige luxe.
Druk meten
Het meten van de bloeddruk is een beetje vergelijkbaar met de methode die uw huisarts toepast. Er wordt een manchet om de poot van de kat aangebracht en een stukje vacht ter hoogte van de pols of het zoolkussen afgeschoren. Daar wordt wat gel op gedaan en een element, dat aangesloten is op een bloeddrukmeter, opgelegd. Deze zogenaamde dopplermeter zet veranderingen in de bloeddruk om in geluidssignalen. Door de manchet op te pompen en weer leeg te laten lopen wordt de druk gemeten. Dit wordt enkele malen herhaald zodat de kat aan de procedure went en de stress afneemt.
Heeft uw kat een te hoge bloeddruk (boven de 180 mmHg), dan wordt er bloed afgenomen voor verder onderzoek naar de nier- en schildklierfunctie.
Behandeling
De behandeling bestaat uit het toedienen van bloeddrukverlagende medicijnen. Er wordt gekozen voor een betablokker of voor een calciumblokker. Deze middelen verwijden de bloedvaten en verlagen zo de bloeddruk. De behandeling is levenslang. Zeldzame bijwerkingen kunnen zijn zwakte, lusteloosheid en flauwtes.
De optimale dosering wordt voor iedere kat vastgesteld door controle van de bloeddruk na aanvang van de behandeling.
Castratie Hengst
Castratie van de hengst
Waarom castreren?
Het castreren van de hengst (‘ruinen’) wordt door de wet gezien als een zogenaamde nutsoperatie. Dit houdt in dat door de ingreep het dier meer geschikt wordt voor de sport en recreatie. Hengsten worden al eeuwenlang gecastreerd, alhoewel de methodes de afgelopen decennia natuurlijk veel diervriendelijker zijn geworden.
Door de castratie stopt de aanmaak van testosteron. Dit is het mannelijk hormoon dat zorgt voor hengstengedrag en het ontwikkelen van de typische lichaamscontouren van een hengst. Een gecastreerde hengst wordt een ruin genoemd.
Testosteron is ook het hormoon wat ten dele zorgt voor het stoppen van de lengtegroei van de botten. In theorie wordt een ruin dan ook wat groter dan wanneer hij hengst was gebleven, omdat de groei pas later stopt. In de praktijk blijkt dit verschil zo minimaal te zijn dat het op jonge leeftijd castreren om de schofthoogte te vergroten niet nuttig blijkt.
Het uiterlijk van een ruin zal meer neigen naar die van een merrie dan die van een hengst. Dit is wel afhankelijk van de leeftijd waarop er wordt geruind. Op oudere leeftijd (na 3 jaar) zullen er meer uiterlijke kenmerken maar mogelijk ook gedragingen van de hengst behouden blijven.
Redenen om een hengst te laten castreren zijn velerlei:
- het voorkomen of stoppen van hengstengedrag (dominant, bijterig, veel schreeuwen en brullen, snel afgeleid als er merries in de buurt komen, willen vechten met andere paarden, ongewenste dekneigingen)
- het paard wordt samen met merries gehuisvest
- de hengst is ongeschikt (geworden) voor dekdienst
- stallingsomstandigheden vereisen dit (veel maneges en pensionstallen accepteren geen hengsten)
In het algemeen kan worden gezegd dat het verstandig is om een hengst te laten ruinen behalve wanneer er zwaarwegende redenen zijn dit niet te doen. Voor de gemiddelde ruiter is een ruin in dagelijkse omgang makkelijker, betrouwbaarder en veiliger. In de omgang met hengsten is een hoge mate van consequentie en ervaring nodig en de huisvesting dient er op aangepast te zijn (weilanden met extra hoge omheiningen, boxen apart van merries, ervaren personeel). Het voordeel van hengsten boven ruinen is dat een hengst in professionele handen voor de topsport net dat beetje extra uitstraling en motivatie kan hebben. Met name voor de internationale dressuursport kan dat verschil van belang zijn. Natuurlijk zijn er ook zeer makke hengsten die eenvoudig tussen de merries gereden kunnen worden en zeer vervelende ruinen die nog steeds willen dekken, maar dat zijn uitzonderingen.
Wat zijn de mogelijkheden?
Het castreren zelf kan via meerdere methodes, alle met hun eigen voor- en nadelen.
Staand onbedekt
De oudste en snelste manier is de methode die door de meeste castreurs wordt beoefend, dit noemt men ‘staand onbedekt castreren’.
Hierbij krijgt het paard eerst een sederende injectie (‘sufmaker’) en een praam opgezet. De praam zorgt voor het aanmaken van endorfines, natuurlijke opiumachtige hormonen. Daarna worden de balzakken zo goed mogelijk gereinigd en gedesinfecteerd, waarna in elke testikel een verdovingsvloeistof wordt geïnjecteerd. Nu snijdt de castreur de onderkant van de balzak open waardoor de kale bal (‘onbedekt’) naar beneden floept. Op de verbinding tussen de bal en het lichaam wordt nu een tang gezet welke de bloedvaten en zaadstreng kapot knijpt. Deze tang moet gedurende enige minuten blijven zitten om adequate bloedstelping te veroorzaken. Soms gaat de castreur in deze tussentijd door met het insnijden van de 2e balzak en plaatst ook hier al een tang. Als er voldoende tijd lijkt te zijn verstreken wordt de bal onder de tang afgesneden en de tang weer verwijderd. De restanten van bloedvaten en zaadstrengen verdwijnen nu tot diep in de liezen. De snedes in de balzakken worden niet gehecht om zo het aflopen van wondvocht toe te laten.
Voordelen:
- snel en goedkoop, hele ingreep duurt gemiddeld 20 minuten
- paard blijft staan dus geen kans op verwondingen bij het opstaan
- geen kans op infecties op hechtmateriaal, want er wordt niets afgebonden
- kan aan huis worden uitgevoerd
Nadelen:
- gevaar van verwonding van paard en mens doordat het paard slechts wat suf is gemaakt en ten dele de pijn van de ingreep nog voelt, paarden kunnen ondanks de sedatie zeer snel en gericht uitslaan!
- doordat er geen hechtmateriaal wordt gebruikt is de kans op nabloeden aanwezig, met mogelijk fatale gevolgen
- doordat alles open wordt gelaten is er een kans van ongeveer 1 op 100 dat er ofwel stukken buikvlies ofwel darmen door de wond heen naar buiten komen. Indien dit met darmen gebeurt is dat een absoluut spoedgeval, het paard dient na tussenkomst van een dierenarts zo snel mogelijk naar een grote kliniek te worden vervoerd om daar een dure behandeling en mogelijk zelfs een koliekoperatie te ondergaan!
- deze methode is enkel geschikt voor jonge hengsten met relatief kleine testikels, volwassen hengsten hebben vrij veel kans op grote zwellingen en infecties
- de eigenaar moet de ex-hengst de eerste dagen voldoende beweging geven en scherp letten op tekenen van ontsteking of uitstulpingen van buikvliezen of darmen
- een castreur is géén dierenarts! Alhoewel de meesten zeer bedreven zijn in hun vak kunnen zij eventuele complicaties, of die nu direct of later optreden, vaak onvoldoende oplossen.
- in sommige gevallen zal goedkoop dus duurkoop worden, met een kans op het verlies van het dier
- de hersteltijd is relatief lang, zeker een week of 2
- soms ontstaat er een ontsteking die later operatief verwijderd dient te worden
- onmogelijk bij kleine pony’s omdat deze te laag bij de grond zijn. Indien er voor wordt gekozen deze dieren te kluisteren en om te trekken, zodat de ingreep liggend aan het wakkere paard wordt uitgevoerd, stijgt de kans op het naar buiten komen van stukken buikvlies of darmen.
Liggend halfbedekt
De tweede vaak gebruikte methode, en de methode die tot voor kort de voorkeur had is ‘liggend halfbedekt’.
Deze methode houdt in dat het dier thuis in schone omgeving (weiland of nieuw ingestrooide stal) of op de kliniek eerst onder volledige narcose wordt gebracht. Dit gebeurt door middel van eerst een sedatie en vervolgens een inleiding met injectievloeistof welke het paard in diepe narcose brengen. De hengst zal nu slapend omvallen waarbij hij zoveel mogelijk gestuurd en ondersteund wordt. Eenmaal liggend wordt een infuus aangekoppeld zodat het dier ook in slaap blijft. Vervolgens worden de voorbenen en het onderliggende achterbeen (de hengst ligt op z’n zij) aan elkaar gebonden d.m.v. kluisters. Het bovenliggende achterbeen wordt naar voren getrokken en met een touw naar de hals vastgezet. Nu worden de testikels soms wel, soms niet ingespoten met een verdovingsvloeistof. De dierenarts schat de noodzaak hiertoe ter plekke in aan het karakter en de reacties van de hengst op de narcose. De balzakken worden indien nodig geschoren en daarna gereinigd en ontsmet. Er wordt een steriele operatiedoek om het gebied aangebracht. De dierenarts opent een steriel operatiesetje met messen en tangen en trekt zelf steriele operatiehandschoenen aan.
Nu wordt de balzak ingesneden waarna de bal ook hier tevoorschijn ‘floept’. De hals van de bal wordt van bindweefsel en onderhuidsvet ontdaan en er wordt een tang geplaatst. De tang wordt nu echter niet op de kale zaadstreng en bloedvaten gezet maar ook over een vlies vanuit de buikwand komend. De tang wordt weer losgemaakt en op de plek waar deze voorheen zat wordt een steriele hechtdraad geknoopt (‘ligatuur’). Deze draad voorkomt het nabloeden uit de bloedvatstompen én sluit de toegang tot de buikholte af.
De testikel wordt nu afgesneden of afgeknipt en de dierenarts controleert de restanten van de bloedvaten op eventueel toch nog nabloeden. Vervolgens verdwijnt deze ‘stomp’ in de liesholte. Ook hier wordt de balzak zelf niet dichtgehecht. Voor de 2e testikel wordt de zelfde procedure gevolgd en als deze ook is verwijderd volgt een injectie in de spieren met een antibioticum (meestal penicilline) en in de bloedbaan met een pijnstiller. Als alles gedaan is wordt het narcose-infuus afgekoppeld en wordt de ex-hengst na 15 tot 45 minuten weer wakker. Nadat het paard weer in de benen is kijkt de dierenarts nog vluchtig of de wond teveel bloed druppelt, en zo niet dan is alles in orde.
Nazorg door de eigenaar bestaat uit het geven van voldoende beweging (dagelijks meerdere malen afstappen/stapmolen/longeren of weidegang). De wond dient niet afgespoten te worden, behalve na overleg met de paardenarts. Bij twijfel de lichaamstemperatuur van het dier opnemen en contact opnemen met de dienstdoende paardendierenarts.
Voordelen:
- kan zowel aan huis als op de kliniek worden uitgevoerd
- relatief goedkoop, meestal rond de 250 euro inclusief visite/consult
- geen kans op stukken buikvlies of darmen door de wond heen naar buiten doordat er een hechting wordt gezet die de buikholte afsluit
- relatief snel, hele ingreep begin tot eind duurt gemiddeld 1 uur
- veiliger voor paard en mens dan staand onbedekt
Nadelen:
- minder geschikt voor volwassen hengsten (>3 jaar) omdat die meer kans hebben op infecties en grote wondzwellingen
- voor aan huis moet er wel een schone, stevige stal beschikbaar zijn en voor op de wei moet het weer wel meewerken
- de ex-hengst dient de eerste dagen voldoende beweging te krijgen en er dient gelet te worden op extreme zwellingen van de balzakken
- de hersteltijd is relatief lang, zeker een week of 2
- soms ontstaat er een ontsteking die later operatief verwijderd dient te worden
Over de lies
De derde methode is ‘over de lies’. Dit kan alleen in de kliniek op de operatietafel .
De aanvang is hetzelfde als bij de liggende halfbedekte methode, alleen nu wordt de hengst als deze eenmaal onder narcose is op een operatietafel getild. Het dier wordt op de rug geplaatst en de narcose wordt in stand gehouden via een buis in de luchtpijp (‘tube’) waardoor bij elke ademteug pure zuurstof vermengd met narcosegas (isofluraan) wordt ingeademd. Deze manier van in slaap houden is uitermate betrouwbaar en veilig en wordt geregeld door een ervaren assistente. De achterbenen worden naar achter en opzij gebonden zodat de dierenarts vrij zicht heeft over het liesstreek. Dit gebied wordt geschoren en uitgebreid gewassen en gedesinfecteerd, waarna er steriele operatiedoeken over worden geplaatst. De dierenarts heeft zich inmiddels gehuld in een steriele operatiejas met steriele operatiehandschoenen, en gebruikt een haarnet en mondkapje.
Nu begint de eigenlijke ingreep: er wordt een snee in de huid gemaakt ter hoogte van de liesring. Dit is het gat in de buikwand waar doorheen de bloedvaten en zaadstreng de buik verlaten. Deze worden door het gat naar buiten getrokken en nemen zo de testikel mee de balzak uit. Alles wordt nog bedekt door het vlies vanuit de buikwand en over dit geheel wordt nu de tang geplaatst om alles weer te ‘kneuzen’. Ook nu wordt er na verwijdering van de tang een ‘ligatuur’ geplaatst op de plek waar eerst de tang zat. De testikel wordt onder deze hechting afgeknipt of afgesneden. Het kleine huidwondje in de lies wordt nu gehecht met oplosbaar hechtdraad en de andere kant wordt op identieke wijze gedaan. Het dier krijgt nog een injectie met antibioticum en pijnstiller.
Als alles klaar is wordt de ex-hengst de uitslaapbox (‘recovery’) in getakeld en slaapt daar verder z’n roes uit. Door het snelle uitademen van de narcosegassen zal hij vaak al na zo’n 15 minuten weer staan. Om beschadigingen tijdens het wakker worden te voorkomen kan een kap aangebracht worden om het hoofd, een soort zacht valhelmpje.
De nazorg voor de eigenaar bestaat uit voldoende beweging geven (meerder malen per dag afstappen/stapmolen/longeren of weidegang). De gesloten wond dient niet afgespoten te worden. Ook nu bij twijfel contact opnemen met de dienstdoende paardendierenarts.
Deze methode wordt momenteel gezien als meest optimaal voor alle hengsten met normaal ingedaalde testikels.
Voordelen:
- nagenoeg geen kan op infecties vanwege steriliteit en dichthechten van de huidwond
- snel herstel, gemiddeld minder dan 1 week
- minste kans op zwellingen, ook voor oudere en ‘groot geschapen’ hengsten
- eigenaar hoeft dier nauwelijks te controleren
- zeer veilige narcose door het gebruik van narcosegassen i.c.m zuurstof
Nadelen:
- kosten liggen hoger, rond de 520 euro
- kan natuurlijk niet aan huis
Daarnaast wordt door sommige dierenartsen nog ‘staand halfbedekt’ gecastreerd. Dit houdt in dat de methode van ‘liggend halfbedekt’ wordt uitgevoerd aan het staande dier. Door onze kliniek wordt deze methode al jaren niet meer gehanteerd vanwege de grote kans op infecties. In onze optiek verenigt het eigenlijk enkel de nadelen van ‘liggend halfbedekt’ met de risico’s van ‘staand onbedekt’.
Laparoscopisch castreren
De bovengenoemde castratiemethoden zijn enkel geschikt voor hengsten met 2 ingedaalde testikels, alhoewel de methode ‘over de lies’ ook kan voor hengsten met 1 of 2 bijna ingedaalde testikels. Deze moeten dan wel onderweg zijn, dus in de lies te voelen alvorens men aan de ingreep begint.
Voor klophengsten die ‘abdominaal cryptorch’ zijn, dus met één of beide testikels nog in de buikholte, is een ingreep mogelijk via een kijkoperatie. Dit noemt men ‘laparoscopisch castreren’.
In de zijkant van de buikwand van het staande, versufte en verdoofde paard worden kleine steekgaten gemaakt. Hier doorheen worden buizen met een camera, een lamp en een grijper in de buikholte gebracht. Met dit instrumentarium wordt het bloedvat dat de testikel voorziet afgebonden. De testikel wordt dus niet wordt verwijderd maar zal verschrompelen en afsterven.
Helaas is er een kans van ongeveer 5% dat er nóg een bloedvat, via de buikwand, naar de testikel toeloopt. Deze zal dan de functie van het afgebonden bloedvat overnemen en de testikel dus levend houden. Dit gebeurt eigenlijk alleen bij testikels die niet cryptorch zitten, een gewoon ingedaalde bal dus. Die zal dan in een 2e operatie op een van de andere methodes verwijderd moeten worden. Om dit op te sporen wordt bij laparoscopisch gecastreerde hengsten na 7 tot 10 dagen een bloedmonster afgenomen om de hoeveelheid testosteron in het bloed te meten. Deze moet bij een geslaagde operatie gelijk zijn aan die van een ruin.
Laparoscopisch castreren is slechts mogelijk bij enkele klinieken in Nederland, onze kliniek verwijst deze dieren meestal door naar de Universiteit in Utrecht. Daar zal de hengst dan ongeveer 2 weken verblijven. Alvorens de operatie wordt uitgevoerd mag het dier enkele dagen niet of weinig eten om de darmen zo leeg mogelijk te maken. Anders kan de chirurg door de volle darmen de bloedvaten niet in beeld krijgen.
Nazorg voor de eigenaar is er nauwelijks. Op het moment dat de hengst weer naar huis mag zijn in de meest gevallen de hechtingen al uit de zijkant van de buikwand verwijderd en is het dier klaar om weer in training te worden genomen. Bij twijfel contact opnemen met de specialistische kliniek waar de laparoscopie is uitgevoerd óf met de dienstdoende paardenarts, ook nu eerst de lichaamstemperatuur opnemen.
Alhoewel deze ingreep als high-tech gezien mag worden is deze daarom niet diervriendelijker dan eerder genoemde methodes. Om zicht te krijgen in de buik wordt deze ‘opgeblazen’ met een niet brandbaar en niet giftig gas. Dit gas kan echter wel een prikkeling van de ingewanden veroorzaken dat door het paard enkele dagen later als buikpijn wordt ervaren. Niet gevaarlijk, maar ook niet aangenaam. Hierom en omdat in sommige gevallen een 2e operatie nodig is bij normale testikels is een laparoscopische castratie alleen aan te raden bij klophengsten.
Vroeger voor de opkomst van de laparoscopie werden deze dieren middels een buikoperatie gecastreerd. Voordeel was wel dat beide testikels verwijderd werden, heroperatie bij een geslaagde ingreep was dus nimmer noodzakelijk. Nadeel is een verhoogde kans op complicaties in de vorm van buikvliesontstekingen. Wij verrichten deze ingreep op deze wijze zelden, maar op aanvraag is het zeker mogelijk.
Verder zijn er nog enkele zelden gebruikte variaties op de al eerder genoemde methodes. Deze worden in Nederland eigenlijk niet (meer) uitgevoerd omdat ze geen voordelen bieden en hier wordt dan ook niet verder op in gegaan.
Wat is het beste voor mijn hengst?
De keus voor een methode is afhankelijk van de leeftijd van de hengst, het wel of niet aanwezig zijn van 2 testikels, eerdere ervaringen en voorkeuren en de financiële draagkracht van de eigenaar
In het algemeen kan gesteld worden dat de methode ‘over de lies’ bij hengsten ouder dan 3 jaar het meest ideaal is. Bij deze dieren komen na ‘staand onbedekt’ of ‘liggend halfbedekt’ relatief te vaak complicaties voor die het financiële voordeel ten opzichte van ‘over de lies’ teniet doen. Het is namelijk zo dat bij een overigens correct uitgevoerde halfbedekte castratie eventuele nazorg van ontstekingen en zwellingen volledig voor rekening van de eigenaar komt. Eigenlijk is ‘over de lies’ zelfs voor jongere dieren de beste ingreep.
‘Staand onbedekt’ wordt door onze kliniek niet uitgevoerd, hiervoor zal dus contact moeten worden opgezocht met een castreur. De redenen dat wij deze methode niet hanteren is het gevaar van de mogelijk optredende complicaties, en de relatief grote kans hierop, samen met het gevaar dat wij zelf lopen tijdens het uitvoeren van de ingreep. Eigenlijk is deze methode zowel ethisch als technisch niet meer van deze tijd. Namen en adressen van castreurs zijn vaak wel via-via te verkrijgen, wij spelen hierin geen bemiddelende rol.
‘Liggend halfbedekt’ is een acceptabel altrenatief voor jongere hengsten. Het liefst voeren wij deze ingreep in de lente of herfst uit indien het aan huis dient te gebeuren. Dit vanwege de vliegen in de zomer, die zorgen voor meer kans op infecties. En ’s winters in de kou is de castratie zowel voor dier als arts weinig aantrekkelijk. Op de kliniek kan deze ingreep wel het jaar rond uitgevoerd worden. De hengst wordt dan ’s ochtends of een dag van te voren gebracht, en mag de dag na de castratie weer naar huis. Stallingskosten voor deze periode worden niet gerekend.
Voor hengsten met niet ingedaalde testikels wacht men af of de testikel alsnog verschijnt (tot 3 jaar oud is hier enige kans op). Anders wordt het een keuze tussen bij voorkeur laparoscopisch castreren of anders proberen of het via de lies gaat.
Hengsten dienen vóór castratie een geldige basisenting tegen tetanus en influenza te hebben ontvangen, zo niet dan wordt een eerste enting tijdens de castratie gegeven. Dit omdat castratie één van de momenten is waarop een infectie met tetanus opgelopen kan worden.
Alvorens een narcose wordt toegediend wordt o.a. het hart beluisterd i.v.m. een verhoogd narcoserisico bij hartruis en hartritmestoornissen. Indien bij het pre-anesthetisch onderzoek afwijkingen worden geconstateerd of wanneer de hengst anderszins niet optimaal gezond is, zal overlegd worden met de eigenaar of er eerst nadere onderzoeken of behandelingen dienen plaats te vinden. Het is mogelijk om voor de ingreep een verzkering af te sluiten. Meer info hierover is o.a. te vinden op:

Twijfelt U nog, bel dan tijdens het telefonisch spreekuur tussen 8.15 en 9u op werkdagen naar 0180-450127. Wij helpen U graag om voor uw omstandigheden de meest verstandige keus te maken en geven ook graag een nauwkeurige prijsopgave. Controleer alvorens een afspraak te maken zo mogelijk eerst of er al 2 testikels aanwezig zijn.
Complicerende factoren zoals minder hygiënische omstandigheden op locatie of niet volledig ingedaalde testikels bij liggend halfbedekt kunnen een vervolgkuur met antibiotica noodzaken. Deze kosten zijn niet op voorhand in te schatten maar kunnen enkele tientallen euro’s bedragen.
In wetenschappelijke onderzoek is na halfbedekte castratie bij 1 op 10 hengsten te veel wondzwelling of zelfs een infectie gerapporteerd, vooral bij hengsten die na castratie enkel boxrust kregen. Overmatige wondzwelling mindert vaak met meer beweging en het koud afspuiten van de wond met leidingwater, eventueel aangevuld met ontstekingsremmers en/of vochtafdrijvers. Neem alvorens een behandeling in te stellen altijd eerst contact op met de dienstdoende paardenarts (06-53564215)!
Indien het paard buiten ons verzorgingsgebied is gestald zal de eventuele nazorg door uw eigen dierenarts dienen te gebeuren. Bij infectie na de halfbedekte ingreep (‘funiculitis’) wordt in eerste instantie langdurig antibiotica voorgeschreven. Is dit onvoldoende dan dient de wond opgefrist te worden, soms operatief. Deze complicaties zijn voor risico van de eigenaar.
Deze informatie wordt U aangeboden door de erkende paardendierenartsen van Dierenkliniek Ridderkerk.
Geheel of gedeeltelijk overnemen van deze tekst voor openbaarmaking in wat voor vorm dan ook is enkel toegestaan na mondelinge of schriftelijke toestemming van de auteur C. Wagenaar. Aan deze tekst kunnen geen rechten worden ontleend. Prijzen zijn enkel indicatief.
West Nijl Virus
Teken bij het paard
Teken
Teken zien er niet alleen vies uit, maar ze kunnen ook nog eens besmettelijke ziektes op je paard overdragen zoals de ziekte van Lyme, ehrlichiosis en piroplamose. Heftige besmettingen veroorzaken huidontstekingen en in extreme gevallen zelfs bloedarmoede.
Teken leven voornamelijk in begroeide gebieden met voldoende schaduw en een relatief hoge luchtvochtigheid ter plaatse. Vooral langs bospaden en in weilanden met hoog gras en veel struiken komen ze veel voor. Ze kunnen slecht tegen direct zonlicht en droogte dus door het terugsnoeien van begroeiing en het maaien van het land kan je de omgeving minder aantrekkelijk voor ze maken.
Om je paard te beschermen kan gebruik gemaakt worden van producten die permethrin bevatten. Helaas zijn er in Nederland geen producten verkrijgbaar die ook geregistreerd zijn voor gebruik bij het paard, dus moeten we gebruik maken van de middelen die voor honden op de markt zijn. Wassen met Defencare shampoo dus zo gauw als er veel kleine teekjes zijn gevonden. Ook fipronil spray (Effipro) is een optie en deze kan je zelfs preventief gebruiken b.v. voor bosritten of uitjes naar de duinen. Omdat het in deze gevallen om zgn. off-label gebruik gaat dient dit wel in overleg met de paardenarts te gebeuren. Producten op plantaardige basis zoals teatree sprays en lotions geven erg wisselende bescherming en daarom vinden wij ze te onbetrouwbaar.
Het is verstandig om ’s zomers bij het borstellen en ook bij het afzadelen te controleren op teken. Ze zijn vaak vooral op de onderbenen, de buik, in de liezen en op de borst te vinden. Teken die groot genoeg zijn kan je verwijderen met behulp van een speciaal tekentangetje of, nog makkelijker, tekenhaakje. Niet trekken maar alleen maar draaien werkt het beste. Branden, verstikken of deppen met alcohol of spiritus helpt niet. De teek kan als hij eenmaal vast zit niet zomaar besluiten los te laten, dit vanwege weerhaakjes in het mondstuk. Na verwijdering kan het wondje in de huid van het paard worden ontsmet met Betadine en daarna het liefst met rust laten. Enige zwelling is heel normaal, dit is een reactie van het afweersysteem van het paard op speeksel en andere door de teek ingebrachte stoffen. Maar als het wondje gaat ontsteken of als er delen van de teek zijn achtergebleven is het verstandig om er even naar te laten kijken.
Als je de verwijderde teek bewaart en zo snel mogelijk inlevert op de kliniek sturen we deze kosteloos op naar de Universiteit Utrecht. Daar is een team dat alle verzamelde teken identificeert en test op besmettelijke aandoeningen. Zo kom je er dus achter of je paard gevaar loopt. En zo kan in de gaten worden gehouden wat voor teken waar voorkomen zodat we op landelijk niveau een goed beeld krijgen. Ben je bang dat je paard in het verleden besmet zou kunnen zijn geraakt dan is het mogelijk om bloedonderzoek te doen. Maar hier zitten nogal wat haken en ogen aan wat betreft betrouwbaarheid dus een analyse van een verwijderde teek is naast stukken goedkoper ook nog eens veiliger.
Wil je meer info, neem dan contact met ons op.
Myxomatose
Myxomatose
Wat is myxomatose?
Myxomatose is een ziekte bij konijnen die veroorzaakt wordt door een virus. Dit virus wordt voornamelijk overgebracht door vlooien en stekende insecten zoals muggen en vliegen. Maar ook contact met andere besmette dieren of materialen kan de ziekte veroorzaken.
Nadat een konijn geïnfecteerd is zullen de verschijnselen tussen de 5 en 14 dagen later optreden. Dit is de zogenaamde incubatietijd.
Wat zijn de symptomen?
De symptomen van myxomatose zijn zwellingen rond de ogen, mond en geslachtsdelen. Door de zwelling rond de ogen krijgen ze eerst een slaperige blik. Later kan de zwelling zo erg worden dat het konijn blind wordt. De zieke dieren overlijden meestal door een longontsteking die ze na enkele dagen krijgen.
Soms kunnen er ook rode gezwellen op de huid ontstaan die voornamelijk rond de bek, de oren en op de rug zitten.
Is myxomatose te genezen?
Konijnen met myxomatose zullen meestal overlijden. De ziekte kan heel snel verlopen: de zieke dieren sterven dan binnen een dag nadat de eerste symptomen zichtbaar zijn geworden.
Ook wanneer de dieren niet direct overlijden aan myxomatose is de kans op herstel zeer klein. Vanwege de intensieve behandeling, de slechte prognose en het lijden van het konijn is behandeling dan ook niet aan te raden.
Hoe kunt u myxomatose voorkomen?
Voorkom dat uw konijn wordt gestoken door insecten. Dit kunt u doen door het hok te voorzien van fijnmazig gaas zoals horrengaas. Ook vlooienbestrijding is belangrijk. Als uw konijn vlooien heeft, kunt u dit behandelen met Stronghold of Advantage. Gebruik nooit Frontline: dit middel is gevaarlijk voor konijnen. Probeer ook contact met honden, katten of egels (andere dieren die contact kunnen hebben met wilde konijnen) te voorkomen.
Verder is een goede hygiëne heel belangrijk: maak het hok minimaal 1 keer per week uitgebreid schoon.
Waarom enten?
Omdat de kans dat uw konijn herstelt van een infectie heel klein is, is het voorkomen van myxomatose zeer belangrijk. De beste manier om myxomatose te voorkomen is door uw konijn te laten inenten. Door de manier waarop het virus wordt overgedragen is het dus ook belangrijk om konijnen die niet buiten komen in te laten enten.
Wanneer enten?
Myxomatose komt voornamelijk voor in de zomer en het najaar. Daarom is het raadzaam om al in het voorjaar te enten. Zeven dagen na de inenting is uw konijn beschermd. De enting geeft een bescherming gedurende 2 tot 4 maanden. Daarom wordt geadviseerd om in het najaar de enting te herhalen.
Konijnen kunnen bij ons geënt worden als ze 8 weken oud zijn, voor dwergkonijnen geldt dat ze minimaal 3 maanden oud moeten zijn.
Na het enten kan er een entreactie optreden. Op de plek waar de injectie is gegeven kan een verdikking ontstaan, die vanzelf weer verdwijnt
Wanneer niet enten?
· Wanneer u vermoedt dat uw konijn is besmet met het myxomatosevirus;
· Wanneer andere konijnen in de groep besmet zijn;
· Wanneer het konijn ziek is of een verminderde weerstand/conditie heeft;
· Wanneer uw konijn drachtig is
Door de vaccinatie vermindert de weerstand van een dier. Voor gezonde dieren is dit meestal geen probleem, maar bij verzwakte dieren wel. Doordat het ook nog eens 7 dagen duurt voordat er bescherming is tegen de ziekte, doet een vaccinatie in deze gevallen meer kwaad dan goed.
VHD
VHD (Viral Haemorrhagisch Disease)
Wat is VHD?
VHD is een zeer ernstige virusinfectie die bijna altijd dodelijk afloopt. De ziekte is ook wel bekend onder de namen VHS of RHD. De ziekte wordt net als myxomatose veroorzaakt door een virus. Het virus kan zich verspreiden door direct contact tussen konijnen, indirect door contact met besmet materiaal (zoals hokken, via kleding of schoeisel) , besmette mest of het wordt overgebracht door insecten. Ook door het eten van besmet gras kunnen konijnen VHD oplopen.
Na besmetting kunnen al binnen 1-3 dagen symptomen optreden. VHD kan echter ook zo snel verlopen dat een konijn overlijdt voordat dat er enig symptoom zichtbaar is geweest.
Wat zijn de symptomen?
Als uw konijn symptomen vertoont bestaan deze uit depressief worden, niet meer willen eten, benauwdheid, koorts, schreeuwen en tandenknarsen. In een later stadium kan er schuimerige, bloederige uitvloeiïng uit de neus komen. Het konijn overlijdt meestal door inwendige bloedingen.
De bloedingen kunnen dus ook zo snel optreden dat het konijn overlijdt voordat het andere symptomen vertoont.
Hoe kunt u VHD voorkomen?
Een besmet konijn zal bijna altijd overlijden. Voorkomen is dus erg belangrijk.
Om te beginnen is goede hygiëne noodzakelijk. Zorg voor schone hokken en drinkbakken. Ook via schoenen kunt u besmet materiaal meenemen. Zorg dat het konijn hiermee niet in aanraking kan komen.
Geef uw konijn geen gras te eten dat is geplukt op plaatsen waar wilde konijnen voorkomen. Dit gras kan dan ook besmet zijn.
De beste manier om VHD te voorkomen is vaccineren. De enting wordt meestal samen met de enting tegen myxomatose gegeven, dus in voorjaar en najaar.
In tegenstelling tot myxomatose kunt u tegen VHD wel een noodvaccinatie toepassen: als er één konijn in de groep besmet is kunt u de andere, nog niet besmette konijnen zo snel mogelijk laten enten om ze te beschermen.
Blaasonsteking en stenen bij het konijn
Blaasontsteking en blaasstenen bij het konijn
Blaasstenen bij konijnen komen veel vaker voor dan men denkt, bij ons in de kliniek zijn er de afgelopen jaren al veel chirurgisch verwijderd.
Vroege voortekenen
Een oplettend persoon kan vaak blaasontsteking bij zijn of haar konijn al herkennen vóór het konijn sloom word, slecht gaat eten, of in een levensbedreigende toestand terecht komt. De vroege symptomen verschillen per konijn, maar men dient hulp van een dierenarts in te roepen, wanneer men de volgende zaken constateert:
- het dier is niet meer zindelijk, d.w.z. hij plast niet meer op zijn vaste plek, zo hij die heeft;
- hij moet moeite doen om te plassen, hij moet zijn urine naar buiten persen;
- hij hopt constant naar zijn vaste plasplek zonder dat het tot plassen komt;
- hij heeft natte plekken rond de geslachtsdelen, soms is er zelfs sprake van een chronische huidirritatie op die plek door de doorlopende inwerking van urine;
- urine die dik lijkt te zijn (met de consistentie van tandpasta), of bloed in de urine.
Bloed in de urine van het konijn moet worden vastgesteld door een dierenarts door analyse van de urine: microscopisch onderzoek of door een urine-teststrip. Heel veel mensen verwarren roodgekleurde urine (de aanwezigheid van oranje tot rood gekleurde bijproducten in de urine, die het resultaat zijn van chlorofyl uit planten en afbraak van andere plantaardige producten) met bloed in de urine.
Elk dier, dat de symptomen vertoont, zoals boven beschreven, moet z.s.m. naar de dierenarts. Een geroutineerde dierenarts zal de urine onderzoeken en eventueel een echo / röntgenfoto maken als eerste stap in het vaststellen van een blaasprobleem.
Omdat blaasstenen bij het konijn en die ingedikte tandpasta-achtige urine voornamelijk bestaan uit calcium, zijn ze makkelijk vast te stellen aan de hand van röntgenfoto’s. Uw dierenarts is op de hoogte van de normale waarden in konijnenurine en hoe een konijnenblaas er uit moet zien op een röntgenfoto. Veel gewone konijnen hebben materiaal in de blaas, wat zichtbaar wordt op een röntgenfoto, maar hebben niet de abnormale waarden die dan zouden worden verwacht bij analyse van de urine, of hebben niet de klinische symptomen om een diagnose van blaasontsteking te ondersteunen.
Behandeling van een konijn met blaasstenen houdt in, dat de stenen operatief dienen te worden verwijderd, omdat ze vaak niet vanzelf worden uitgeplast en er geen methode bekend is om ze op te lossen. Als je de stenen laat zitten, zullen ze alsmaar groter worden, de blaaswand irriteren en beschadigen, en chronische infectie en ontsteking van de blaas veroorzaken (cystitis) en zal daardoor het konijn ernstig ziek worden.
Afhankelijk van de algehele conditie van het konijn op het moment dat de diagnose gesteld wordt, zal de dierenarts het dier kunnen stabiliseren met vochttherapie (onderhuids infuus), dwangvoeding, of de toediening van antibiotica voorafgaand aan een operatie. Na de operatie moeten veel konijnen 1 of 2 dagen opgenomen blijven voor de toediening van vocht, goed zelfstandig eten en pijnbestrijding voordat ze worden ontslagen.
"Zand" in de blaas
Als een konijn geen blaasstenen heeft, maar een opeenhoping van dikke "slurrie" of "zand" in de blaas, die ziekte en ongemak veroorzaakt, zal de behandeling eerder uit toedienen van medicijnen bestaan dan door een operatie. Ten overvloede wordt het aanbevolen, de algehele conditie van het konijn in ogenschouw te nemen, niet alleen door middel van de analyse van de urine en de röntgenfoto’s, die eerder al genoemd werden, maar ook met een urinekweek, chemisch bloedonderzoek, en een complete bloedceltelling. Dit geeft de dierenarts de mogelijkheid de ernst van de infectie/ziekte vast te stellen, en/of andere organen, zoals de nieren, ook zijn aangetast. Het zou kunnen, dat sommige konijnen met "slurrie in de blaas"-ziekte enige dagen dienen te worden opgenomen voor vochttoediening en antibiotica, eer ze weer mee naar huis kunnen. Het zou kunnen dat het noodzakelijk is dat ze met de hand geholpen moeten worden om de "slurrie" uit de blaas te krijgen, en soms hebben ze pijnmedicatie nodig om de krampen in de blaas en de urinewegen onder controle te krijgen. Thuiszorg voor konijnen (na opname) houdt een voortzetting van de antibiotica in, met een minimum van 10 dagen. Soms is een antibioticumkuur van enkele weken nodig, als de urinekweek een ernstige infectie aangeeft.
Veranderingen in het dieet zijn ook van cruciaal belang, als u niet wilt dat de urineweginfectie terugkomt.
Konijnen (ouder dan 6 maanden) met een geschiedenis van blaasproblemen, moeten verder zonder harde brokjes (pellets) of in ieder geval met erg weinig brokjes. Zij moeten een gevarieerd menu krijgen met verse groenten (zeker een bakje of meer, dagelijks), behalve groenten die rijk zijn aan calcium, zoals boerenkool. Geen Alfalfa (luzerneklaver) geven, maar Timothee-gras of hooi van gras, daar moeten ze vrijelijk over kunnen beschikken.
Tegenwoordig is er ook speciaal voor op de markt voor konijnen met blaas-, darmklachten en overgewicht. Klik hier voor meer informatie.
Dieren, die overgewicht hebben, moeten aangemoedigd worden ten minste 2 maal daags één uur los te lopen. Dit zou kunnen worden bevorderd door uw konijn u te laten achternazitten door het huis, ook de trap op en neer, en u kunt het konijn achternazitten. Sommige konijnen kunnen een behoorlijke tijd zoet zijn met het naar u terugrollen van een bal. Er zijn ontelbare manieren om van uw konijn te genieten en tegelijkertijd hem/haar wat lichaamsbeweging te geven.
Van alle konijnen, die in eerste instantie in een urinekweek een bacteriële infectie bleken te hebben, moeten een analyse van de urine worden gemaakt, en deze kweek dient te worden herhaald na het afmaken van de antibioticumkuur om zeker te zijn dat de infectie is verdwenen. Ook is het zo, dat - zelfs met alle behandelingen zoals boven beschreven, en de veranderingen in het dieet - blaasstenen bij sommige dieren opnieuw kunnen terugkomen, en regelmatige bezoeken aan de dierenarts (zeker één keer per 6 maanden) voor een controle en ev. röntgenfoto van de blaas op stenen zijn dan ook heel belangrijk. Als het op tijd door een opmerkzaam persoon is geconstateerd, zou ziekte van de blaas behandelbaar moeten zijn, en geen permanente schade hoeven te veroorzaken aan de gezondheid van het konijn of aan de totale levensduur.
Blaassteen van een konijn

Vaccinatie bij het Paard
Vaccinaties bij het paard
Onderstaande is een korte opsomming van de meest toegepaste vaccinaties bij paarden in onze praktijk.
De veulenprik:
deze injectie wordt aan veulens binnen 24 uur na de geboorte gegeven. Het betreft niet een echte enting, maar een combinatie van tetanus antiserum, penicilline en multivitamine om eventuele tekorten aan te vullen en infecties in de eerste levensdagen voor te zijn. Bij een gezond veulen en een complicatieloze dracht, geboorte en eerste levensweek voegt een veulenprik eigenlijk niets toe. Maar indien er wel problemen optreden is men vaak al te laat om een effectieve therapie op te starten. En bij veulens kan een verslechtering erg snel en hevig optreden. Om dit voor te zijn en te voorkomen dienen we op verzoek de veulenprik toe. Onderdeel van de visite is dan ook nacontrole van merrie en veulen, en ook wordt de nageboorte nagekeken.
Influenza/tetanus:
dit is de standaard enting welke verplicht wordt gesteld voor deelname aan wedstrijden en voor verblijf op de meeste maneges en pensionstallen. Eerst moet een basis vaccinatie plaatsvinden, 2 entingen 4 tot 6 weken uit elkaar, vanaf een leeftijd van 5 maanden. Daarna wordt de enting jaarlijks herhaald voor recreatiepaarden en bij voorkeur om het half jaar voor wedstrijdpaarden of paarden die vaak op ‘vreemd’ terrein komen. Dit omdat de bescherming tegen influenza eigenlijk maar 6 tot 8 maanden aanhoudt. De werkingsduur tegen tetanus daarentegen is ruim 2 jaar. Wij gebruiken ‘Duvaxyn IE plus T’ en zien slechts zéér zelden entreacties (bulten of temperatuursverhoging). Na de enting behoeft het dier geen rust, gewone dagelijkse arbeid is geen probleem. Het is wel beter stress situaties zoals spenen, voor het eerst beleren, extreme training of wedstrijden enkele dagen uit te stellen.
West Nijl Virus:
als aanvulling op de influenza/tetanus enting wordt aangeraden om uw paarden ook tegen het West Nijl Virus (WNV) te beschermen. WNV is een ziekte verspreid door overvliegende vogels uit warmere streken. Deze vogels worden gebeten door kleine steekvliegjes, knutten, die zo de infectie weer verder overdragen. Tot op heden is het virus nog niet in in ons land aangetroffen, maar al wel in Zwitserland en Frankrijk. In Italië is het zelfs al endemisch (komt daar op grote schaal voor). Experts geven aan te verwachten dat de ziekte binnen enkele jaren ook Nederland zal bereiken. Bij paarden geeft WNV een hersenonsteking met afwijkingen in coördinatie en bewustzijnstoestand. Een groot deel van de getroffen paarden zal blijvende schade aan een infectie overhouden of sterven. Een jaarlijkse enting opgestart met een basisvaccinatie geeft uitstekende bescherming. Bijwerkingen zijn er eigenlijk tot nu toe nog niet door ons gezien.
Rhino/influenza:
deze enting dient minstens elk half jaar gegeven te worden, nadat er ook hier een basis vaccinatie (2 entingen met ongeveer 6 weken tussentijd) heeft plaatsgevonden. De rhino/influenza enting geeft wat vaker entreacties, een bult op de injectieplaats of enkele dagen een lichte temperatuursverhoging. Een dagje rust is dan ook wel aan te raden. Standaard gebruiken we ‘Equilis Resequin’ omdat we de indruk hebben hier minder vaak reactie op te zien, maar het is ook mogelijk ‘Duvaxyn EHV 1+4’ in combinatie met ‘Duvaxyn IE + T’ te gebruiken. Bij de ‘Equilis Resequin’ dient om de 2 jaar een aparte tetanus vaccinatie met ‘Equilis Tetanus Vaccin’ gegeven te worden. Helaas is er geen 100% bescherming tegen rhinopneumonie mogelijk en heeft de enting alleen zin als (nagenoeg) alle paarden op een locatie geënt worden. Zo wordt de kans op een uitbraak zo veel mogelijk verkleind. Enten tijdens een uitbraak is helaas niet zinvol en kan zelfs gevaarlijk zijn. Onlangs is aangetoond dat de verlammingsvorm van rhinopneumonie in bijna alle gevallen wordt veroorzaakt door een gemuteerde virusstam. Dus een virus waarin enkele kleine spontane veranderingen in het genetisch materiaal zijn opgetreden. Tot op heden is er nog geen vaccinstof ontwikkeld die bescherming kan bieden tegen deze mutatie. Wel wordt er verondersteld dat door te enten tegen het gewone virus de kans op het ontwikkelen van de mutatie wordt verkleind. Zo zou er dus wel een indirecte bescherming kunnen optreden.
Droes:
sinds 2010 is er weer vaccin beschikbaar tegen droes: ‘Equilis Strep E’. Deze wordt met een kleine korte naald aan de binnenkant van de bovenlip gegeven, eerst weer als basis vaccinatie 2 maal met een tussenpoos van 4 weken en dan elke 3 maanden voor paarden met veel kans op besmetting en elke 6 maanden wanneer er een normaal besmettingsrisico is. Echter ook hier geldt dat alle aanwezige paarden geënt dienen te worden én dat de bescherming ongeveer 75% is. Dat betekent dat 1 op de 4 geënte paarden ‘gewoon’ droes meemaakt, en 3 op de 4 paarden geen droes of een lichtere vorm krijgt. Enten tijdens een uitbraak op stal is zinloos en wordt sterk afgeraden. De werking en veiligheid van deze enting is enkel onderzocht in zgn. naïeve populaties. Dit zijn groepen jonge dieren die zeker nooit eerder met de droesbacterie in aanraking zijn gekomen. Voor toepassing bij oudere dieren zijn er wat risico’s, o.a. die op een ontspoorde immuunreactie. De fabrikant kon ons hierover helaas niet veel informatie verstrekken.
Schimmel:
al jaren gebruiken we met zeer goede resultaten ‘Insol Dermatophyton’, een enting tegen de meest voorkomende schimmelsoorten bij het paard. Ook hier is sprake van een basis vaccinatie, waarbij 2 weken tussen de injecties dient te zitten. Daarna kan, indien gewenst, jaarlijks een herhalingsenting worden gegeven. In tegenstelling tot nagenoeg alle andere entingen kan juist tíjdens besmetting gevaccineerd worden. Het paard hoeft dan niet meer gewassen te worden, en ook de omgeving hoeft (voor dit paard) niet behandeld te worden. Deze enting voorkomt niet alleen maar geneest ook! Wel kan er bij enkele paarden een bult op de ent plaats ontstaan en zien we soms een week later wat vocht in de achterbenen, te vergelijken met ‘stalbenen’. Ditzelfde middel kan ook voor honden en katten met schimmelinfecties worden gebruikt. Helaas is in 2010 de registratie van dit middel voor gebruik in Nederland verlopen. Voor meer informatie kunt u het beste even contact opnemen op het telefonisch spreekuur.
Handig om te weten: naast alle paarden entingen hebben we ook de meeste honden- en kattenvaccinaties standaard mee in de praktijkbus. Dus is het mogelijk deze dieren (voor een gereduceerd tarief!) mee te laten enten.
Vanaf ongeveer 20 paarden op één locatie betaalt U geen voorrijkosten meer, voor nog grotere groepen geldt ook nog een gereduceerd tarief per paard voor de influenza/tetanus enting. Offertes voor stalentingen kunnen telefonisch tussen 8.15 en 9.00 op werkdagen worden aangevraagd, via 0180-450127.
West Nijl Virus
West Nijl Virus: vaccineren nu nodig?
Door Dr. Marianne Sloet van Oldenruitenborgh-Oosterbaan,
Departement Gezondheidszorg Paard
Faculteit Diergeneeskunde, Utrecht
Met het mooie weer komen er meer ins
ecten. Een aantal soorten insecten kunnen ziekten overbrengen, de zogenaamde vectorgebonden ziekten. Een vectorgebonden aandoening die op dit moment duidelijk in de belangstelling staat is het West Nijl Virus. 'West Nijl', zoals de ziekte meestal kortweg wordt genoemd, is een aandoening van vogels, kleine zoogdieren, mensen en paarden. Muggen brengen de ziekte tussen de dieren, vogels en mensen over. Het virus vermeerdert zich in muggen en in bepaalde vogelsoorten. Mensen en paarden kunnen de aandoening krijgen door de beet van een besmette mug, maar kunnen zelf de ziekte vervolgens niet verder verspreiden. Paarden en mensen zijn namelijk 'eindgastheren' van de ziekte. Dit komt omdat na de prik van een besmette mug, het virus zich wel door het lichaam verspreidt maar slechts in kleine hoeveelheden. Daarom kunnen muggen, die het besmette paard of de besmette mens prikken, het virus niet oppikken en op hun beurt weer zelf besmet raken. Een paard of mens met West Nijl is dus niet besmettelijk voor muggen en ook niet voor andere paarden of mensen.

Een infectie met het West Nijl virus kan bij paarden volledig ongemerkt verlopen. De infectie kan ook wat griepachtige symptomen geven: sloomheid, slecht of niet eten en een wat verhoogde lichaamstemperatuur (38.6-39.4ºC). Bij ongeveer een derde deel van de klinisch besmette paarden treden zenuwverschijnselen op: spiertrillingen, ataxie (lopen als een dronkeman), verlammingen, rare vage kreupelheid en/of veranderingen in het gedrag. Rustige paarden kunnen heel lastig worden en lastige paarden heel rustig. In het ernstigste geval kunnen de paarden ook niet meer staan en sterven, of moeten geëuthanaseerd worden. Deze symptomen lijken deels op die van de neurologische vorm van rhinopneumonie (EHV-1), maar zijn voor een dierenarts vaak wel te onderscheiden. Daarbij treden infecties met de neurologische vorm van rhinopneumonie vooral in het late najaar, winter en voorjaar op, terwijl een infectie met West Nijl vooral aan het einde van de zomer (augustus, september) te verwachten is. Dan zijn er namelijk veel muggen die ook al die tijd hebben gehad om zich te besmetten.
In 1960 is er al een uitbraak van West Nijl bij mensen in Frankrijk gevonden en vanaf 1999 wordt de ziekte in Amerika gezien en vormt daar, zeker voor de mens, een probleem. Voor paarden zijn er echter in Amerika verschillende goed vaccins en daarom is het probleem bij paarden goed onder controle. De laatste jaren is West Nijl ook in Roemenië, Hongarije, Italië en Oostenrijk bij mensen en paarden voorgekomen en dus lijkt de ziekte langzaam maar zeker onze kant op te komen. Gelukkig is er sinds 2009 ook in Europa voor paarden een vaccin tegen West Nijl geregistreerd: Duvaxyn WNV® van Fort Dodge/Pfizer Animal Health.
De vraag die dan onmiddellijk opkomt is, moet ik mijn paard nu al laten vaccineren?
Op die vraag is niet zomaar een ja of nee antwoord mogelijk, Voor paarden die internationaal reizen is vaccineren (twee injecties met ongeveer 3 weken er tussen in) noodzakelijk. Voor paarden die in Nederland blijven, is het echter een keuze van de eigenaar. Op dit moment kan niemand voorspellen of de ziekte deze zomer wel of niet Nederland zal bereiken. Als de ziekte hier komt, dan kan het óf snel gaan zoals in Amerika óf beperkt blijven zoals in 2008 en 2009 in Italië, Oostenrijk en omliggende landen.
Het advies aan iedere eigenaar is daarom om zorgvuldig af te wegen of de kosten van de vaccinatie opwegen tegen – het op dit moment waarschijnlijk kleine – risico. Deze afweging is voor iedere eigenaar anders. Ons advies is momenteel om paarden die in Nederland blijven maar waardevol zijn voor hun eigenaar (emotioneel en/of financieel), wel te laten vaccineren.
Hierbij is het goed zich drie dingen te realiseren.
Ten eerste: bij West Nijl kan een eigenaar er voor kiezen om enkele paarden wel en de rest niet te vaccineren. Bij influenza is dat heel onverstandig en dat heeft te maken met infectiedruk. Wat betekent dat? Als er op een bedrijf een aantal paarden niet tegen influenza gevaccineerd zijn, dan kunnen die dieren influenza krijgen en vervolgens zulke hoge concentraties virus gaan uitscheiden dat ook gevaccineerde dieren toch nog ziek kunnen worden. Bij een direct besmettelijke ziekte als influenza moeten dus alle paarden op een bedrijf gevaccineerd zijn om een optimale bescherming te hebben. Bij West Nijl ligt dit anders. Paarden worden besmet door met het virus geïnfecteerde muggen, maar paarden die de ziekte krijgen scheiden zelf geen virus uit en zijn dus niet besmettelijk voor andere paarden en ook niet voor muggen. Een eigenaar kan er dus voor kiezen om slechts enkele paarden op zijn bedrijf te laten vaccineren en die dieren zijn dan goed beschermd.
Ten tweede: het vaccineren tegen West Nijl is duur, rond de 45 euro per dosis. Dit komt omdat het een nieuw ontwikkeld vaccin is: inkoop is het West Nijl vaccin ongeveer 4x duurder dan een influenzavaccin. Het is dus verstandig voor een eigenaar om goed te overwegen welke paarden hij wel tegen het risico wil beschermen en welke niet.
Ten derde: het is natuurlijk een overweging om te zeggen, 'ach, de ziekte is nog niet hier en we doen het pas als de ziekte hier is'. Niemand kan echter voorspellen of West Nijl deze zomer wel of niet bij ons zal uitbreken. De kans is er heel duidelijk en als het uitbreekt, kan dat slechts een beperkt gebied zijn, of in heel Nederland. Ook dat kan niemand voorspellen. Echter, als het uitbreekt, is op dat moment gaan vaccineren te laat. Omdat er pas 3 weken na de tweede vaccinatie (dus 6 weken na de eerste vaccinatie) sprake is van goed bescherming. Verder lopen paarden die buiten of in open stallen staan natuurlijk meer risico door muggen gebeten te worden dan paarden die altijd volledig binnen staan.
Niemand kan dus precies voorspellen wat er gaat gebeuren en of vaccineren in Nederland nodig is: iedere eigenaar moet zelf beslissen wat hij wil. Uw dierenarts kan u bij die beslissing wel helpen, want wij kennen u, uw paarden en de omstandigheden waaronder u uw paarden houdt.
Gebitsproblemen bij het paard
Gebitsproblemen bij het paard
Het gebit van het paard is erop gebouwd om een groot deel van de dag op ruwvoer te kauwen. Hierdoor slijten de kiezen continu af. Met de huidige manier waarop paarden worden gehuisvest is deze situatie veranderd. Paarden krijgen over de dag verdeeld een aantal keer hun voedsel, waarbij meestal een deel bestaat uit krachtvoer en een deel uit ruwvoer. Omdat de paarden niet meer over een groot deel van de dag kauwen ontstaan er regelmatig problemen met het gebit. Op een leeftijd van ongeveer 2,5 jaar begint een paard met het wisselen van de tanden en kiezen. Rond de leeftijd van 6 jaar hebben ze hun definitieve gebit. De tanden en kiezen van een paard groeien continu tot ongeveer een leeftijd van 12 jaar, waardoor afwijkingen die onschuldig lijken te zijn kunnen uitgroeien tot grote problemen. Na het 12e jaar komt er steeds meer van de kroon naar de oppervlakte van de mond zodat het lijkt of de kiezen groeien, maar in wezen worden de kiezen steeds korter. Gebitsproblemen kunnen zich op verschillende manieren tonen. Het kan aanleiding geven tot verzet tijdens het rijden, moeite met aanleuning, maken van proppen, knoeien met eten, anders kauwen, slecht verteerde mest en dergelijke. Soms zijn de problemen vanaf de buitenkant al te zien door bijvoorbeeld (pijnlijke) zwellingen.
Hieronder volgen een aantal regelmatig voorkomende problemen. Mocht u verder vragen hebben betreffende het gebit kunt u contact opnemen met Petra Groeneveld. Zij is lid van NVVGP (Nederlandse Vereniging Voor Gebitsverzorging Paard).

Doppen op de kiezen
Doppen vindt u meestal in de voerbak of in de stal. Het zijn de melkkiezen die het paard aan het wisselen is. Soms blijft de dop echter op de doorkomende blijvende kies zitten. Het paard kan hier erg last van hebben tijdens het kauwen omdat er een verhoging in de kiezenrij zit. Doppen zijn eenvoudig te verwijderen met een doppentang. Indien doppen te lang blijven zitten wordt het doorkomen van de blijvende kies vertraagd. Dit kan aanleiding geven tot het ontstaan van eruptiecysten. Dit zijn (soms pijnlijke) harde uitbollingen in het kaakbot die ter hoogte van de kieswortel zitten. Meestal zien we ze in de onderkaak. Vaak verdwijnen ze weer nadat de doppen verwijderd zijn en het paard de kiezen gewisseld heeft.
Emaillepunten op de kiezen
Emaillepunten ontstaan in de bovenkaak meestal aan de buitenkant van kiezen, dus aan de wangzijde. Bij de onderkaak vaak aan de tongzijde van de kiezen. Deze punten ontstaan gemakkelijk omdat de bovenkaak van het paard van nature breder is als de onderkaak, waardoor de kiezen ook niet loodrecht op elkaar staan en er gemakkelijk punten kunnen ontstaan als het paard niet voldoende kauwt. Deze punten kunnen zo lang worden dat ze in het wangslijmvlies of in de tong gaan prikken en daar continu kleine beschadigingen en zweren veroorzaken. Daarnaast kan een (aansnoer) neusriem ook precies over deze punten aangetrokken worden waardoor je dus beschadigingen in de wang krijgt. Het paard wil hierdoor de kaak niet ontspannen of gaat in verzet. Deze scherpe punten zijn goed te verwijderen zodat het paard hier geen hinder van heeft. Indien dit juist gebeurt is een jaarlijkse controle veelal voldoende.
Haken
Haken ontstaan meestal op de eerste of laatste kiezen. Zeker bij paarden die wat over- of onderbeet vertonen ontstaat dit wat sneller. Bij de bovenkaak ontstaan ze meestal op de eerste kiezen, bij de onderkaak vaak op de laatste kiezen. De haken kunnen zo lang worden dat ze in het onder -of bovenliggende tandvlees gaan prikken en ook de juiste kauwbeweging belemmeren. Deze haken zijn met handvijlen lastig te verwijderen omdat er weinig werkruimte achterin de mond is en je daardoor gemakkelijk beschadigingen aan het tandvlees maakt. Met elektrische vijlen zijn ze veel sneller en beter weg te halen en met minder kans op beschadigingen.
Wolfskiezen
Wolfskiezen komen niet bij elk paard voor. Als ze aanwezig zijn zitten ze meestal in de bovenkaak en dan tegen of vlak voor de eerste grote kies. Het zijn kleine rudimentaire kiesjes die verder geen functie hebben, maar het paard wel tot last kunnen zijn. Soms zitten ze onder het tandvlees (blinde wolfskies) waardoor je ze niet ziet zitten, maar wel irritatie kunnen veroorzaken. De zenuwen van de wolfskies liggen vrij oppervlakkig waardoor aanraking snel tot irritatie kan leiden. Het bit ligt bij het paard in het tandloze gedeelte van de mond. Tijdens het rijden kan het bit tegen een wolfskies gedrukt worden wat pijn doet en verzet kan geven tijdens het rijden. Soms zitten ze zo los, dat ze eruit vallen zonder dat u dat door heeft, of ze breken af. Dit afbreken kan meestal geen kwaad omdat ze veelal onder het slijmvlies niveau afbreken waarna het tandvlees er weer over heen groeit. Wolfskiezen kunnen vrij eenvoudig verwijderd worden. Het paard wordt gesedeerd en daarna wordt er een plaatselijke verdoving gezet. Zodra deze goed is ingewerkt wordt het kiesje losgemaakt in zijn tandkas en verwijderd. Daarna mag het paard 2 weken lang even geen bit in, zodat de wonden goed kunnen genezen.
Diastema
Een diastema is een kleine ruimte tussen 2 naast elkaar liggende kiezen. In deze ruimte kan gemakkelijk voer ophopen wat leidt tot ontsteking van het tandvlees. Het kan gepaard gaan met een onaangename geur uit de mond. Deze kleine ruimtes worden wat ruimer gemaakt naar het kauwoppervlak van de kies toe zodat voer wat er tussen komt te zitten er ook weer makkelijk tussenuit kan. Indien ze op jonge leeftijd voorkomen groeit het paard er vaak overheen na het wisselen. Ontstaan ze als het paard wat ouder is, dan is regelmatig herstel wel nodig.
Gebroken tanden/kiezen
Soms kan het gebeuren dat een paard ineens niet meer kan/wil kauwen door pijn aan de kiezen. Het is mogelijk dat er een kies (soms tand) gebroken is. Dit kan erg pijnlijk zijn. Het kan voorkomen dat alleen een stuk van de kroon is afgebroken, maar het kan ook gebeuren dat de kies tot in de tandkas gebroken is. In het laatste geval moet de kies meestal verwijderd worden omdat er anders ernstige ontstekingen kunnen ontstaan in het kaakbot. Een gebroken kies is niet altijd zichtbaar op een röntgenfoto en dan is er een CT-scan nodig. Met een mondspiegel is de breuklijn soms te zien op het kauwoppervlak van de kies. Hoe verder achterin de mond, hoe moeilijker het wordt om een gebroken kies te verwijderen bij het staande (gesedeerde) paard. Het komt regelmatig voor dat zo'n gebroken kies operatief verwijderd zal moeten worden.
Fistels
Fistels zijn kleine kanaaltjes waar ontstekingsvocht (veelal pus) uit komt. Het ontstekingsvocht is afkomstig van een ontstekingshaard elders dieper onder de huid gelegen. In dit geval vaak een ontstoken kieswortel. In het begin kan er geprobeerd worden met antibiotica het proces tot rust te brengen. Als dit niet helpt, of het komt terug zodra er gestopt wordt met de antibiotica worden er röntgenfoto's van het betreffende gebied gemaakt en bekeken welke kies precies de veroorzaker is van het probleem. Deze kies zal vervolgens verwijderd moeten worden.
Allergie bij hond en kat
Allergie bij de hond en de kat
Allergieën of overgevoeligheidsreacties zijn een belangrijke oorzaak van jeuk en huidklachten bij onze huisdieren. De verschijnselen variëren van af en toe een beetje jeuk tot onophoudelijk bijten, likken en krabben, soms tot bloedens toe.
Oorzaak
De problemen worden veroorzaakt doordat het dier overgevoelig is voor bepaalde stoffen in zijn omgeving. Het best valt dit te vergelijken met hooikoorts bij de mens, ook hier is sprake van een allergische reactie op huisstof, graszaad en dergelijke. Bij honden blijken huisstof, huisstofmijten, mensen- en kattenhuidschilfers het vaakst de boosdoener.
70% van de allergieën worden veroorzaakt door vlooienbeten (voornamelijk jeuk op rug en aan staartbasis), 10% door de voeding (voornamelijk. jeuk op kop), 10% door allergenen die ingeademd worden en de overige 5% door allerlei andere allergenen.
Als een dier in contact komt met een stof die niet in zijn lichaam thuishoort reageert hij hierop met een afweerreactie. Bij een allergische reactie gebeurt dit ook, maar dan overdreven. Er is dus sprake van een soort paniekreactie van het lichaam op een betrekkelijk onschuldige stof. Waarom dit gebeurt is nog niet helemaal duidelijk, maar de gevolgen zijn duidelijk zichtbaar.
Jeuk verschijnselen
Het meest opvallende verschijnsel is natuurlijk jeuk. Terwijl dieren met vlooien vaak alleen jeuk hebben bij hun staart en op hun rug, zie je nu vooral jeuk aan kop, oorschelpen, poten en buik. De dieren likken en knagen aan hun poten en tussen hun tenen, schuren met de kop over de grond en krabben aan buik en oren. De huid kleurt door de voortdurende irritatie zwart en er zitten soms kleine puistjes op, die later openbarsten en kleine korstjes vormen.
Diagnose
Allergieën komen voor bij alle rassen, maar bij sommige rassen zien we duidelijk meer problemen dan bij andere. Voorbeelden zijn Golden Retrievers, Terriërs en Poedels.
De belangrijkste oorzaak voor jeuk blijft echter vlooien. Ook luizen, teken, vachtmijten en schimmels kunnen huidklachten geven. Bovendien bestaan er ziekten van de huid zelf. Om vast te stellen of een dier allergisch is, is het dus van belang eerst alle andere oorzaken voor de huidproblemen uit te sluiten.
Om een voedingsallergie uit te sluiten kunnen we het dier gedurende zes weken dieetvoeding laten eten (= eliminatiedieet) . Is er verbetering dan is een voedselallergie waarschijnlijk. Hiernaast kunnen we bij honden, net zoals bij mensen, een allergietest doen.
Op onze dierenkliniek hebben we 2 soorten allergietesten voor honden:
- Door middel van bloedonderzoek waarbij een eenmalige bloedafname volstaat.
- Een huidtest: We scheren dan een stukje huid kaal en spuiten hier een aantal stoffen in waarvan bekend is dat ze vaak problemen geven. Na een halfuur kunnen we de test aflezen. Op deze wijze proberen we te zien of een dier allergisch is en ook waarvoor.
Helaas zijn er voor katten nog geen betrouwbare allergietesten voorhanden.
Behandeling
Hebben we eenmaal vastgesteld dat uw dier allergisch is dan zijn er verschillende manieren om dit te behandelen. Met medicijnen is het goed mogelijk om de klachten de kop in te drukken. Het is echter niet zo dat dit tot blijvende genezing leidt. Uw dier zal dus levenslang af en toe medicijnen nodig hebben.
Een tweede manier van behandelen is desensibiliseren. We moeten dan eerst weten wat precies de allergie veroorzaakt, dus doen we een allergietest. Vervolgens wordt de patiënt gedurende enkele maanden ingespoten met een toenemende dosis van de stof die de problemen veroorzaakt ("allergie-injecties"). Op deze wijze hopen we het lichaam aan de stof te laten wennen, waardoor na verloop van tijd de allergie afneemt. Deze therapie, die doeltreffend is gebleken in 50% tot 80% van de gevallen, vertraagt of verzwakt de allergische reactie. Slaagt deze methode dan is het dier meestal voor lange tijd van zijn probleem verlost. Soms is het nodig om de behandeling op een later tijdstip te herhalen.
Heeft het dier een voedselallergie dan is het zaak een soort voer te kiezen waarbij de klachten wegblijven. De meest gebruikelijke oplossing is levenslang speciaal hypoallergeen dieetvoer te geven.
Erfelijkheid
Uit het feit dat bepaalde rassen duidelijk meer problemen hebben mogen we aannemen dat het in zekere mate erfelijk bepaald is. Inmiddels is ook gebleken dat sommigen lijnen binnen een ras meer problemen hebben. Het is raadzaam terughoudend te zijn met fokken met allergische dieren.
Samenvatting
Huidklachten zijn een veel voorkomend probleem bij huisdieren. Allergieën zijn niet de belangrijkste reden hiervoor, maar geven wel langdurige klachten. Ieder dier dat verdacht wordt van een allergie dient goed onderzocht te worden om andere oorzaken uit te sluiten. Is eenmaal vastgesteld dat een dier allergisch is dan zijn er verschillende behandelingswijzen mogelijk. Wel moeten we ons realiseren dat het vaak levenslang een probleem voor het dier en zijn baas blijft.